woensdag 10 september 2014

Dat ik besta

'Ben je blij dat ik besta?' vraagt Deetje (4)
'Ja. Hoezo?'
'Of ben je blijer als ik niet besta?'
'Nee.
'NEE? Ze kijkt me fronsend aan. 'Je bent blijer als ik niet besta!' roept ze.
'Nee, zeg ik toch. Ik ben niet blijer als je niet bestaat.' Ik leg haar deken goed over haar heen. 'Snap je het nog?'
We liggen naast elkaar in bed en ik heb net het boekje 'Ik' voorgelezen.
Ze zal het morgen mee naar school nemen waar ze woordjes met een i verzamelen. Daar waren ze vanmiddag op school mee begonnen. Woordjes met een i.
'Welk woordje heb jij gezegd?' had ik gevraagd.
'Goudvis,' zei ze.
'Goudvis?'
'Goudvis, maar de juf zei...'
'Ja, het woord moest zeker met een 'i' beginnen, hè?'
'NEE,' riep ze. 'De juf had al vis gezegd. En toen zei ik goudvis.'

dinsdag 9 september 2014

Gaat dat zien!

Gisteren was ik bij de filmpremière van Nena.
Het verhaal speelt zich af aan het eind van de jaren tachtig en onherroepelijk was ik terug bij mijn eigen stonewashed broeken, grote sweaters en de val van de muur. Met mijn klas was ik in Berlijn. 'Een historisch moment,' hoor ik mijn vader nog enthousiast zeggen. 'En jij bent erbij!' Maar ik was meer geïnteresseerd in de discoboot.
De film gaat over het pubermeisje Nena en haar vader die vrijwel helemaal verlamd is en zelfmoord wil plegen. Zij begint net met leven en hij is er klaar mee. Leven en dood worden hier recht tegenover elkaar gezet. De film is grappig, maar ook afgrijselijk pijnlijk. Dat vind ik er zo goed aan.
Je houdt meteen van Nena. Ik had vroeger denk ik zo stoer en tegendraads willen zijn als zij. Maar dat was ik niet. Wel had ik voor de vorm zo'n leren jas.




maandag 8 september 2014

Het verschieten

We brachten het weekend bij mijn ouders door. Er kwamen daar twee mensen van Hejs Nejs, de dorpsglossy. In het kantoor van mijn moeder werd ik geïnterviewd. De eerste vraag was: 'haal eens wat jeugdherinneringen op.' Dat was geen vraag, daarom wist ik ook niet meteen een antwoord. Daarna ging het me beter af. Sommige dingen die naar boven kwamen, konden uiteindelijk niet in het blaadje. Omdat het blad een positieve uitstraling moest hebben.
We hadden het ook nog over het stuk in Trouw en dat ik daarin geschreven had dat de rolluiken hier vaak dicht waren.
'Dat is omdat anders de meubels verschieten', zei de interviewster. Ik wist dat niet. Ik vond dat een mooie verklaring. Maar al verschiet ons meubilair niet, wijzelf zullen op een dag verschoten zijn. Dat hou je niet tegen.

vrijdag 5 september 2014

Leestrip

Ik heb gelezen 'Hier wonen ook mensen' van Rob van Essen. En daarna las ik 'Roxy' van Esther Gerritsen. Die twee boeken hebben niets met elkaar te maken. Het ene is net uit en het andere boek moet nog uitkomen. Een verhalenbundel en een roman.
Wat ze gemeen hebben is dat ze goed zijn. Hier wonen ook mensen kon ik niet wegleggen, letterlijk, op het laatst zat ik in het park het titelverhaal te lezen, het begon te regenen en ik bleef zitten.
Op de tafel stond geschreven Kilroy was here. De wereld draaide een kwartslag en kwam tot leven. De leeservaring veroorzaakte dat waar al de personages volgens de achterflap naar op zoek zijn. Geluk, verlossing, verlichting. 

Iets soortgelijks - maar dus totaal anders - gebeurde terwijl ik de roman Roxy aan het lezen. Het boek werd mij gegeven op de ene dag en de volgende ochtend was het uit. Happend naar adem kwam ik boven water. Rende een tijdje de trappen op en neer om al die verraderlijkheid van me af te schudden. Dan was er nog het jammere gevoel. Het boek is uit. En ik wil weten hoe het verdergaat met Roxy.

Het is alsof ik onlangs 2 keer in een ouderwetse leestrip gezeten heb.
Nu wil ik weer opnieuw.


donderdag 4 september 2014

Waarheen?

