Goed, ik was dus in de buurt van het Hoofddorpplein toen het in mij opkwam de goedheid van de mens te beschrijven en er precies op dat moment, echt waar, een fietser op me inreed. Met een enorme klap. Het was een jongen van een jaar of twintig met voorop het rekje van zijn fiets een meid in plaats van een mand, waardoor hij me niet had gezien. Zij gilde bakvisachtig. En ik riep: 'Wat doe je?'
Zonder op of om te kijken, of zelfs maar sorry te zeggen, stak hij de straat over. Toen ik na een tijdje weer opstapte, hoorde ik het giechelen van de meid nog. De rest van de tocht trapte ik zwaarder. Er schuurde iets. De stang van mijn fiets was verbogen. Het wiel liep aan.