vrijdag 3 januari 2014

De lijkkist

Op dag drie van het nieuwe jaar, of is het dag vier?, raak ik de tel al kwijt. En kom ik in een loods vol tweedehands meubels,  achter de kerkbank die misschien heel leuk past bij onze  keukentafel, ook nog plotseling een glimmend zwarte lijkkist tegen. Zoekend naar oude schoolbureautjes voor onze driejarige, een geinige dossierkast voor op mijn nieuwe schrijfkamer, vind ik juist dat ding. Zwart. Opzichtig blinkend tussen de vintage shit.
'Die persoon die erin moest, ging misschien toch niet dood,' zegt man.
'Misschien ligt er nog iemand in.'
We verlaten de loods met ellende en gaan linea recta naar IKEA. Daar geen doodskisten maar eeuwig groene planten. De ondergrondse parkeergarage is daar nog het leukst. Als ik de auto uitstap, ben ik namelijk meteen weer in Beijing. Zo ondervind ik op dag drie/vier van tweeduizendveertien hoe ontzettend belangrijk geur is voor de herinnering. Ondergrondse parkeergarage = Beijing. Geur = een tijdmachine. En de vorige keer dat ik in zo'n parkeergarage was, wàs ik ook echt in Beijing. Dat is het mooie. Maar dat is vanaf vandaag dus voorgoed voorbij. De volgende keer dat ik in een parkeergarage zal zijn, was ik de keer voor de vorige keer dat ik in een parkeergarage was, in Beijing.


donderdag 2 januari 2014

Een greep uit de bezigheden op dag 2

De meisjes naar opa en oma laten brengen voor twee nachtjes. Begonnen in Een dagje naar het strand van Heere Heeresma. Een kilometer of zes, zeven gelopen; het normale rondje langs camping Zeeburg plus een rondje Flevopark. Het zeefje van de afwasmachine - of hoe zo'n ding ook heet - noodgedwongen schoongemaakt, er hing nog een half kerstdiner in. In witte, papperige vlokken. De was uit de droger gehaald, voor de helft opgevouwen en in de kasten gelegd. De vetvlekken zaten nog gewoon in het nieuwe gele kindercoltruitje. Ik heb de laatste tijd (het kan geen toeval zijn, dacht ik) met heel veel verschillende mensen gesprekken gevoerd, waarin op zeker moment het zogenaamd geweldige spul Vanish Oxigen ter sprake kwam. In de roze pot. Het zou tovermiddel zijn. Niets van waar dus. Althans: dit geldt niet voor mij.
Het plan gehad een twitterverhaal te gaan schrijven zoals Jennifer Egan dat heeft gedaan. Mijn verhaal begon ermee dat een vrouw die op de eerste dag van het nieuwe jaar in het buurtcafé zat, steeds maar bejaarde versies van bekenden voorbij zag komen, - dat had ik gisteren toevallig ook daarom kom ik erop - vriend en vijand die ik voorbij zag lope, ze waren van de ene op de andere dag zeker dertig jaar ouder geworden -, maar in het verhaal moet de lezer er dan langzaam achterkomen dat alleen de vertelster  (ik dus) dertig jaar geleden stil is blijven staan. En waarom. In het echt sta ik dus niet stil.

