maandag 10 februari 2014

Wat niet klopte

We, mijn moeder, broer en ik, liepen door de gang van het bejaardentehuis naar oma's kamer.
Het eerste wat al niet klopte was dat de deur op slot was. In de tijd dat mijn moeder de sleutel aan het halen was, maakte ik een foto van het naambordje op de deur. Ik weet ook niet waarom ik dat deed. Toen kwam moeder terug met de sleutel. Het tweede wat niet klopte was de koude wind die ons tegemoet kwam, de gordijnen die opbolden. Het raam dat wijdopen stond.
Het derde was dat de radio uit was.
Het vierde wat niet klopte was oma.
Ze lag op bed, zoals ik haar de laatste maanden steeds op dat bed had zien liggen. Maar toen lagen er nooit bloemen op haar sprei. Mijn moeder en broer liepen al naar binnen, maar ik ging terug de gang op. Waar alles nog goed was. Tl-licht. Hitte. De rolstoel met 'Geurts' erop geschreven.
Uiteindelijk kwam ook ik de drempel over en stonden we met z'n drieën aan haar voeteneinde te kijken.
Ik had de neiging om te gaan zoeken. Er was hier duidelijk iets kwijt. Weg. Dat moest gevonden worden. En wel nu. Ver weg kon het niet zijn. Er moest iets terug die fles in.
Daarna had ik de neiging om te gaan roepen. Oma, waar ben je? Joehoe, waar ben je gebleven? Ja, hé, het is nu niet meer leuk. Waar zit je nou? Ik haat dit soort van verstoppertje spelen.
Maar ik deed natuurlijk niets met al die neigingen. Na een tijdje liep ik naar haar toe en bekeek haar van heel dichtbij. Hoe onnatuurlijk stil ze lag. Al had ik heus niets anders verwacht.
Het liefst had ik aan haar willen vragen wat ze er nu zelf van vond. Deze toestand. Of het nu goed was, of niet. Dat ging dus ook al niet.

zaterdag 8 februari 2014

Het sterven

Ik heb nu geen oma meer.  En mijn vader heeft geen moeder meer.
'We zijn er intussen ook oud genoeg voor,' zei hij daarnet aan de telefoon.
Dat is wel waar. Maar toch heb ik het gevoel dat dat niet waar is. Dat we er nooit echt oud genoeg voor zullen zijn.
Ze was vanmiddag bezig met sterven toen ik - met een gigantische hoofdpijn - van het van Gogh museum naar huis tramde. Die pijn hield op toen ik aan de keukentafel zat, naar later bleek precies het tijdstip van haar overlijden. Het één heeft niets met het ander te maken - ook al zou ik zoiets graag willen - want ik nam eenmaal thuis gewoon een Ibuprofen. Oma geloofde ook niet in wonderen. (Maar ik wel)
Toen ik het de meisjes vertelde, ze waren aan het prikken, prikten ze door met hun prikpennetjes. De één een hertje en de ander een tijgertje.
'Dood,' zei Deetje. Ze fronste haar wenkbrauwen. 'Wie is er dood?'
'Oma D.' zei ik nog een keer.
'O?' zei ze. 'Maar hoe is oma D. doodgegaan?'
'Ze was heel oud, hè? En ze sliep en toen gebeurde het.'
'O,' zei Deetje. Weer zag ik die wenkbrauwen fronsen. Even later vroeg ze: 'Maar gaat óma ook dood dan?'
'Ja.' Haar grote zus hield op met prikken. 'Oma ook,' zei ze. 'En opa. Iederéén gaat dood.'
'O,' zei het zusje dat nog van niets wist. 'Maar wij niet hè? Wij niet.'
'Jawel. Wij gaan dood. Papa en mama. En ik. En jij ook,' zei haar oudere zus. Toen legde ze haar pennetje weg en zei: 'Ik heb geen zin meer in prikken.'
'Maar gaat het huis dan ook dood?' vroeg Deetje.

vrijdag 7 februari 2014

Driehuis

In de trein naar Driehuis zat ik. Alleen. We zouden met vijf mensen bij iemand gaan eten en dan met z'n zessen naar een underground toneelstuk in IJmuiden of zoiets, maar op het laatste moment was er één geveld door griep, één kon toch geen oppas krijgen, weer één was te brak van de avond daarvoor en de laatste was te slecht gehumeurd om zich te verplaatsen.
Zij stond al op het perron van Driehuis op me te wachten. Aan haar zijde twee van haar vriendinnen. Met z'n vieren reden we naar daar waar het te doen was.
Het stuk bleek in een woonhuis te zijn. De deur werd opengemaakt door een mevrouw in jaren '50 schort.  Ze leidde ons naar de woonkamer die ook de sfeer van de jaren '50 ademde. We wachtten. De kamer stroomde langzaam vol vrouwen. Steeds voller werd het. De meesten waren een jaar of vijftig, zestig. Met wat uitschieters naar boven of naar beneden (een enkeling had haar moeder of dochter meegenomen). Ik dacht aan sleutelfeesten en revolutie: 'Het is tijd dat we ons met de wereld gaan bemoeien! Wij moeten ingrijpen. Het is de hoogste tijd om iets te gaan dóén. We pikken het niet langer!' Toen werd er bowl geserveerd en advocaatjes met slagroom. Tussen ons, vrouwen, bevond zich één grote kale man. Dat bleek later de casanova van Driehuis te zijn die in het appartement boven de Intertoys woont.

