donderdag 3 juli 2014

Ontmoeting in de gang

Jij hebt zo'n leuk kind, zegt een moeder tegen mij in de gang van de school. Nou jij ook, wil ik zeggen, jouw kind was mij ook al opgevallen om zijn of haar leukheid.  Maar ik weet niet welk kind het hare is. Dat komt omdat ik  slecht ben in gezichten en soms dus ook niet op tijd gedag zeg of helemaal niet, waarvoor ik pas nog midden op straat die enorme uitbrander kreeg. Al heb ik ook gewoon slechte ogen omdat ik uit ijdelheid mijn bril niet opzet.
Feit is dat mijn kind nog maar net in die klas zit, ik niet alle kinderen van groep 1/2 ken en ik de kinderen van groep 3/4/5 ook al moet kennen van gezicht en naam. En de ouders. En de opa's en oma's als die hen op komen halen. Of de au-pairs. Maar die haal je er meestal makkelijk uit.
Die moeder staat met een wandelwagen bij de lift te wachten en ik sta op het punt de trap af te gaan, als ze het tegen mij zegt. Jij hebt zo'n leuk kind. Ik vind de moeder zelf meteen ontzettend leuk, maar ik zeg niks. Ze heeft een blauw/zwart oog, rondom gezwollen, en een hoop schrammen bij haar mond. Maar ze beweegt alsof er niks aan de hand is. Misschien heeft ze een man met losse handjes vanwege het WK. Daarover heb ik gisteren gelezen in de krant. Als er voetbal is, is er meer huiselijk geweld. Zolang er gewonnen wordt, hoeven er mij dunkt geen moeders met blauwe ogen en geschramde monden rond te lopen. Dus ze is waarschijnlijk gestruikeld. Nog goed dat ze niet blind geworden is. En dat haar baby niet gewond is geraakt.
Ik staar de moeder waarschijnlijk net te lang aan want op een gegeven moment, zegt ze: 'nou dat wou ik eigenlijk alleen maar even zeggen' en ze verdwijnt in de lift.


dinsdag 1 juli 2014

Betekenis aan de dingen

De ochtend was zonnig, ik kwam langs velden met kleurige bloemen en toen gebeurde het. Net op tijd zette ik mijn voet nog iets verder naar voren, zodat ik 'm niet per ongeluk middenin het  konijn plantte. Het was een flink beest. De ogen waren stil, oren lagen op elkaar, het mondje open. Ik gilde. Het was denk ik de plotselinge confrontatie met de dood zo vlak voor mijn voeten. Het had iets symbolisch. Maar ik stapte er dus net op het nippertje overheen. Het betekent verder ook niets. Meteen daarna zag ik al een piepklein konijntje over de weg huppelen.
In mijn hoofd bedacht ik waar mijn 4 lievelingsboeken over gingen en hoe ik dat het beste in 1 à 2 minuten kon verwoorden voor het cameraploegje van Shotofjoy dat me 's middags zou komen filmen. Ik moest oneliners hebben. Maar al gauw kwam ik aan bij de dwarsverbanden,  mogelijke betekenissen, dubbelgangersmotieven, spel met woorden, werkelijkheid en fictie, identiteit wat is dat?  Ik probeerde niet meer aan het dode konijn te denken.
In mijn tuin werd ik uiteindelijk gefilmd. Echt iets voor shotofjoy. Omdat het leuk was als ik zou bewegen, mocht ik met een fleurig tafelkleed wapperen en het op de tafel leggen, ook verplaatste ik de opblaasboot die tegen de schutting stond een paar keer. Het gaat om de betekenis die je zelf aan de dingen toekent, dacht ik.

vrijdag 27 juni 2014

Afstandelijk

Op het moment dat we elkaar passeerden, zei ik de kennis voorzichtig gedag 'Hee hoi.'
Onmiddellijk trapte hij op zijn rem en riep: Wat is dat toch met jou? Jij doet altijd zo afstandelijk! Alsof je me niet wil groeten!' Hij keek me recht aan, fonkelende ogen.
Even hiervoor hadden we met onze fietsen naast elkaar bij het stoplicht gestaan. Hij kwam na mij, maar hield zijn hoofd van me afgewend. Ik dacht dat hij me niet had gezien, of niet herkend misschien. Hij was ook niet gevoelig voor mijn aandachttrekkerige blik.
Het duurt lang voor het groen wordt, als je almaar aan het wachten bent tot een kennis je kant een keer op kijkt en je nonchalant je ‘hee hoi’ kunt zeggen. Ook heb ik me naarstig af staan vragen of ik zou moeten inbreken, hem op zijn schouders zou moeten tikken of alleen ‘Hee hoi!’ schreeuwen. Maar daar hou ik echt niet van.
Wat maakt het eigenlijk uit, dacht ik tenslotte. Het is juist mooi om hier naast elkaar voor het rode licht te staan, als twee kennissen, en dan niet te groeten. Waarom zou je altijd groeten? Ik heb nauwelijks iets met die jongen. Ik ben verschrikkelijk slecht in babbeltjes. Misschien hij ook wel. Het is een schrijver tenslotte.
Eindelijk sprong het licht op groen.

