donderdag 15 augustus 2013

Docentschap

Op dag vier van mijn cursus 'Vervreemdend Proza' gaat het mis. Net na de pauze loop ik met nóg een stapel gekopieerde verhalen in mijn hand lokaal 1.23 in. De lucht is dik en muf omdat de ramen er niet open kunnen. Mijn hoofd moet al rood zijn. De tafels staan in een rechthoek en zijn bezaaid met papieren, honderden vellen, kris kras door elkaar. De twaalf cursisten lopen er omheen en proberen de boel voor zichzelf compleet te krijgen. Juiste volgorde. Juiste naam. Iedereen heeft meerder pagina's geschreven. De meeste vellen zijn zonder naam, zonder nummering. Ik sta aan het hoofd van de tafel en leg er nóg een stapel papier bij. Er wordt naar elkaar geroepen en er worden dingen aan mij gevraagd. Deze verhalen kunnen we onmogelijk allemaal bespreken in een paar uur. Het lokaal is net groot genoeg voor zoveel mensen, als ze op hun stoel blijven zitten. 'Orde,' wil ik roepen. En: 'Ho, ho.' De tijd loopt.
'Ik ben beter in tekstanalyse dan in de logistiek,' zeg ik maar.
'Ja, we willen allemáál alleen de leuke dingen doen,' zegt de cursist die naast me staat.


dinsdag 13 augustus 2013

Vervreemding

"Marquez verklaarde ooit dat een gedetailleerde leugen altijd de schijn van waarheid wekt. Als je vertelt dat er opeens tweehonderd blauwe olifanten langs kwamen rennen, gelooft niemand je. Maar zeg je dat het 167 volwassen dieren en vijftien kleintjes waren, dan klinkt dat al een stuk geloofwaardiger. Ook Cortazar past deze truc vaak toe. (....) Mijn verhalen zijn voor het merendeel van dezelfde makelij als mijn romans, zegt Cortazar, openingen naar de verwondering, overhalingen tot een verplaatsing van waaruit het gewone niet langer geruststellend is, omdat niets gewoon is zodra je het onderwerpt aan een stil gestaag onderzoek."

Dit kwam ik tegen in een oud krantenartikel en las ik vanmorgen voor aan mijn cursisten die ik de hele week de cursus Vervreemdend Proza geef. Een term die hoe langer  en meer ik ermee werk, onhoudbaarder wordt. Want ik kan nu, na de tweede dag van de cursus, al helemaal niets meer bedenken wat niet vervreemdend is. En 's avonds onderweg naar huis, op mijn racefiets, zie ik ook hele andere dingen.


zaterdag 10 augustus 2013

Heetgebakerd

Briesend kwam mijn vriendin er aan gefietst. Ze was onderweg naar het station twee keer bijna aangereden door dezelfde auto en had, toen ze daar iets van zei, van de bestuurder een grote mond gekregen.
'Het is gewoon eng,' zei ze, 'de enorme woede die ik meteen op voel komen.'
'Dat ken ik.'
'Ik ben eigenlijk heel heetgebakerd,' zei ze.
'Ik ook,' zei ik. 'En wraaklustig.'
Het waren geen mooie eigenschappen die onderweg naar het café al ter sprake kwamen. Daar hou ik van. Maandenlang had ik haar niet echt gesproken. En ik merkte hoezeer ik haar gemist had.
De zon scheen. Het terras waar we gingen zitten, zal vol lachende en kletsende mannen en vrouwen. Klinkende glazen. Schaaltjes met grote, glimmende olijven. Zoenende stelletjes. We keken rond.
'Mensen zijn gewoon allemaal heel verdorven,' fluisterde ze.
'Zo is het,' zei ik. 'Een dun laagje vernis.'
Na het eerste wijntje kwamen we er al op dat onze woede niet eens zo heel verkeerd was. Het diende toch zeker ergens toe. Het was een manier om duidelijk een grens aan te geven. Een overlevingsmechanisme. Tot hier kun je gaan en niet verder. Lafheid was veel erger.
Bij het zoveelste wijntje zeiden we dat we agressie niet goed keurden, dat het ook zeker niet verstandig was, maar waren we het er allebei over eens dat onze mannen best iets minder conflictvermijdend hadden mogen zijn.

