vrijdag 24 oktober 2014

De jongen met het hondje.

Om half tien op vrijdagavond fiets ik naar de Albert Heijn om op deze dag toch buiten te zijn geweest. Het is donker en het regent. Er is geen mens op straat. Maar als ik de hoek omsla, komt er net een puberjongen aangeslenterd, met een wit hondje onder zijn arm. De jongen is exorbitant lang en hoekig, blijft midden op straat stilstaan en kijkt me aan. Het licht van de lantaarnpaal valt op zijn ogen.
Ik had binnen moeten blijven, denk ik.
Maar nu is het al te laat.

donderdag 23 oktober 2014

Weerzien

Jaren later zie ik haar weer in De Jaren. Op een dinsdagavond. Buiten stortregen en onweer. Ze zit al in de verste uithoek van het Grand Café met een glas wijn. Een andere plek dan jaren geleden. We waren goed bevriend als twintigers, we worden hoe dan ook ouder, maar ik zie er in het halfduister niets van. De tijd valt een paar uur weg. Het gesprek gaat door. We weten dat dit de enige ontmoeting wordt en de laatste voor voorlopig. In een rap tempo bespreken we de dingen, het leven. De draad wordt één dinsdagavond lang opgepakt. De wijn vloeit rijkelijk. Aan het tafeltje naast ons zit een mooie wat oudere man mee te luisteren. Een reiziger die kruidenthee drinkt. Op een gegeven moment houdt hij het voor gezien. Het gaat hem te snel natuurlijk. Vlak voor middernacht, lopen/vluchten we het café uit. Ik heb mijn eerste verhalenbundel gegeven/ in haar maag gesplitst. Ze heeft nog nooit iets van me gelezen. Bij de tramhalte naar centraal station glijd ik uit, zij raapt me op, ik stap in. Zodra de tram wegrijdt, is de betovering verbroken. Er is nog wel een geschaafde knie.

maandag 20 oktober 2014

Zorgen over de toekomst

Het is net na het voorlezen. Ik lig nog even bij Deetje in bed. Ze maakt zich zorgen omdat ze niet weet wat ze wil worden.
'Dat hoef je niet te weten,' zeg ik. 'Je bent vier.'
'Ik weet het!' roept ze dan blij.
'Ja?'
'Ja!
'Wat dan?'
'Ik wil jou worden!'
'Maar dat kan niet,' zeg ik.
Het blijft stil naast me. Ze draait zich naar me toe. Ik leg uit dat ze mij niet kan worden.
'Ja, maar ik wil gewoon mezèlf worden.' De tranen springen in haar ogen.
'Je wordt later niemand anders. Dat is het niet.'
'Ik wil mezelf blijven. Net als ik nu ben.'
'Wil je niet groot worden?' Ik denk aan het Peter Pan syndroom. Het niet op willen groeien. Nu al.
'Jawel, ik wil wel groot worden. Maar ik wil niemand wórden, ik wil gewoon Deetje blijven.'

Intussen hoor ik Jeetje met haar vader praten in de badkamer.
'Ja, maar ik weet gewoon niet hoe het moét!' zegt ze. 'Vertel me dat dan? Hoe moet het als je klaar bent met studeren en je hebt nog geen werk. Hoe betaal je dan je appartement?'

Regenboog methode

Vanmorgen rende ik naar een regenboog. Ik kwam er nooit aan. De regenboog stond helder aan de hemel, geschilderd in felle kleuren en klare lijnen. Zoals kinderen dat zouden doen. Op diezelfde manier rende ik vandaag een paar keer in mijn hoofd naar een stukje om hier op te schrijven, maar kwam er nooit aan.

De verschillende methodes om een stukje te schrijven.
Meestal gaat het zo; ik weet meteen wat ik wil zeggen, ik schrijf het op. (Mijn favoriete methode.)
Soms gaat het zo: ik weet het vaag, schrijf zoekend, het krijgt uiteindelijk vanzelf vorm. (Deze methode neemt het meeste tijd in beslag) Of het gaat zo: ik weet het niet, ik sluit het document en een tijdje later weet ik het wel. 
Dan is er dus ook de regenboogmethode. Het idee is er, eenmaal achter je laptop is het ongrijpbaar geworden. 


zondag 19 oktober 2014

Thematiek De weg naar zee

Het is exact een jaar geleden dat De weg naar zee uitkwam! Het boek handelt over een moeder die haar kind als een project ziet dat moet slagen. De tijdgeest brengt haar (+ kind) in grote problemen. De maakbaarheid kent geen grenzen meer. Sindsdien kom ik het onderwerp met grote regelmaat tegen in de media. Deze ochtend het artikel 'Als je kind maar uitblinkt' in NRC.

Ouders zien hun kind steeds vaker als een project. En dat project moet slagen.(..) In de huidige prestatiemaatschappij moet je eruit halen wat erin zit, zegt Wubs. En dat kan ook; er zijn tal van ondersteuningsmogelijkheid om je kind zich optimaal te laten ontwikkelen. Een verlegen kind kan op weerbaarheidstraining. Een kind dat niet goed is in rekenen, gaat op rekenkamp, krijgt bijles of volgt een online lesprogramma. En een baby die met een paar maanden nog niet omrolt kan op babygym of naar de fysiotherapeut. Als je kind niet slaagt, is dat jouw schuld. (..)

Als je zegt dat de leerling een lage gemiddelde intelligentie heeft, moet er iets aan de hand zijn. Ik zeg dan: het kind voldoet niet aan uw verwachtingen, meer is er niet aan de hand.



zaterdag 18 oktober 2014

Quote

Grunberg schrijft in de VK vandaag:

Het is een vast onderdeel van de literaire avond en het interview geworden. 'Hoe schrijft u? Wist u alles al toen u aan het boek begon of was het einde ook voor u een verrassing? Wat wilde u zeggen met dit boek? wordt er steevast gevraagd. Er is een tekst, maar wat de schrijver wilde zeggen, staat kennelijk niet in die tekst. Heel vreemd, maar waar.

Tijdens interviews en literaire avonden ziet de voorkomende schrijver zich op dergelijke momenten gedwongen gebruik te maken van de beleefdheidsleugen en te doen alsof het schrijfproces, dat voor een groot gedeelte intuïtief is, het gevolg zou zijn van ernstige beraadslagingen en overwegingen.

donderdag 16 oktober 2014

Antipathie

In de trein van Nijmegen naar Amsterdam Centraal kwam er een man tegenover me zitten die ik niet uit kon staan. Ik denk dat we even oud waren. Hij zat te ver voorover gebogen, - recht in mijn aura -benen iets uit elkaar, ellebogen op zijn knieën en speelde een spelletje op zijn smartphone. Ik hoorde heel zacht het muziekje. Ook had hij constant een glimlachje op zijn gezicht, kauwde daarbij heel lichtjes op een stuk kauwgum. Zijn zwarte haar in een vlot én zakelijk kapsel. Een bril met een niet te zwaar zwart montuur op zijn neus. Een smalle neusbrug had hij. Ik haatte hem. Op station Amstel verdween hij door glazen klapdeur. Glimlachend, kauwend, almaar op zijn schermpje kijkend.
Maar toen ik op centraal station uit wilde stappen, stond hij daar. Leunend tegen de deur van het toilet. Blik op zijn telefoon gericht. Daar ben ik hem kwijtgeraakt in de menigte. Ik hoop nu wel voorgoed.