Het was alweer een nacht waarin ik meer wakker lag dan sliep. Ik las de halve nacht in The Easter Parade van Yates. Een portret van twee zusjes op zoek naar liefde en geluk. Goed is dat.
Het hele huis was vannacht onrustig. De mensen die hier woonden schreeuwden om water of ze waren bang en wilden in het grote bed liggen, sommigen zweetten zo erg dat ze om het uur een schoon t-shirt aan moesten trekken. Uit alle kamers klonken doffe hoestjes. Een symfonie van hoestjes. Ik dacht aan deurknoppen, de verspreiding van bacteriën en knipte het licht weer aan om verder denken tegen te gaan. Het was maar goed dat het op een gegeven moment ochtend werd. Licht. En niet koud. Een hele nieuwe dag vol mogelijkheden. Het eerste wat er gebeurde was dat ik in de badkamer uitgleed in de kots van één van de poezen.
Het eerste wat ik las was een interview met Erik Menkveld dat ging natuurlijk over hemzelf en over Hugo Claus: hoe die kon spelen met taal. Hoe weinig respect hij had voor zijn eigen gedichten, dan weer eens een zin hier plaatste en dan weer daar. Daar had Erik Menkveld toentertijd van geleerd als dichter. Dat interview was fijn om te lezen. Spelen met taal. Dat is leuk om es te gaan doen.
dinsdag 1 april 2014
maandag 31 maart 2014
Ik vertrek
Deze morgen werd ik opgeschrikt door een bericht op Facebook van twee mensen die heel binnenkort voor een jaar naar het Franse platteland vertrekken. Het opschrikken gebeurde omdat wij dat heel binnenkort niet gaan doen. Het ziet er zelfs naar uit dat wij nooit voor een jaar naar het Franse platteland zullen vertrekken. Terwijl ik hoognodig een jaar naar het Franse platteland moet. Ik was het al een tijd vergeten, maar Facebook herinnerde mij eraan. We moeten weg.
'Waarom wil je nou ineens naar het Franse platteland?' zegt hij.
'Het hoeft niet perse het Franse platteland te zijn,' zeg ik. 'Whatever.'
'Jij kan gewoon schrijven,' zegt hij. 'Maar wat moet ik dan doen, een jaar op het Franse platteland?'
'Gewoon. Die E-books maken. Daar zijn jullie toch mee bezig?'
'Er is er nog niet één verkocht.'
'Het kan heel erg goed gaan lopen. Dat kan toch?'
Het gesprek eindigt met het Nederlandse platteland. Ik wil ook wel naar het Nederlandse platteland vertrekken als dat voor hem makkelijker is. Het is een stuk minder idyllisch. Maar het blijft het platteland. In Groningen is alles ook heel anders.
'Jij wil altijd overal weg,' zegt hij.
Daar heeft hij gelijk in, maar ik ga nooit ergens weg.
'Waarom wil je nou ineens naar het Franse platteland?' zegt hij.
'Het hoeft niet perse het Franse platteland te zijn,' zeg ik. 'Whatever.'
'Jij kan gewoon schrijven,' zegt hij. 'Maar wat moet ik dan doen, een jaar op het Franse platteland?'
'Gewoon. Die E-books maken. Daar zijn jullie toch mee bezig?'
'Er is er nog niet één verkocht.'
'Het kan heel erg goed gaan lopen. Dat kan toch?'
Het gesprek eindigt met het Nederlandse platteland. Ik wil ook wel naar het Nederlandse platteland vertrekken als dat voor hem makkelijker is. Het is een stuk minder idyllisch. Maar het blijft het platteland. In Groningen is alles ook heel anders.
'Jij wil altijd overal weg,' zegt hij.
Daar heeft hij gelijk in, maar ik ga nooit ergens weg.
donderdag 27 maart 2014
Trauma
Wat hebben we jou aangedaan? We hebben je opgezadeld met doodsangst. Je kleine hoofd werkt al vier dagen op volle toeren. Je kan het nergens anders meer over hebben.
Ook vannacht waren daar weer de nachtmerries. Gillen. Roepen. Huilen. Weer zie je de brullende draak die je zuster zal verslinden omdat die te dicht in de buurt van de schat komt. De heks die precies op je oud-oma lijkt, vind je, en dus wel moet zijn opgestaan uit de dood. De wolf die achter de deur klaarstaat om de zeven lieve geitjes op te eten en misschien ook jou.
Afgelopen maandag bezochten we het pretpark. Wekenlang keek je ernaar uit. Het zou de beloning zijn voor goed gedrag. En je had je zo voorbeeldig gedragen. Maar het pretpark waar we je naartoe brachten, bleek helemaal niet prettig. Overal om je heen het geluid van piepende deuren, krakende stemmen, het gebrul van beesten of van je had geen idee wie.
