dinsdag 25 februari 2014

Een ritje naar onze geboortestad

Toen ik met de winnares van de Frans Kellendonkprijs 2014 het café van de Vereeniging binnenkwam, hing er een slaperige atmosfeer. Er zaten hier en daar een paar oudere stellen op fluistertoon te praten, ze dronken koffie en gebruikten er iets bij. Niemand besteedde aandacht aan haar en mij. Eerst gingen we naar het toilet. Ik dacht: is dit het nou? Zijn we hiervoor met de Greenwheelsauto helemaal naar Nijmegen afgereisd. Al was Nijmegen in het geheel geen vreemde stad voor ons. Ooit waren we er geboren, beiden met de initialen E.G. in het Canisiusziekenhuis dat inmiddels niet meer bestaat. Zoiets schept een grotere band dan je zou verwachten. Nu kwamen we hier weer terug. Zij als winnares, ik haar entourage. Het Keizer Karelplein, al sinds de vorige eeuw het meeste gevreesde plein voor autobestuurders, hadden we overleefd. Ergens midden op de rotonde zoefden de auto's ons links en rechts voorbij. Maar ze zette meteen alle knipperlichten van de Greenwheels aan.
'Dat is altijd goed,' zei ze, 'dan denken ze dat je pech hebt. Dan kijkt iedereen wel uit.'
Na ons toiletbezoek was het café waar we onze entree gemaakt hadden, verdwenen. Dezelfde deur kwam nu uit op een grote zaal vol sjieke heren en dames. Er klonk geroezemoes. Ik zag schrijvers en bekenden. Iedereen stond en glom en had een glas wijn in handen. De winnares en ik werden overal hartelijk begroet, de jassen werden aangenomen, etcetera.
Nu kon het pas echt beginnen. Eerst was er de prijsuitreiking voor haar hele oeuvre en toen kwam de Kellendonklezing van Afth van der Heijden. Het was een mooie, feestelijke middag. Pas na negenen stapten we weer in de Greenwheels en reden we terug naar de stad waar we nu wonen. 

maandag 24 februari 2014

Het leven bezocht.

Op zondag het leven bezocht in Noord. Dat moet soms als je op dit nieuwbouweiland woont.
'Maar voor kinderen is het bij ons echt geweldig,' zeiden we in de auto nog tegen elkaar. 'Waar in Amsterdam kun je je achtjarige nou gewoon buiten laten spelen als je weggaat?' Dat wisten we niet.
Wat we ook niet wisten is dat er op datzelfde moment een gewapende overval werd gepleegd in het café op de hoek van onze straat. Gemaskerde mannen en spelende kinderen. Als dat geen leven is!
Nee, wij waren op de kermis. Probeerden met de grijper een neonroze horloge te pakken te krijgen.
In de brandweerauto zwaaide de driejarige steeds opnieuw naar ons -  opa, oma, vader, moeder - almaar hetzelfde rondje draaiend. Een loempia besteld, tegelijk met de authentieke tandeloze alcoholist in de grote gevlekte spijkerbroek.
'Mama, die meneer moet spugen.'
'Ja, kom we gaan snel weg hier, anders spuugt hij nog per ongeluk op ons.'
'Die meneer is ziek.'
'Heel ziek. Bah. Vies. Kom. Weg.'