vrijdag 9 augustus 2013

Kattenstuk

De kinderen zijn uit logeren, maar we hebben er nog twee. Ronnie B. is eergisteren uit het raam gedonderd. Eén hoog. Vermoedelijk heeft hij het gaas van de hor opengekregen, is aan de buitenkant van de vensterbank gaan zitten en toen uitgegleden. Nu heeft hij zijn rechterpoot gekneusd en doet het rustiger aan. Opvallend is dat zijn zusje sindsdien naar hem gromt en blaast. Helemaal niet begripvol.
Maar als ik het zusje op schoot genomen heb -  misschien keken we te veel naar haar arme broertje - wil ook Ronnie B. er per se bij komen liggen. Hij houdt zijn pootje een beetje slap omhoog en kijkt mij aan met zijn zwarte kopje. Het zusje blijft luid spinnend liggen waar ze ligt.
Toen heeft man Ronnie B. maar mee naar buiten genomen aan een tuigje. Zijn zusje zit nu met haar neus tegen het raam en volgt jaloers zijn bewegingen.
Verder hou ik niet bijzonder veel van katten. Behalve dus van deze twee. Zo ook met kinderen.

dinsdag 6 augustus 2013

98

Mijn vader en ik, met Jeetje (8) en Deetje (3) op de achterbank, rijden door het Noord-Limburgse landschap op weg naar oma's 98ste verjaardag. Als we er bijna zijn, zegt Deetje: 'Ik vind oma eng.'
'Waarom?'
'Daarom is geen reden, hè?' zegt ze.
'Nee,' zeg ik.
De verjaardag wordt in de immense tuin van één van haar zoons gevierd. Als wij aankomen, is iedereen er al. Oma heeft dekens om haar benen en een deken om haar schouders. Ze is bijna helemaal ingepakt omdat ze zo dun is. We zitten in een grote kring rondom haar met blote armen en benen. Ze eet taart en drinkt wijn. Ze heeft haar stoel rechtop staan, kijkt rond en ze praat ook best veel. Maar als ik haar feliciteer, zegt ze dat ze 98 echt te oud vindt. Dat ze zo moe is. Ze mag niet klagen van ons. 'Het is maar net wat je instelling is!' zegt een oom.
We zijn blij dat ze er nog is. Zij moet ook blij zijn dat wij er zijn. Als oma  binnen op de bank ligt, hebben wij het over leeftijd en dat we voor we het weten 98 zijn.
'O, nee, dat vind ik veel te oud,' zegt een tante.
'Ik wil ook zeker geen 98 worden,' zegt een andere tante. 'Absoluut niet.'
Een oom zegt dat hij liever van de brug geduwd zou willen worden dan ooit in het bejaardenhuis te belanden. Wij vinden dat oma blij moet zijn dat ze zo oud is, maar niemand zou zelf die leeftijd willen bereiken. Behalve ik, misschien. Ik weet het niet. Maar dood zijn, lijkt me helemaal niets.


maandag 5 augustus 2013

De bel ging

In mijn renpakje deed ik open. Voor de deur stond een rokende man met in zijn kielzog een vrouw. Ze identificeerden zich met een stuk dat ik op mijn weblog geplaatst had. Ze wilden dat ik het er vanaf haalde.
'Wat goed dat jullie mijn blog volgen,' zei ik. 'Dat wist ik niet.'
'Mijn broer zit in de gevangenis,' zei de vrouw.
'Ik verzin nog wel iets,' zei de man. 'Ik hoop dat je verkracht wordt in het park.'
Daarna verdwenen ze, even plotseling als ze gekomen waren, in het duister dat hen omringde. Mijn vriendin, die achter de deur had staan luisteren, en ik konden eindelijk gaan rennen.
'Nou, gezellig hier op IJburg,' zei ze.
'Ja,' zei ik, 'het is Living on the Edge hier.' Ik versnelde het tempo. 'Elke dag moeten we blij zijn dat we nog leven. Maar dan ben je ook ècht blij, snap je? Dat is het hele mooie.'
Ze knikte. Maar of ze het echt begreep, weet ik niet.

donderdag 1 augustus 2013

Mensen

Op deze bloedhete dag werk ik boven aan een kerstverhaal terwijl helemaal beneden twee poesjes over de piano wandelen. Of ze knallen balletjes in alle hoeken van de kamer. Maar als ik even niets hoor, loop ik de trap af om hun water te verversen. En meteen dat van mijzelf. Ook zij zullen zich hier nu wel gevangen voelen. Hoe leg ik die arme beestjes uit dat het voor hun eigen bestwil is dat ze binnen zitten? Dat het nog maar een paar weken duurt.
Ik mag hier gelukkig dadelijk al even weg. Die mensen overal om me heen. We zitten hier de laatste tijd veel te dicht opeengepakt volgens mij. Dat verstikt. Zoveel mensen op één eiland. Ze maken mekaar nog af. Ik heb ook helemaal geen zin in mensen. Ze vervuilen mijn hoofd. Ik wil me niet met ze bezighouden. Ze zijn lelijk en ze stinken. Geef mij maar kleine katjes.