'Die reus is niet echt, hè mama?' zei je. 'Die is echt geweest.'
'Nee, die is ook nooit echt geweest. Die reus hebben ze gemaakt.'
'Maar de reus kan wèl bewegen,' zei je.
'De reus kan niet opstaan.'
Na enkele uren in deze wereld stond je stil, keek naar de grond, wees en schreeuwde uitzinnig: 'Kijk! Een miertje!'
Daarna fluisterde je: 'Ik wil naar huis.'
's Avonds voor het slapen zei je: 'Er was ook een pauw in de Efteling, hè?'
'Dat klopt,' zei ik, 'de pauw zette zijn veren op.'
'Een echte, hè?'
'Een echte,' zei ik, 'ga nu maar lekker slapen.'
Ook vannacht waren daar weer de nachtmerries. Gillen. Roepen. Huilen. Weer zie je de brullende draak die je zuster zal verslinden omdat die te dicht in de buurt van de schat komt. De heks die precies op je oud-oma lijkt, vind je, en dus wel moet zijn opgestaan uit de dood. De wolf die achter de deur klaarstaat om de zeven lieve geitjes op te eten en misschien ook jou.
Afgelopen maandag bezochten we het pretpark. Wekenlang keek je ernaar uit. Het zou de beloning zijn voor goed gedrag. En je had je zo voorbeeldig gedragen. Maar het pretpark waar we je naartoe brachten, bleek helemaal niet prettig. Overal om je heen het geluid van piepende deuren, krakende stemmen, het gebrul van beesten of van je had geen idee wie.
'Die reus is niet echt, hè mama?' zei je. 'Die is echt geweest.'
'Nee, die is ook nooit echt geweest. Die reus hebben ze gemaakt.'
'Maar de reus kan wèl bewegen,' zei je.
'De reus kan niet opstaan.'
Na enkele uren in deze wereld stond je stil, keek naar de grond, wees en schreeuwde uitzinnig: 'Kijk! Een miertje!'
Daarna fluisterde je: 'Ik wil naar huis.'
's Avonds voor het slapen zei je: 'Er was ook een pauw in de Efteling, hè?'
'Dat klopt,' zei ik, 'de pauw zette zijn veren op.'
'Een echte, hè?'
'Een echte,' zei ik, 'ga nu maar lekker slapen.'
dinsdag 25 maart 2014
Bewerking
Ik kreeg 4 scenario's te lezen die derdejaars kunstacademie studenten geschreven hadden naar aanleiding van Lastmens. Het is oorspronkelijk een verhaal van 65 bladzijdes waarin het draait om een moeder die op een dag besluit de au-pair van haar eigen kind te worden.
De studenten hadden de opdracht gekregen het te bewerken voor een film van tien minuten. Het beste scenario zou gekozen worden om te verfilmen. Ik las scripts over poetsende moeders, onvruchtbare vrouwen met een kinderwens, verslaafde moeders met suïcidale neigingen. Eén scenario ging wel over een vrouw die moeite had de verantwoordelijkheid voor het moederschap te dragen.
Er ontstond geharrewar via de mail over wat een bewerking van een verhaal nou eigenlijk precies is en dat je in tien minuten natuurlijk geen heel verhaal kan navertellen. Het zit in de natuur van de kunstacademie-student om met een verhaal aan de haal te gaan. Dat moet ook, geloof ik. Anders hoef je niet op de kunstacademie te zitten. De grens tussen iets bewerken en ergens op associëren kan dun zijn. Dat maakt niet uit, als het maar goed is wat je ervan maakt.
Waar ik nu wel op hoop is dat er een keer echt een verhaal of boek van mij verfilmd wordt.
De studenten hadden de opdracht gekregen het te bewerken voor een film van tien minuten. Het beste scenario zou gekozen worden om te verfilmen. Ik las scripts over poetsende moeders, onvruchtbare vrouwen met een kinderwens, verslaafde moeders met suïcidale neigingen. Eén scenario ging wel over een vrouw die moeite had de verantwoordelijkheid voor het moederschap te dragen.
Er ontstond geharrewar via de mail over wat een bewerking van een verhaal nou eigenlijk precies is en dat je in tien minuten natuurlijk geen heel verhaal kan navertellen. Het zit in de natuur van de kunstacademie-student om met een verhaal aan de haal te gaan. Dat moet ook, geloof ik. Anders hoef je niet op de kunstacademie te zitten. De grens tussen iets bewerken en ergens op associëren kan dun zijn. Dat maakt niet uit, als het maar goed is wat je ervan maakt.