donderdag 20 februari 2014

Blauwdrukken

Sinds ik lesgeef, nu al jarenlang, geef ik steeds dezelfde groep cursisten les.
Om de acht weken dragen ze wel andere jasjes, hebben ze andere namen, doen ze nieuwe studierichtingen of werken ze in branches waar ik eerder nog niet van gehoord had, maar meestal ook wel. Om de acht weken hebben ze hoogstens een andere achtergrond, het aantal broers en zussen wisselt en de leeftijden kunnen een paar jaar verschillen, soms zelfs twee decennia, de hobby's waarschijnlijk ook, dat weet ik niet precies, van de hobby's van mijn cursisten kom ik nooit veel te weten, of ik moet ze toevallig opvangen in de wandelgangen,  zijn hobby is 'insecten' las ik gisteren in een verhaal van D.Hooijer, hun hobby is schrijven,  natuurlijk.  Oké, ze hebben zeker andere eigenaardigheden, zenuwtrekjes, ook de blik in hun ogen verandert om de acht weken wel iets en het gevoel voor humor is tijdens de ene cursus zwarter dan de andere. Maar voor de rest zijn het allemaal exact dezelfde types. Dat begint nu echt ontzettend in de kijker te lopen.

dinsdag 18 februari 2014

Pluk het beeld

Daarnet op de Bert Haanstrakade rende ik een huilende jonge vrouw voorbij, ze liep tegen de wind in, voorovergebogen, het krullende haar danste rond haar hoofd. Ik dacht: ik had mijn duim op moet steken of ik had tenminste even naar haar kunnen glimlachen. Er is iemand die je ziet. Maar het bleef weer eens bij denken. Toen ik even later door het Diemerpark holde, zag ik in de verte nog een beeld dat ik kan gebruiken. Bij die huizen als doorzichtige blokkendozen, trimde achter het glas, een man op een loopband, in pak en das. Ik dacht aan Shady Hill, Revolutionairy Road en Arlington Park. En er zijn nog een paar van die buitenwijken in de literatuur met die specifieke milieus en specifieke problemen. Of eigenlijk niet zo erg specifiek.
Thuisgekomen ging ik meteen zitten, opende mijn online klasje dat deze week het plot van hun verhaal moet inleveren. Ik zou dat zelf nooit zo kunnen. Maar goed, tijdens het lezen van de plots, nog altijd in sportkleding, dronk ik gekookt water en at ik gezouten pecannoten.

maandag 17 februari 2014

Het is tijd

Mijn kiezen zitten los en vallen één voor één uit m'n mond. Mijn voortanden trek ik eruit als grassprietjes. Dit is de meest klassieke droom aller tijden. Daarvan ben ik me bewust. In de droom herken ik de droom.Tegelijkertijd probeer ik doodstil te blijven zitten want telkens als ik beweeg, rolt er weer een kies uit mijn mond, als een knikker. En ik moet er toch een paar overhouden om te kunnen eten.
'Zo erg is het niet,' zegt iemand, 'je kunt ook kauwen met je tandvlees.'
Maar zo erg vind ik het wel.
De volgende ochtend  ren ik door het park en luister naar het radioprogramma Nooit meer Slapen. Een fijn lang gesprek met Marte Kaan. Zij heeft net een verhalenbundel gepubliceerd en is daarvoor naar Nederland gekomen, maar ze woont met haar gezin in Dehli.
Dit Wil Die Droom Van Jou Zeggen, weet ik ineens. En: Als je het echt wil, moet je er nu werk van gaan maken. Het is tijd.
Met die gedachten hups ik door het Diemerpark. Heen en weer.

