Het is zondag. Jeetje (9) en haar vader zijn naar Helsinki gevlogen en ik fiets met Deetje (4) naar de stad. We hebben 's middags een afspraak bij de kinderkapper. Eenmaal in de Pijp aangekomen, vindt ze de goede oude speeltuin in het Sarphatiepark te kinderachtig. Samen zitten we op de rand van de zandbak, - zij hangt als een reuzenbaby op mijn schoot - en kijken naar het grut. Er spelen drie Aziatische jongetjes in dezelfde rood-blauw gestreepte shirts en dezelfde beige broekjes. In de bosjes rondom de speeltuin loopt een man in een blauwe jas heen en weer.
'Ik wil naar Amerika!' zegt Deetje. 'Wanneer gaan we eens een keer naar Amerika?'
'Jij en ik?
'En papa en Jeetje. Met z'n vieren.'
'Zullen we maar gaan hier?'
Deetje springt meteen op en rent naar de uitgang. Ze verzekert zich ervan dat het hek goed dichtzit, opdat de kinderen niet kunnen ontsnappen. De blauwe jas sluipt nu als een krijger door het struikgewas. Zou hij weten dat het gebladerte dun geworden is en dat wij hem allemaal zien? Deetje geeft aan graag naar een café te willen.
'Eerst naar de kapper.'
De kinderkapper is oké. Ze krijgt snoep. Er is een stoel die een tank voorstelt, een gele brommer en rode brandweerauto. Even later zit ze in de brandweerauto en wordt haar lange haar gekortwiekt.
'Zie je wel. Het was toch best leuk, die kapper?' zeg ik als we in café Krull plaatsnemen.
'Ja,' zegt ze.
'Je zat in die mooie rode brandweerauto.'
'Nou, ik wou liever in een gewone stoel.'
'Die was er niet.'
'Nee, die was er niet.' Ze zucht.
maandag 10 november 2014
vrijdag 7 november 2014
Werkelijkheid
In de trein van Nijmegen naar Amsterdam zit ik in een volle stiltecoupé en blader in Mindmap, een manifestatie over kunst en psychiatrie.
Aan het gangpad leest een mevrouw de Metro. Ik hoor haar steeds vanachter haar krant boze gesprekken fluisteren. Op een ferme toon. Maar als ik dan nog eens naar haar kijk, lijkt het gewoon een mevrouw in de stiltecoupé die de Metro aan het lezen is. Gisteren, tijdens mijn lezing in Venray, meende ik in het publiek steeds iemand te ontwaren die zijn vinger opstak. Vanuit mijn ooghoek.
Maar telkens als ik dan die kant opkeek, bleek de vinger verdwenen. 'Ik zie de hele tijd een vinger in de lucht,' had ik nog gezegd. 'Maar het is hier natuurlijk geen klas.'
We hebben kunst om niet dood te gaan aan de waarheid staat op de achterflap van het boek dat ik na de lezing cadeau gekregen had. Een quote van Nietzsche.
Aan het gangpad leest een mevrouw de Metro. Ik hoor haar steeds vanachter haar krant boze gesprekken fluisteren. Op een ferme toon. Maar als ik dan nog eens naar haar kijk, lijkt het gewoon een mevrouw in de stiltecoupé die de Metro aan het lezen is. Gisteren, tijdens mijn lezing in Venray, meende ik in het publiek steeds iemand te ontwaren die zijn vinger opstak. Vanuit mijn ooghoek.
Maar telkens als ik dan die kant opkeek, bleek de vinger verdwenen. 'Ik zie de hele tijd een vinger in de lucht,' had ik nog gezegd. 'Maar het is hier natuurlijk geen klas.'
We hebben kunst om niet dood te gaan aan de waarheid staat op de achterflap van het boek dat ik na de lezing cadeau gekregen had. Een quote van Nietzsche.
dinsdag 4 november 2014
A en B
Fabio, de schoonmaker, kent de stad op z'n duimpje. Hij heeft in alle buurten gewoond. En ook op alle plekken, blijkt vandaag.
'In een kelderbox in Buitenveldert?' vraag ik.
'In een kelderbox in Buitenveldert?' vraag ik.
'Ja, waar ze fietsen bewaren, weet je wel?' zegt hij. 'Daar woonde ik.'
'Jee.'
'Ja, 's morgens bracht ik de kinderen van de mensen naar school, dan werkte ik bij de meneer van het huis in de bouw tot 14.00, en daarna haalde ik de kinderen op en bracht ze naar ballet, pianoles of zwemmen. 's Avonds sliep ik in de kelderbox.'
'Een soort au-pair.'
'Ze hadden wel een extra kamer maar die wilden ze liever gebruiken als studeerkamer. Snap je wel?'