Daar waar we elkaar kruisten, ik moest rechtdoor, hij naar links, mompelde ik mijn 'Hee hoi.'
'Ah toch,' hoorde ik hem zeggen. Hij stopte en gaf me de volle lading. 'Waarom ben je zo afstandelijk tegen mij.'
Toen hij zijn hart gelucht had, vervolgde hij wuivend zijn weg, riep nog een paar keer dat hij zo blij was dat het nu opgelost was.

donderdag 26 juni 2014

Onvervangbaar

Dinsdagmiddag besloot ik naar buiten te gaan voor lunch om bewegingloosheid te voorkomen. Dat is voor mij altijd een reëel gevaar. En ik zit tenslotte niet voor niets in de stad te werken. Ik loop de trappen af van het voormalige schoolgebouw, open de deur met de fietssleutels al in mijn hand.
Het volgende moment is er het gat.
De plek waar eerst mijn racefiets stond, is leeg. Nadat ik het fietsenrek honderd keer gecontroleerd heb in de hoop deze waarneming terug te kunnen draaien, besluit ik een blokje om te lopen. Misschien heeft iemand mijn fiets verzet. Even geleend. Waarschijnlijk zetten ze 'm straks weer terug.  Alle ophef voor niets.
De rondes die ik maak worden groter, tot ik merk dat ik de hele stad aan het doorkruisen ben. Als een rechercheur. Op zoek naar mijn fiets. Ik hecht nooit erg aan spullen.  Kwijt is kwijt. Weg is weg.
Maar nu is het anders. Het verlies van deze fiets, is het verlies van mijn vrijheid. Het gat dat er nu is, kan niet meteen gedicht worden met de nieuwe fiets. Hij is mooier en sneller, maar het is niet de fiets waarop mijn fietssleutels passen. 
De ene fiets heeft niets met de andere te maken. Het is gewoon omdat ik niet zonder kan. Zoals sommige mensen niet alleen kunnen zijn en op de dag na het verlies van hun partner alweer een nieuwe hebben, zo heb ik nu een nieuwe fiets.

woensdag 25 juni 2014

Breinen

Schrijvers uit Oost. In een oude fabriekshal lazen drie schrijvers hun verhaal voor en daarna was er  een gesprek over inspiratiebronnen. Ik vertelde iets over heterogene gemeenschappen en dat er in IJburg geen mensen bestonden die boven de zestig waren. Prompt bleken er natuurlijk twee mensen in het publiek te zitten die op IJburg woonden en boven de zestig waren.
 'Je ziet wat je wil zien,' riepen ze.
Dat was waar.
Op het laatst zaten we met z'n vieren op het podium. De schrijvers en de interviewster. Hoe ver ga je in het schrijven? Wat zeg je allemaal wel en wat niet? Heb je de neiging je familie en vrienden te sparen, ook al hebben ze een goed verhaal?  Ik heb die neiging eigenlijk niet, dacht ik. Mijn focus ligt op de vraag hoeveel ikzelf durf te zeggen. Het gaat er niet om mijn familie en vrienden niet te sparen. Het gaat niet om mijn familie en vrienden. Het is mij uiteindelijk om het verhaal te doen. Dat sowieso een ander verhaal zou zijn dan dat van hen. Het gaat om het taalbouwsel. De stijl. De nieuwe werkelijkheid. Waarbinnen alles mogelijk is.

Ik had het ook nog even over Sybren Polet.
In zijn boek De Creatieve Factor lees ik vandaag het volgende: De paradox ontstaat nu dat wie maximaal van zijn creativiteit wil profiteren zijn werk vaak moet onderbreken, hetzij korter of langer. Wie zich forceert produceert misschien wat het onbewuste in eerste instantie niet wil prijsgeven en dat is vaak van mindere kwaliteit: men heeft de scheppende lege plekken dichtbeschreven. (...) Om dezelfde reden kan het een belemmering zijn al te veel af te weten van het onderwerp waarover men wil schrijven of precies te weten hoe een verhaal of structuur zich moet ontwikkelen. De speelruimte wordt hiermee aan het brein ontnomen. 