vrijdag 14 februari 2014

Geen recensie

Wij, kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen, schreden achter de kist aan door het gangpad van de kerk. Langs een haag van mensen. De klokken beierden. De kleintjes schreiden.
'Waarom ligt oma D. niet een glazen kist?' fluisterde Deetje, 'ik wil oma D. zien.'
Tot zover werkte het goed. Het katholieke ritueel.
Meneer Pastoor (41) opende de ceremonie met de schuldbelijdenis.
Hij had de familie op het hart gedrukt de voordrachten vooral kort te houden. Anderhalve minuut. Het gebeurde vaak dat nabestaanden te lang spraken, was zijn ervaring. Ze konden de aandacht en de spanning niet vasthouden.
Na de schuldbelijdenis was ik meteen al aan de beurt. Het ging prima met de aandacht van de mensen. Ook toen andere kleinkinderen en een zoon voorlazen, haakte er niemand af. In tegendeel. Op die momenten kon je een speld horen vallen.
Zodra meneer pastoor zelf aan het woord was echter, verslapte de concentratie. Nog geen anderhalve minuut nadat hij begon te spreken, verloor hij al het contact met zijn publiek. Zijn monoloog haalde de vaart en emotie uit de dienst. Wat wij opgebouwd hadden, brak hij in een paar zinnen weer af. Zijn tekst was ook te vaag en abstract, met veel te veel herhaling. Daarnaast sprak hij alles op één toon uit. Het belangrijkste: ik geloofde hem niet.
Maar goed, dit is geen theaterrecensie. Het was een uitvaartmis. Het was de twee uur durende dienst van meneer pastoor die wij af en toe onderbraken met onze stukjes. De kerk was steenkoud. De kleintjes begonnen de zuurtjes heel door te slikken. De man in de jurk bleef er tot vervelens toe op hameren dat onze zuster nu bij de heer was. Terwijl iedereen wist dat onze zuster daar zelf het hare van dacht.
'Ligt oma D. eigenlijk zonder kleren in de kist?' vroeg Deetje.
Het einde van het ritueel was wel mooi. De klokken luidden. De zes grijze zonen gingen voorop en droegen hun moeder de kerk uit. Ze brachten haar naar de de begraafplaats aan de overkant van de straat. Naar hun vader. We verzamelden ons met z'n allen nog eenmaal rond oma. Het regende hard maar meneer pastoor sprenkelde wat extra water over de kist. Dat vond ik heel aandoenlijk. De toewijding waarmee hij dat deed. Ik zou hem adviseren voortaan alleen nog dingen op locatie te doen. Een koor van oude mannen zong Latijnse liederen. Het Onze Vader werd gebeden. Onze schoenen zakten steeds dieper de modder in. We werden kleddernat. We waren een familie.

maandag 10 februari 2014

Wat niet klopte

We, mijn moeder, broer en ik, liepen door de gang van het bejaardentehuis naar oma's kamer.
Het eerste wat al niet klopte was dat de deur op slot was. In de tijd dat mijn moeder de sleutel aan het halen was, maakte ik een foto van het naambordje op de deur. Ik weet ook niet waarom ik dat deed. Toen kwam moeder terug met de sleutel. Het tweede wat niet klopte was de koude wind die ons tegemoet kwam, de gordijnen die opbolden. Het raam dat wijdopen stond.
Het derde was dat de radio uit was.
Het vierde wat niet klopte was oma.
Ze lag op bed, zoals ik haar de laatste maanden steeds op dat bed had zien liggen. Maar toen lagen er nooit bloemen op haar sprei. Mijn moeder en broer liepen al naar binnen, maar ik ging terug de gang op. Waar alles nog goed was. Tl-licht. Hitte. De rolstoel met 'Geurts' erop geschreven.
Uiteindelijk kwam ook ik de drempel over en stonden we met z'n drieën aan haar voeteneinde te kijken.
Ik had de neiging om te gaan zoeken. Er was hier duidelijk iets kwijt. Weg. Dat moest gevonden worden. En wel nu. Ver weg kon het niet zijn. Er moest iets terug die fles in.
Daarna had ik de neiging om te gaan roepen. Oma, waar ben je? Joehoe, waar ben je gebleven? Ja, hé, het is nu niet meer leuk. Waar zit je nou? Ik haat dit soort van verstoppertje spelen.
Maar ik deed natuurlijk niets met al die neigingen. Na een tijdje liep ik naar haar toe en bekeek haar van heel dichtbij. Hoe onnatuurlijk stil ze lag. Al had ik heus niets anders verwacht.
Het liefst had ik aan haar willen vragen wat ze er nu zelf van vond. Deze toestand. Of het nu goed was, of niet. Dat ging dus ook al niet.