'Ze hadden wel een extra kamer maar die wilden ze liever gebruiken als studeerkamer. Snap je wel?'
Ik knik.
'Dan kwam ik 's morgens andere mensen tegen en dan vroegen ze: wat doe jij zo vroeg hier?' zegt Fabio. 'Het was onhandig. Er was daar geen water of niks. Snap je wel?'
'Dan kwam ik 's morgens andere mensen tegen en dan vroegen ze: wat doe jij zo vroeg hier?' zegt Fabio. 'Het was onhandig. Er was daar geen water of niks. Snap je wel?'
'En het toilet?'
'Dat deed ik buiten. Zit je daar 's nachts in de bosjes in Buitenveldert. Dat valt natuurlijk heel erg op.'
'En hoe ging dat met eten?'
'Ik at 's avonds bij de mensen mee, de mevrouw kookte, en daarna ging ik naar de kelderbox.
'Dat deed ik buiten. Zit je daar 's nachts in de bosjes in Buitenveldert. Dat valt natuurlijk heel erg op.'
'En hoe ging dat met eten?'
'Ik at 's avonds bij de mensen mee, de mevrouw kookte, en daarna ging ik naar de kelderbox.
'Hoe lang heb je daar gewoond?'
'Twee jaar.' Fabio pakt de stofzuiger.
'Ik heb gisteren mijn zwemdiploma A gehaald,' zegt hij terwijl hij zijn grote paarse koptelefoon opzet. 'En nu ben ik bezig voor B!'vrijdag 31 oktober 2014
Thuiszorg
Een doordeweekse ochtend. Er zit een vriendelijke vrouw die nog
maar weinig geheugen heeft, vastgezet in haar rolstoel, vastgebonden aan haar
eigen tafel, in haar eigen huis. Het was
haar grootste wens om zo lang mogelijk zelfstandig te blijven wonen.
Ze kijkt vanuit haar raam, twee hoog, uit op een mooi
middeleeuws plein.
Daar beneden, op de kinderkopjes, staat haar dochter Brenda,
in een zware zwarte mantel, uitzinnig naar haar te zwaaien en te lachen. En
kushandjes te sturen.
De vriendelijk vrouw mag dan niet veel meer weten, maar
heel scherp heeft ze nog de dag voor ogen, dat zij degene was die de kusjes
naar de kleine bange Brenda blies. Ze trekt de deur van de Peuterette achter
zich dicht. Het kindergezichtje plat tegen de ruit gedrukt.
Het moment dat zij degene was die zich
omdraaide.
Als Brenda in kordate pas van haar moeders raam wegloopt,
lopen de tranen over haar wangen. Van opluchting, houdt ze zichzelf voor. Het
is maar voor een paar uur. Om de tijd dat ze alleen is zonder vallen of
verdwalen te kunnen overbruggen.
Ze ziet het
grijsblauwe hoofdje in de verte, een stipje achter het glas en stapt in de auto.
Het is goed zo. Ze is het zo weer vergeten. Dat scheelt. Haar
moeder heeft een prachtig uitzicht op het plein. Vanuit haar positie zou ze in principe kunnen zien hoe de
ooievaar in het nest, op één van de schoorstenen van het stadhuis, haar
kleintjes grootbrengt.
donderdag 30 oktober 2014
De katoenspinnerij
Omdat ik deze week elke dag
voor radio 1 een verhaaltje schrijf over iets dat ik in de krant tegenkwam,
verzin ik nu een meisje uit Zuid-India.
Ik geef haar de naam Padma,
dat betekent Lotusbloem. De lotusbloem is een symbool voor zuiverheid. Dat
maakt het extra schrijnend. Het verhaal gaat over de kledingindustrie die
nog niet helemaal 'zuiver' blijkt te zijn.
Padma is veertien jaar, werkt
veertien uur per dag, met tien minuten pauze, in een spinnerij, een stoffige
fabriek zonder daglicht, waar ze ruwe katoen tot garen spint.
Wie denkt er, bij het aantrekken
van zijn truitje aan dat het garen ooit ergens gesponnen is?
’s Nachts slaapt Padma met
kasteloze collega’s in een hostel van het bedrijf, ze krijgt slecht te eten en omdat
contractueel is vastgelegd dat ze haar loon pas over drie jaar krijgt, kan ze
nu niet weg. Nooit weg.
Over die kutbaas van haar hoef
ik niet uit te weiden.
En zo gaat Padma’s leven, als
moderne slavin op de katoenspinnerij, voorbij, zonder dat iemand het weet.
En als we het wel zouden weten,
spreken we er schande van.
Maar ik heb Padma verzonnen.