Waar ik nu wel op hoop is dat er een keer echt een verhaal of boek van mij verfilmd wordt.
zaterdag 22 maart 2014
Het maakbare kind
Ik ging naar Den Bosch waar pedagogiek studenten van verschillende hogescholen uit het zuiden van het land zich verzameld hadden om allerlei workshops te krijgen van experts. Op mijn lokaal stond Het maakbare kind. Die workshop ging ik geven. De expert was ik. Achter de lessenaar nam ik plaats en begon een paar a-viertjes in stukken te knippen waarop ik stellingen had geschreven. Het maakbare kind, het maakbare kind.
Het lokaal stroomde vol met meisjes. Vijfentwintig meisjes van net twintig of net nog geen twintig. Jonge pedagogen. Ze keken me aan. Ik vond het op de een of andere manier wel meteen gezellig dat het allemaal meisjes waren. Nu het maakbare kind nog.
Ik vertelde over mijn roman. En las een stukje voor. Iemand vroeg: 'Waarom heb je dit geschreven als je het niet zelf hebt meegemaakt?'
Ja, waarom eigenlijk?
Even later werd er druk gediscussieerd, in groepjes, naar aanleiding van wat kwesties die ik uit mijn boek had gehaald. Dat werden zeer levendige gesprekken waarna ik echt moest concluderen dat het met de toekomst van pedagogisch Nederland heel goed gesteld is. Hun toekomstbeeld was veel rooskleuriger dan ik verwacht had. (Of dan het mijne is) Ze waren meer betrokken, liefdevoller en genuanceerder. 'Vorige generaties hebben moeite met mensen die anders zijn,' zei een studente, 'maar dat speelt voor ons helemaal niet meer.'
Nu, op hetzelfde moment dat ik over pedagogiek schrijf, krijgt mijn eigen maakbare kind een gigantische woedeaanval. Had ik maar één van die meisjes hier, die zouden wel weten hoe ik dat het beste aan kon pakken. 'Jij krijgt de hele dag geen eten als je niet ophoudt,' is vast niet aan te raden.
Het lokaal stroomde vol met meisjes. Vijfentwintig meisjes van net twintig of net nog geen twintig. Jonge pedagogen. Ze keken me aan. Ik vond het op de een of andere manier wel meteen gezellig dat het allemaal meisjes waren. Nu het maakbare kind nog.
Ik vertelde over mijn roman. En las een stukje voor. Iemand vroeg: 'Waarom heb je dit geschreven als je het niet zelf hebt meegemaakt?'
Ja, waarom eigenlijk?
Even later werd er druk gediscussieerd, in groepjes, naar aanleiding van wat kwesties die ik uit mijn boek had gehaald. Dat werden zeer levendige gesprekken waarna ik echt moest concluderen dat het met de toekomst van pedagogisch Nederland heel goed gesteld is. Hun toekomstbeeld was veel rooskleuriger dan ik verwacht had. (Of dan het mijne is) Ze waren meer betrokken, liefdevoller en genuanceerder. 'Vorige generaties hebben moeite met mensen die anders zijn,' zei een studente, 'maar dat speelt voor ons helemaal niet meer.'
Nu, op hetzelfde moment dat ik over pedagogiek schrijf, krijgt mijn eigen maakbare kind een gigantische woedeaanval. Had ik maar één van die meisjes hier, die zouden wel weten hoe ik dat het beste aan kon pakken. 'Jij krijgt de hele dag geen eten als je niet ophoudt,' is vast niet aan te raden.
woensdag 19 maart 2014
Feitelijk leven
In de ochtend stemmen we netjes en daarna doen we boodschappen bij de AH. De bijna vierjarige en ik. Ze wil in zo'n karretje met een knalgele auto eraan vast. Maar ik krijg die zware kar niet door de winkel zonder steeds tegen de rekken op te knallen of tegen de schenen van mensen te rijden. 'Je bent bijna vier. Je moet eruit,' zeg ik.
'Nee,' zegt ze.
Terwijl ik met een mandje aan mijn arm door de winkel marcheer, zit zij in het geparkeerde wagentje te wachten. Achter het plastic stuurtje.