Door deze zin moet ik denken aan Schrijven is Schrappen, het boek werd me een paar weken geleden toegestuurd. Het is geschreven door Hans Hogenkamp. Het staat vol met regels, wat is wel goed en wat niet, wat mag wel en wat niet. Hiermee werd de speelruimte aan mijn brein mij nogal ontnomen.
Maar ik weet natuurlijk niet hoe dat met andere breinen zit.

maandag 23 juni 2014

Poëzie zelf

Tegen de avond zette een taxi - belbus - mij af voor een oud café in Friesland. Ik was de enige die op zondagavond nog in het gehucht moest zijn. 'Het is mijn laatste ritje vandaag', zei de bejaarde chauffeur. 'De meeste mensen weten het wel en regelen ander vervoer op zondag.'
In het café was het niet druk. Alleen de uitbater, zijn vrouw en twee stamgasten zaten rond een tafel te roken. Een reuze-asbak vol peuken tussen hen in.
'Is het hier?' vroeg ik.
Ik ging bij hen zitten en kreeg een kop koffie. Een stamgast dronk sinaasappelsap in een wijnglas. Roken deed hij ook niet meer, zei hij. Vanavond was hij daar om afscheid te nemen. Morgen vertrok hij weer voor een maand naar Amerika.
Nog niet zo lang had hij vier maanden door de VS gereden, op een brommer. Hij had het in z'n kop gekregen, en na 22.000 km op de brommer was die kop weer leeg. Wat scheef zat, was rechtgetrokken. Soms waren er beren langs de weg, maar die kunnen niet harder dan 45 km per uur en zijn brommer haalde 50 km. Eén keer zag hij een berenjong in de berm en dan weet je dat er ook een moeder in de buurt is. Hij reed tegen de berg op en daardoor kon zijn brommer niet harder dan 20 km per uur. Dat was zweten. Soms wist hij ook niet of hij zich nou moest wassen of juist niet.
'Ja, je weet niet waar die ber'n van houden,' zei de andere stamgast.
In Alaska was hij eenzaam geweest. Als hij ergens was en een telefooncel tegenkwam belde hij naar huis. 'Hier is alles goed,' vertelde hij zijn wederhelft. En dan zei zij zoiets als 'hier ook.'

Langzamerhand stroomde het café vol, de asbak werd naar achteren gebracht, en een koningsblauw gordijn opgehangen tussen de stamtafel en het tapgedeelte waar de poëzieavond gehouden zou worden. Ik baalde ervan dat ik niet alles kon verstaan van het dialect.
'Jij bent dus schrijver,' zei de man op een gegeven moment. 'Waar haal jij je inspiratie vandaan?'
Dat vroeg ik me ook af.
Hij kocht een boek van me en vertrok voor de avond begon. Ik moest naar de andere kant van het gordijn.

zondag 22 juni 2014

Ontvellen

Op zaterdag ging ik naar de schoonheidssalon om mijn verjaarscadeau te innen. De gezichtsbehandeling. Languit lag ik op de behandeltafel en werd echt enorm aangepakt. Alsof het gezicht los van een mens bestond. Dat vond ik een goed teken. De juiste werkethos.
Het meisje zweeg. Ook al fijn. Ze schuurde, kneep, wreef, en er werd gloeiend hete hars boven mijn ogen en op mijn bovenlip gedaan. Ik dacht aan het villen van konijntjes. Jeanette Winterson had dat onlangs nog gedaan en daarmee een rel op twitter veroorzaakt. Het meisje depte de wonden met ontsmettingsmiddel.
Het is blijkbaar wel heel erg nodig dat ik hier ben, dacht ik en klemde mijn tanden op elkaar. Misschien heeft ze de hele wenkbrauwen weggehaald. Maar mijn gezicht mag best iets meer voor zichzelf spreken.
Daarna begon de massage.  Ik hield mijn tanden nog even zo en probeerde te denken aan een nieuw idee voor een boek.
'Gaat het?' vroeg ze op een gegeven moment.
'Er zitten wat knobbels daar, hè?' zei ik.
'Nou,' zei ze. En daar gingen we weer.  Een paar keer dacht ik dat ik haar hand kort in mijn bh voelde. Misschien schoot ze af en toe uit omdat er nogal wat kracht gezet moest worden om die knobbels weg te krijgen.
'Je ziet eruit alsof je geslagen bent,' zei man net.