En wat niet weet wat niet deert.
Ik lees dat de 'zuivere' kledingmerken alweer met z’n allen op zoek zijn naar een volgend lagelonenland. Voor als Padma binnenkort toch
rechten krijgt.
Ik schrijf dit stukje in een
rood vestje dat vijf Euro kostte in een ondergrondse Shoppingmall in Bombay. In
het echt was dat Peking.
Maar het is allemaal ver weg.
Het vestje was toch al gemaakt. Dat maakte niets meer uit.
woensdag 29 oktober 2014
Coulrofobie
De wolken zijn donkergrijs en hangen laag. Met Driftbuitje.nl,
mijn zoon, zwijgend achter me aan, snel ik over de verlaten parkeerplaats van
het Maxisterrein. Albert Heijn XL, Mega Hema, Toys XL. Hier is alles voor het kinderfeestje, morgen.
‘Het
lijkt wel alsof we de enige levende wezens op deze planeet zijn,' zeg ik. 'Gek toch?’
'Een clown, een clown!' Driftbuitje.nl wijst.
Voor ons doemt inderdaad een spierwit gezicht, rode
neus, geel pak op uit de mist, heen en weer marcherend voor de Toys XL.
Een verklede beveiliger, denk ik eerst nog. Halloween bij de Maxis. Hoe origineel.
Voor ik het in de gaten heb, staat de
geschminkte man al pal voor onze neus. Met ballonnen.
‘Ik ben Pipo de crazy clown,’ zegt hij met
een gek stemmetje. Hij buigt zich naar mijn zoon. ‘En welk dier zal Pipo voor
jou maken?’
‘O, doe geen moeite,’ zeg ik. ‘Mogen we er
langs?’
‘Pipo had het niet tegen mama, hè,’ zegt
hij.
‘Sorry, we hebben haast en…’
‘Mama moet nu oppassen hoor.’ De clown grijnst. ‘Nou, welk dier zal Pipo voor jou maken?’
Instemmen, denk ik. Ik moet leren in te stemmen
met de dingen. Mijn zoon vindt deze clown geweldig. Dat kan. Het lijkt me hoe dan ook een
enorm slecht idee als hij zijn naam hier en nu weer eer aan zou doen.
Het is vreemd stil. Alleen de worstballon in de grote handen piept
hoog als de clown er een varkentje van draait. Een feestvarkentje, bedenk ik.
‘.
dinsdag 28 oktober 2014
Het zetje
Deze week ben ik weer schrijver van dienst voor het programma Nooit Meer Slapen, VPRO. Elke nacht om 01.00 u, radio 1 lees ik een verhaaltje voor dat geïnspireerd is op nieuws van die dag. Gisteravond was de eerste uitzending:
Het zetje
Iedereen
heeft ergens familie.
Ook de
baby die vannacht, door haar eigen oom, in de ondergrondse vuilcontainer is
geduwd, in de Fritz Conijnstraat te Amsterdam.
Het pasgeboren
meisje huilt om de stinkende, kille wereld waarin ze terechtgekomen is. Nog
meer huilt ze om de afwezigheid van haar moeder. Joelle.
Joelle:
die bijna zestien is, die haar oudere broer heeft verteld dat ze negen maanden
geleden in de Fritz Conijnstraat werd verkracht. Recht onder zijn raam. ‘Als je
het tegen papa en mama zegt, maak ik me van kant.’
Joelle,
die al die tijd bij haar broer en zijn vriendin heeft gewoond, huilt nu om
haar ouders. Nog meer huilt ze om haar vroegere leven in Badhoevedorp.
Haar broer
blijkt uiteindelijk zo goed het kind weg te brengen.
Hij heeft
sowieso niets met baby’s. Deze lijkt wel spastisch. Of iets.
Voor ze
buiten staan, is hij urenlang bezig die fladderende armpjes, zonder breken, in
die mouwtjes te prutsen. Deze is ook ontzettend lelijk. Het moet een kopie van
de verkrachter zijn. Zo iemand is de wereld straks alleen maar tot last.
Het is
half drie ’s nachts. Met één hand houdt hij de klep al open, maar als hij het
pakketje naar binnen wil schuiven, grijpt het plots zijn vinger vast. Deze
is sterk, denkt hij.
Daar, staand
voor de vuilcontainer, met het babyhandje om zijn wijsvinger geklemd, voelt hij
voor het eerst dat hij zelf vader wil worden. Dan geeft hij het zetje.
Hij hoort
het ondergrondse gejank.
Dat doet
de mijne straks ook, denkt hij. Maar het schijnt anders te zijn als het de jouwe
is. Dan kun je daar wel gewoon tegen.
Abonneren op:
Posts (Atom)