dinsdag 4 februari 2014

Goud

Ze had me haar onderbroek laten zien. Een jongensboxer. Daarna wandelden we over het museumplein en praatten we over het volgende boek. We gingen zitten op een terrasje en dronken buiten koffie. Op twee stoeltjes, naast elkaar gezeten, het gezicht in de zon. Voor de vitamine D.
Nog net geen geruite fleece-dekentje over de benen. Even later slingerde ik door de stad naar huis, koud tot op het bot. Bij de boekhandel in de Utrechtsestraat stopte ik om A handful of dust van Evelyn Waugh te kopen. En ik dacht aan het maken van dingen. En aan klompjes goud die verzilverd konden worden.

maandag 3 februari 2014

Iets anders

Bij het ontbijt zei Jeetje (8) dat ze later naar de maan zou gaan of naar mars als het even kon en dat ze een paar jaar later wel weer terug zou komen om haar ouders op te zoeken. Misschien kwam ze helemaal niet meer. 'Dat geeft niks,' zei ik, 'ouders willen hun kinderen zien, kinderen hun ouders niet per se. Zo hoort dat.'
Bij het tandenpoetsen, zei ze: 'Waarom gaan we niet voor altijd weg hier. Op wereldreis. Waarom doen we dat niet?'
'Jaaaa,' zei Deetje (3)
'Naar Afrika!' zei Jeetje. 'Ik wil eerst naar Afrika.'
'Nee, ik wil naar Portugal,' zei Deetje. 'Ik wil dat de zon schijnt maar dat het niet koud is.'
Daarna bracht ik de ene naar de crèche en de andere naar school, en de één moest huilen, zogenaamd omdat ze haar ballon thuis had laten liggen, de andere wilde niet naar school omdat ze het daar zo ontzettend saai vond en ik stond even op het punt om met ze naar zee te treinen. Maar ik keerde terug naar huis. Ik ging zitten op mijn bureaustoel. Ik gaf online les. Ik stuurde een mail. Ik zag een documentaire over een moeder met een gewetenloze zoon. En eindelijk ging ik schrijven. Gisteren hoorde ik een Russische dichter in een documentaire zeggen dat hij het dichterschap al een straf op zichzelf vond. Daar moest ik best om lachen. Maar zo grappig was het ook weer niet.

donderdag 30 januari 2014

Een dag

Het is een maandag die geen maandag is omdat het donderdag is. Maar dat is dan ook het enige verschil. De week gaat snel. Het is nog geen februari maar het voorjaar is al bijna weer afgelopen en het nieuwe boek nog steeds niet af. Deze maandag begon met 'Mama, heeft een ochtendhumeur.' En nu zit ik alweer in mijn renkleren te wachten tot ik opgehaald wordt door een vriendin. In het donker, naast de houtkachel. Met een nieuwe linker en rechtersok. De poes mauwt weer zo angstaanjagend, net als gisteren rond deze tijd. Ze is acht maanden nu en definitief geen babypoesje meer. Ik heb ergens op deze dag de dierenarts gebeld die haar zo snel mogelijk weer onvruchtbaar moet maken. Voor het te laat is. Over poesje gesproken. Het woord kut kunnen we vervangen voor vagijn, las ik in een discussie op Facebook. Omdat een kutdag een negatieve connotatie heeft, dat is het geval met alles waar kut voor staat, en een vagijndag nog klinkt als valentijndag. Maar dan minder commercieel.
En nu zit ik alweer naast de kachel, maar heb ik acht punt twee kilometer gerend waarvan het laatste stukje kei hard. En tijdens de sprint voelde ik dat ik door de maandag heen rende, ik voelde dat ik er doorheen aan het breken was.
Als het geen donderdag was geweest.

dinsdag 28 januari 2014

Ik wil winnen

De kaarten vliegen door de kamer en Deetje (3,5) rent erachteraan.
'Ik wil winnen!' gilt ze. 'Ik wil winnen!'
'We zullen het spelletje niet meer doen,' zeg ik.
'Jawel,' krijst ze. 'Jaaaaaa wel!
'Nee hoor, als jij zo raar doet, kunnen we geen spelletjes meer doen.'
In een hoek zijgt ze neer. Alsof er net een wereld is vergaan, in plaats van een spelletje memorie verloren.
'Het gaat om het spelletje, niet om het wínnen.'
'Ik wil winnen.' Haar stem is schor.
'Je kunt een andere keer nog winnen.'
'Ik wil nu winnen.'
'Nee, het gaat er om dat wij gezellig een spelletje doen.'
'Maar ik wil wihinnen.' Deetje stort zich in mijn armen en blijft zacht snikken. Jeetje (8,5) zet het liedje van Kinderen voor Kinderen in. 'Moet ik dan altijd een winnaar zijn. Ik doe echt m'n best maar voel me soms zo klein. En wat is er zo erg aan de laatste zijn?'