woensdag 22 januari 2014

Conclusie

Op een weblog las ik vandaag een stuk over de stolp waarin wij in Nederland leven. Het vacuüm. Hier is alles goed en rustig en vrij. En dat we dat eens zouden moeten waarderen. Op de radio hoorde ik iemand zeggen dat er hier niets is waar wij voor hoeven vechten  en dat dat eigenlijk jammer is.
Op de televisie beelden van verhongerde mannen in foetushoudingen. Beestachtige martelingen. In de krant las ik over de uiterst moeizame vredesconferentie over Syrië. Via Facebook kreeg ik 'de tien vragen die je niet durfde stellen over Syrië' onder ogen. Wat is daar nou precies aan de hand?
Deze avond vroeg ik mijn cursisten verhalen van zestig woorden te schrijven, waarbij de situatie eerst goed, rustig en positief is en daarna vol problemen, bedreiging en angst.
Misschien denk je dat er nog een conclusie moet zijn, maar die is er niet.

dinsdag 21 januari 2014

Omgaan met tijd

11.07 u. Op een kladblokje naast m'n toetsenbord noteer ik steeds hoe laat het is, om de tijd niet weg te laten glippen. Ik wil de uren in de hand houden. Mijn eigen tijd goed indelen. Ik heb vandaag in principe tot 15.00 u. Om de haverklap kijk ik op het blokje om te zien hoe laat het net was en om op te schrijven hoe laat het nu is, en dan ga ik na  wat ik in die tussentijd precies gedaan heb. Soms geef ik online les als tutor. Soms, zoals nu, schrijf ik een blog. Of ik kijk op Facebook om de bezigheden van mijn online vrienden te checken, of ze nog iets leuk gevonden hebben van mij of van anderen. Daarnet stuitte ik op een filmpje over waarom schrijvers drinken en dacht aan al de mensen die geen schrijver zijn en toch drinken. Maar als ik dadelijk ga beginnen, eindelijk het document open, zet ik de wekker eerst op vijfenvijftig minuten. Die vijfenvijftig minuten duren langer. Zoals ook de tien minuten die mijn dochter pianospeelt, langer lijken als ik de wekker zet. Maar ook korter. Het heeft iets met afbakenen te maken. De tijd laten groeien en afbakenen. 11.16 u.
Dit stukje nalezen, schrappen, veranderen. 11.19 u.

maandag 20 januari 2014

Niets meer aan te doen

We sjeesden regelrecht van radio L1 in Venlo naar het bejaardentehuis in Gennep waar oma (98) in bed ligt. Ze zag er beter uit dan de vorige keer. Haar gezicht was voller. Haar wangen roder. Misschien was het ook omdat ze nu haar gebit in had.
Ze zei: 'De dokter heeft gezegd dat ik alles mocht eten en drinken. Er was helemaal niets wat ik niet mocht hebben.'
'Ja?'
'Weet je wel wat dat inhoudt, Elke?'
'Nou?'
'Dat er niets meer aan te doen is,' zei ze. 'Ze kunnen er niks meer aan doen.' Oma sprak elk woord zorgvuldig uit en keek me aan.
'O ja.' Ik sloeg mijn ogen neer. Het werd stil in de kamer. Hier zat ik dan aan de rand van oma's bed en er was niets meer aan te doen. Al zag ze er goed uit vandaag. Maar daar durfde ik niet over te beginnen.
'Heb je zin in een stukje chocola, oma?'
We aten chocola uit het schaaltje dat op tafel stond; oma, mijn moeder en ik. En meer deden we niet.

vrijdag 17 januari 2014

Heel anders

In de trein naar Maastricht, ik denk ter hoogte van Weert, moest ik Revolutionairy road  opzij leggen om het verhaal Lastmens te gaan lezen. Het was jaren geleden dat ik dat gedaan had. Het kwam mij voor als eeuwen terug. Maar dat kon niet waar zijn. Voorin stond dat het boek in 2010 uitgekomen was.  Ik was op weg naar de kunstacademie om te praten over dit verhaal. De studenten audio-visueel wilden er een korte film van maken.
Het viel me helemaal niet tegen. Het woord negerin stoorde me. Maar dat was alles. Wel begreep ik waarom mensen het verhaal 'zwart' genoemd hebben. Af en toe werd ik door de woorden om de oren geslagen. Het waren ooit mijn woorden. Ik wist dat ik ze geschreven had, maar zo voelde het niet.
In het verhaal 'besluit' de moeder, Wieke heet ze, zich op zeker moment voor te doen als de au-pair van haar eigen kind. (Het is niet echt een besluit. Die vrouw besluit niks. Het overkomt haar. Ze zegt geen nee.) De afstand die dat met zich mee brengt maakt het voor haar makkelijker met haar dochtertje van drie om te gaan. Als ze haar kind beschouwt als werk, is de verantwoordelijkheid beter te dragen. Is ze beter in staat liefde te voelen. Als toeschouwer gaat alles beter. Het leven als baantje is makkelijker dan er middenin zitten.
Even later zat ik voor een klas derdejaars studenten. Ze vroegen dingen als: Heeft Wieke in het verleden een problematische verhouding met mannen gehad? Haat ze kinderen? Waarom is ze bij die man? Is het verhaal misschien een postnatale depressie? Wat is er in het verleden met Wieke gebeurd dat ze nu zo is?
Voor ik het wist zaten we in een soort therapiesessie waarin ik de woordvoerster van Wieke scheen te zijn.
'Jullie moeten er vooral je eigen ding mee doen,' zei ik op zeker moment tegen de studenten, 'een film is iets heel anders dan een verhaal. Het staat op zichzelf.'
Dat wisten ze allang. Eén jongen stelde voor om in plaats van een kind een hond te nemen. En in plaats van de zandbak waar de au-pairs samenkomen een hondenuitlaatplaats.