woensdag 1 januari 2014

Absolute zekerheid in 2014

De eerste dag van het nieuwe jaar begon met tosti's, espresso's, appeltaart en andere mensen. Nu dan zijn de andere mensen weg, de feesten allemaal voorbij, alleen de appeltaart en de andere lekkernijen niet op. Zojuist heb ik twee porties Häagen-Dazs ijs weg moeten werken en ben er nog altijd niet doorheen. Er is zoveel gebeurd in december van het afgelopen jaar dat ik begin te schrijven over het ijsje dat ik net at. In de laatste zes dagen van 2013 kwam er o.a. een Bulgaar met zijn vrouw onze keuken niet alleen veel groter maken, maar ook lichter. De verlichting die we nu, uit gewoonte, niet aandoen. Dus snijden we ons vlees nog altijd in het donker.  Mijn boeken en ik zijn in die dagen ook naar de bovenste verdieping verhuisd.  Ik heb mijn hele hebben en houden dus één trap hoger gebracht. Als het goed is, ligt het daar nu nog allemaal. Vanmiddag - nadat ik vijf kilometer had weten te rennen - zat ik heel stil in mijn renpakje naast de houtkachel. Ik pakte Een roos van vlees erbij. Lezen doe ik tegenwoordig alleen diep in de nacht en op momenten dat ik even niet opzichtig aan het leven ben. Zoals vanmiddag dus ineens. Man was rennen, de kleuter van oudjaarsnachtuitputting in slaap gevallen, de achtjarige speelde boven op haar nieuwe kamer met haar vriendinnetje en ik las. Tijdens het lezen zag ik het beginbeeld van mijn nieuwe boek met absolute zekerheid voor me. Beter kon ik het niet bedenken. Wat ik al met al een heel goed begin van 2014 vond.  Ook al weet ik inmiddels wel hoe het met mijn absolute zekerheid gesteld is. (En die van de rest van de mensheid)

zaterdag 23 november 2013

Hou je van haar?

'Tessa, de moeder uit je boek, hou je van haar?'
'Ja,' zei ik. En mompelde ook nog: 'Meer dan de meeste mensen geloof ik.'
'Ze is een heel naar mens, toch?'
'Dat vind ik niet.'
Toen liet de interviewer me een stuk voorlezen waarin ze inderdaad niet vriendelijk overkomt jegens haar dochtertje Summer. Nog zacht uitgedrukt.
'Nou?' zei de interviewer.
'Ja, dit is inderdaad nogal naar,' lachte ik.
'Precies.'
We zaten in een zaaltje met publiek. Een stuk of acht camera's op me gericht. Al was ik me daar op dat moment niet heel erg bewust van.
'Jij hebt expres een naar stukje uitgekozen,' zei ik maar tegen de interviewer. Dat was onzin. Hij kon me op willekeurig welke pagina iets laten voorlezen of er zat wel narigheid in. Maar ik wist niets beters. De dagen erna dacht ik erover na. Het was niet de eerste keer dat die vraag mij gesteld werd. Ik had 'm geloof ik kunnen voorzien, maar kwam niet verder dan de ontkenning. 'Ze is heus niet naar.' Nare mensen vind ik zo ontzettend oninteressant namelijk. Ik krijg dagelijks reacties van mensen die Tessa ontroerend vonden. Die zeiden haar helemaal te begrijpen. Die mee werden genomen in haar gedachtengang, ook al wilden ze dat op den duur liever niet meer.  Ze moesten lachen tijdens het lezen, al vonden ze van zichzelf dat dat eigenlijk niet mocht. Iemand schreef me: Ik voelde me betrapt op mijn eigen gedachten. Dat is precies waar het mij om gaat, denk ik. Ik wilde geen naar mens laten zien, maar de narigheid in onszelf blootleggen. Omdat we mensen zijn. Speelballen van onszelf en onze omgeving. Terwijl we het meestal goed bedoelen. Zo ontzettend goed. Ook Tessa. Vooral Tessa, die ik het niet gemakkelijk gemaakt heb.
Maar dat zei ik allemaal niet.


Vrijheid

In de tram bekijk ik mijn zwarte racefiets die met één wiel in het rekje hangt, en ik wil er zelfs een foto van maken. De fiets is het beste cadeau dat ik ooit kreeg. De fiets is vrijheid. Snelheid. Effectiviteit. Lichtheid. Omdat het ding zo licht is, durf ik 'm tegenwoordig zelfs mee de tram in te nemen en zo ben ik in minder dan tien minuten in centrum Amsterdam. Het is opmerkelijk dat ik dit allemaal denk. Ik hecht mij niet snel, nergens aan, maar helemaal niet aan spullen. Ik raak alles kwijt. Ik gooi veel weg. Soms denk ik dat ik een bepaald gevoel voor schoonheid mis. Ik bewonder mensen die liefdevol over spullen kunnen praten. Zelfs de aankoop van een vergiet kan hen vervullen. Ze aaien het vergiet. Als ik op bezoek kom, krijg ik het vergiet te zien. Het is niet zomaar een vergiet. Bij mij was, tot de fiets in mijn leven kwam, alles eender.
Voor ik mijn telefoon gepakt heb om een foto te maken, maakt de tram een bocht en valt de fiets bijna op een kinderwagen. In vier stappen ben ik er. De spaken van het voorwiel zitten klemvast tussen het dikke plastic. Als ik de fiets probeer op te tillen, maakt de tram nog een scherpere bocht en word ik tegen het hokje van de conducteur aan geslingerd. De passagiers kijken toe hoe ik pogingen doe het voorwiel los te krijgen van mijn - net nog zo innig geliefde - fiets. Mijn handen worden zwart. Het is spitsuur. De gangpaden staan vol. De conducteur zegt dat ik sowieso geen fiets mee naar binnen had mogen nemen. Als ik de spaken begin te verbuigen, stapt een mevrouw in bontjas naar voren en helpt me. 'Dat is zónde,' zegt ze. 'Als het ding maar losgaat,' zeg ik. Zegt de verrader.  Zodra het ook maar even tegenzit, wil ik de fiets al laten staan. Achterlaten. Bekijk het maar. Dag fiets. Vrij wil ik zijn. 