Fabio moet vertrekken bij de vrouw waar hij sinds zijn terugkomst verblijft. Vorige week hoopte hij nog op een huwelijk, vandaag weet hij beter. De draad die hij drie jaar geleden liet liggen is niet één, twee, drie op te pakken. Ze wil 'privacy.' Maar waar moet hij heen?
'Het is daar verschrikkelijk, Elkie,' zegt hij. 'Alles is weg. Ze aait alleen de poes. De poes zit de hele avond op schoot en ze aait en aait maar. Ze praat ook alleen tegen dat beest.'
'Ze wil niet met je trouwen. Dat lijkt me duidelijk.'
'Ik had een huis gebouwd in Brazilië en een mooie vrouw,' zegt hij. 'Ze was zo mooi. We zouden trouwen, we hadden al ringen, maar toen ging ik weg. Ik bleef aan Nederland denken.' Fabio bindt de vuilniszak dicht. 'Nu voel ik iets voor haar, wat ik nog nooit heb gevoeld. Echt nooit.'
'Dat komt omdat je ver weg bent,' zei ik.
'Ik moet straks heel erg huilen,' zegt hij. ' Ergens in een hoekje.'

dinsdag 2 september 2014

Jarig of niet?

De zon schijnt. Ik haal Deetje en haar vriendje op van school. We wandelen naar huis. Het zijn net Jip en Janneke die hand in hand achter mij lopen. Aan één stuk door kletsend.  Janneke vertelt Jip over de poes in de straat die op zondag is overreden door een auto.
'En nou is de poes dood,' zegt ze.
'Dood?' zegt Jip.
'Ja, en als je dood wordt, kun je niet meer bewegen én niet meer praten,' vult Janneke aan.
'Een poes praat niet,' zegt Jip. 'Een poes mauwt.'
'Ja, een poes mauwt,' zegt Janneke, 'maar als wij dood zijn geworden, kunnen we niet meer praten. En niet lopen, toch Jip? Dan liggen we helemaal stil!'
'Ja!' roept Jip, 'we liggen stil! En dan kunnen we óók niet meer ruiken én niet meer zien, toch Janneke?'
'Nee, én niet meer proeven,' zegt Janneke. En niet voelen.'
'En niet meer horen!'
'En niet ademen!' roept Janneke.
Na een tijdje: 'Oma D. was ook dood, hè mam?'
'Ja,' zeg ik.
'Maar ze is nog wel jarig, toch?'  Ze fronst als ze mij aankijkt.
'Ja, ze is nog wel gewoon jarig hoor Janneke,' zegt Jip.

vrijdag 29 augustus 2014

Tijdreis

Halverwege het Diemerpark rende ik, voor zover je van rennen kon spreken, het was een paar stappen hardlopen, stoppen vanwege pijn, uitblazen, verder strompelen, ik moest om de zoveel meter stilstaan omdat mijn longen zeer deden. Omdat ik dacht dat ik geen lucht meer kreeg. De verkoudheid er even uitlopen, was veel te optimistisch gedacht. De verkoudheid erkennen zou misschien een beter idee zijn geweest.
Het was het einde van de middag, de zon scheen. Het was hier stil en verlaten. Mooi. Verderop stond alleen een jongeman in de berm. Roerloos. Hij tuurde door een verrekijker over de lege vlakte. Zijn fiets op de weg geparkeerd. Er ging een rust van hem uit. Hij deed me denken aan een ex-vriendje. Iemand van drieëntwintig jaar geleden.
Meer strompelend dan rennend naderde ik de vogelaar. Steeds scherper kreeg ik hem in het vizier. Hij droeg een broek in een aardetint. Donkerblauw fijnbreisel. Halflang donker haar. Pas toen ik een meter of twee van hem verwijderd was, kon ik hem  determineren.
Ik begon met mijn schoenen over het asfalt te sloffen. (Mijn manier van contact zoeken) Hij keek op.
'Jij aan het rennen?' zei hij.
'Jij grijs haar.'
'Ik was hier aan het ontspannen.'
'Ik ook. Iets gezien?'
'Een valk.'
Ik keek omhoog en zag de kale electriciteitsdraden.
'Ja, die is nu weggevlogen,' zei hij.
Na een praatje, - alsof ik een andere tijd in was gestrompeld, het verleden in geflitst - vervolgde ik mijn oude pad en stapte hij op zijn fiets. Het heden weer in. Even later stond ik thuis, binnen in de woonkamer.  Met die oppervlakkige ademhaling van mij.