woensdag 15 januari 2014

Flarden van de laatste dagen

Murakami in een interview in NRC over schrijven: Ik heb geen enkele bewegwijzering. Het is reizen zonder landkaart. Het enige wat ik nodig heb is vertrouwen - het geloof dat ik ooit, op een dag, het verhaal waaraan ik begin ook daadwerkelijk zal kunnen beëindigen. Voordat ik die kracht in mezelf voel, begin ik niet eens.
Vlak daarna hoorde ik een geïnterviewde op de radio (ik weet nu al niet meer wie)  Kant citeren: Durf op je eigen verstand en gevoel te vertrouwen. Heb aandacht. Je kunt alleen maar echte aandacht voor andere mensen hebben als je volledig op je eigen perceptie vertrouwt.
En zojuist las ik op Facebook twee stukken van Vlaamse schrijfsters wier werk ik bewonder, Saskia de Coster en Annelies Verbeke, het ene stuk ging over het evenement Literaire Moeders (Mannen, wees gewaarschuwd, vrouwelijke schrijvers rukken op!) en in het andere stuk werd getwijfeld over de uitwerking van zo'n avond lang praten over vrouwelijke auteurs. 'Omdat ik vrees dat elke beklemtoning van de vrouwelijke auteur als aparte groep, de discriminatie uiteindelijk in de hand werkt,'  schrijft Annelies Verbeke. En: 'Ik blijf oprecht denken dat mijn geslacht er weinig toe doet wanneer ik schrijf, ik blijf oprecht denken dat ik een parade van mensen ben, een optocht van vrouwen, mannen en hermafrodieten van alle leeftijden die me bij het schrijven goed van pas komt. '
Saskia de Coster benoemt in haar column in de Morgen haar literaire moeders en schrijft: ' Nochtans geloof ik oprecht dat de drang om te schrijven aseksueel is, dat niemand met zijn geslachtsdeel schrijft, en dat je literatuur zelf niet kan opdelen in vrouwenliteratuur en mannenliteratuur. Maar of je effectief aan schrijven toekomt, of het je toegelaten wordt, of het gepubliceerd mag worden of niet, dat heeft eeuwenlang afgehangen van je sekse.'
Dit heeft allemaal op een bepaalde manier met elkaar te maken.

maandag 13 januari 2014

Gelijk

De poes was al een dag en een nacht weg. Het was niets voor haar. Ze ging nooit ver van huis. Ze moest wel verdwaald zijn. Het was een vrouwtje. Geen erg emancipatoire gedachtengang. Maar het ging om een poes.
'Nu niet gaan zeggen dat ze een matje is geworden,' zei Jeetje voordat ik mijn mond open had gedaan. 'Jij altijd met je dood, dood. DOOD.'
'Nee, jij,' zei ik. 'Het is jouw poesje dat nu zielig en alleen en uitgehongerd ergens op ons zit te wachten. En jij speelt lekker op je kamer met je monster-high poppen.'
'Ze komt heus wel terug, mama.'
'Jij maakt je helemaal geen zorgen. Dat vind ik nogal raar,' zei ik.
'Hoe wéét jij dat ik me geen zorgen maak?'
Het tengere, blonde kind stond op de vierde traptrede en keek naar me. Achteneenhalf jaar oud. Haar armen over elkaar. Zo'n monsterlijke pop in haar ene hand. In haar oorlelletjes kleine gouden ringen.  Het ene lelletje roder dan het andere. Donshaartjes op haar oorschelpen. Het roze hemd hing half uit haar lila spijkerbroek. Vanaf een iets hoger standpunt bestudeerde ze de vrouw die voor haar stond. Mij. Haar moeder.
'Ik hoef toch niet de hele tijd te zèggen dat ik me zorgen maak.' Ze articuleerde alsof ze het tegen een zwakzinnige had. 'Of wel soms? Maak je je soms pas zorgen als je het steeds zegt? Nee, hè? Nee.'
Ik zei dat ze gelijk had, dat ze gelijk had. En rond drieën 's nachts zou de poes ook inderdaad gewoon terugkomen. Luid mauwend stond ze onder het raam. Verbolgen omdat het zo lang duurde voor iemand haar binnenliet.
'Sorry,' mompelde ik, 'sorry dat ik je zo lang heb laten wachten. '



donderdag 9 januari 2014

Docu Doe Maar



In Heijen ontstond dus Doe Maar. Hadden wij dat geweten, was onze jeugd anders verlopen. Heijen was niet direct het stoerste plaatsje om in op te groeien, vonden mijn vrienden en ik. In de jaren tachtig. Nu schrijf ik hier: mijn vrienden en ik en het klinkt alsof we een clan waren. Maar ik had geloof ik twee vriendinnen. Waar ik niet echt mee praatte. Dat deden wij niet. Niemand deed dat daar. We voelden elkaar nog gewoon aan.
Waren we ergens anders, werd ons op een gegeven moment altijd die ene vraag gesteld.
'Wat praten jullie grappig. Waar komen jullie vandaan?'
Hoeveel beter zou het zijn geweest als we hadden kunnen zeggen: 'We komen uit het dorp waar  Doe Maar begonnen is. Ergens op een zolder. Op een Heijense boerderij. En wij speelden daar rondom heen.'
Alleen Henny deed toen nog niet mee. Het is jammer dat Henny misschien wel helemaal nooit in Heijen geweest is.