Tussen de middag komt de bijna negenjarige thuis en fietsen we naar het Kramatplantsoen waar ze gevaccineerd zal worden. We hebben storm tegen. Achterop zit de knikkebollende kleuter. 'Niet slapen,' roep ik, 'want je zit niet vast. Dadelijk val je van de fiets met je hoofd op de grond en dan zit alles onder bloed.' Naast mij fietst het meisje dat geprikt gaat worden. In elke arm één keer. Haar vaccinatiebewijs heb ik voor we vertrokken niet kunnen vinden, wel dat van onze poezen NoeNoe en Ronnie. Maar dat zal wel niet mogen. Het prikken gaat voorspoedig. Ze huilt niet. Er gebeurt niks noemenswaardigs. Soms hoor je dat ze totaal debiel worden van zo'n prikje.
Ik zeg: ''Goed zo, ik ben trots op je.' Dat heb ik alle anders ouders tegen hun net geprikte kind horen zeggen. We fietsen terug. De brug op. Weer hebben we tegenwind.
Thuis zet ik ze achter twee beeldschermen. Ik heb een half uur om een les voor te bereiden en iemand terug te bellen, voor ik de één naar pianoles zal brengen, de ander bij een vriendje aflever, en zelf naar de stad fiets om een schrijfcursus gaan geven. In plaats van iets voor te bereiden, schrijf ik dit.
'Nee,' zegt ze.
Terwijl ik met een mandje aan mijn arm door de winkel marcheer, zit zij in het geparkeerde wagentje te wachten. Achter het plastic stuurtje.
Tussen de middag komt de bijna negenjarige thuis en fietsen we naar het Kramatplantsoen waar ze gevaccineerd zal worden. We hebben storm tegen. Achterop zit de knikkebollende kleuter. 'Niet slapen,' roep ik, 'want je zit niet vast. Dadelijk val je van de fiets met je hoofd op de grond en dan zit alles onder bloed.' Naast mij fietst het meisje dat geprikt gaat worden. In elke arm één keer. Haar vaccinatiebewijs heb ik voor we vertrokken niet kunnen vinden, wel dat van onze poezen NoeNoe en Ronnie. Maar dat zal wel niet mogen. Het prikken gaat voorspoedig. Ze huilt niet. Er gebeurt niks noemenswaardigs. Soms hoor je dat ze totaal debiel worden van zo'n prikje.
Ik zeg: ''Goed zo, ik ben trots op je.' Dat heb ik alle anders ouders tegen hun net geprikte kind horen zeggen. We fietsen terug. De brug op. Weer hebben we tegenwind.
Thuis zet ik ze achter twee beeldschermen. Ik heb een half uur om een les voor te bereiden en iemand terug te bellen, voor ik de één naar pianoles zal brengen, de ander bij een vriendje aflever, en zelf naar de stad fiets om een schrijfcursus gaan geven. In plaats van iets voor te bereiden, schrijf ik dit.
zaterdag 15 maart 2014
Nooit meer slapen - verhaaltje vrijdagnacht
Armoede in NL
Tijdens het avondeten bespreekt de vijfentwintigjarige Rosy de nijpende
financiële situatie met haar zoontje Jerry. Het is weer alle dagen macaroni met
ketchup. En morgen zal hij vrij zijn. Ze maken de schoolreisjes elk jaar
duurder.
Hij is acht jaar, maar begrijpt alles.
Rosy kan het met hem overal over hebben. Over de moeilijke dag die ze
achter de rug heeft. En: de oneerlijkheid van het leven. Hoe ze ooit ontslagen
werd omdat ze een baby kreeg. Hoe ze al haar
vrienden kwijtraakte omdat ze geen oppas kon betalen.
‘Ik vond het helemaal niet erg hoor.
Ik kreeg er iets veel mooiers voor terug.’
Rosy realiseert zich elke dag dat ze in haar handjes mag knijpen met Jerry.
Hij is zo anders dan de materialistische jongetjes uit zijn klas die alleen
maar kunnen praten over de nieuwste computerspelletjes en de verzameling technisch
lego in hun speelkamers. Die schreeuwlelijkerds op hun Nike Air Maxjes. Ze moet
er niet aan denken.
Jerry is juist een jongen die zich overal mee kan vermaken. Hij geeft niets
om spullen. Macaroni met ketchup eet hij graag.
Na de maaltijd barst Rosy in tranen
uit omdat ze voor zich ziet hoe de schoolbus morgen zonder haar zoon zal
vertrekken. Ze voelt zich een slechte moeder. Ze weet best dat alle kinderen
van pretparken houden. Jerry houdt haar stevig vast. Het liefst van alles is
hij een dagje met haar, echt waar. Rosy blijft huilen. Hij is het beste zoontje
is dat een moeder maar kan wensen. Als ze hem niet had, hoefde het voor haar
allemaal niet meer. Jerry weet haar telkens weer uit de put te trekken, met dat
lieve spitse snuitje van hem.
Abonneren op:
Posts (Atom)