donderdag 21 november 2013

Mythe

Thuisgekomen maakte moeder de oven open. Een sterke geur van verschroeid vlees. Pijn. Het litteken van de brandwond, dat daar al zat sinds moedertje een jaar of acht was, lag weer open. Zo zou het dus ruiken als ze gecremeerd werd. Maar dan iets sterker.
De maaltijd, die man voor haar in de oven gezet had voordat hij de deur uit ging, at ze lauw op. Met haar jas nog aan. De bloemen, de olie, het notitieboekje, lagen naast haar handschoenen op tafel. Moeder droeg veel make-up omdat ze net in een televisieprogramma had gezeten, waar ze over moederschap had gepraat natuurlijk. Moeder was een luchtig tussendoortje geweest. Voor haar was de vertaler van een Japans meesterwerk, na haar werd er met de biograaf van de allerbeste schrijver van de twintigste eeuw gesproken.
Terwijl moeder de bloemkool naar binnen propte, dacht ze na over de verbranding. Het kon geen toeval zijn dit juist nú gebeurde. Haar hand was rood. Het vel eraf. Ze staarde recht in haar oude wond.Een beetje moeder zou weten dat je je poten niet zonder handschoenen in een hete oven stopt. Hoe langer moeder ernaar keek, hoe betekenisvoller de wond.
'Ik kan niet slapen.' Bovenaan de trap stond haar oudste dochter in ondergoed. Een engel. Nadat moeder haar dochter een kus gegeven had en nog eens had ingestopt, snelde ze weer naar beneden. De laatste vijf treden gleed ze uit. Ook die val had iets mythisch vond ze.


dinsdag 19 november 2013

Gehaktdag

Kokhalzend stond ik achter het fornuis, in een hemd met daarover een helblauw Portugees keukenschort met haan. De trui had ik uit voorzorg uitgetrokken. Een stinkende juf is voor niemand prettig. De kinderen zaten achter twee laptops waarvan er eentje het niet fatsoenlijk deed. Waarom hebben we geen tv meer? Die van acht wilde dit kijken, die van drie wilde dat zien. Ze ruzieden. Ik zag het hangoog van de jongste, de donkere kringen onder haar ogen, het gezicht van de oudste was krijtwit, zowat doorschijnend. Het liep al tegen zessen toen ik het gehakt met uitjes en al in de prullenbak kieperde, ik had nog twintig minuten om de zaak goed te krijgen.
Het kokhalzen was al begonnen toen ik het biologische rundergehakt uit de verpakking gehaald had.  Maar ik dacht: gehakt heeft altijd iets smerigs, waarom eten wij die troep zo vaak? Ik kots van gehakt. De tartaartjes waren ook ver over de datum. Man appte dat hij er nog niet was. 
Toen ik uiteindelijk om tien voor half zeven het pand verliet, liet ik de bleke en de schele achter. 'Zullen jullie geen ruzie maken? Deur niet opendoen, he? Papa staat in de file, maar lang kan het nooit duren.' Ze knikten vaagjes, ik sloeg de deur achter me dicht. De oven staat aan, dacht ik op de fiets, de oven staat aan, de oven staat aan.