maandag 16 februari 2015

Rustpunt

We liepen de gang van het hotel in waar de eerste J.M.A Biesheuvel-prijsuitreiking zou plaatsvinden. De muren en de vloeren waren bekleed met rood-wit-zwarte motieven die allemaal tegelijk op me afkwamen. Hier krijg ik epilepsie van, dacht ik. En meteen begonnen er mensen te vallen. Een oude man viel recht in onze armen. Kort na hem stortte er een jonge vrouw neer. Wie er op die plek  - de overgang van normale wereld, naar hotelgang  - nog meer gevallen is, weet ik niet. We waren inmiddels doorgelopen.
Maarten Biesheuvel en zijn vrouw zaten vooraan in de zaal, de mensen waren binnengestroomd, de temperatuur liep op. Het programma begon.
Voor mij een golvende zee van rechte ruggen en hoofden. In mijn tasje had ik twee opgevouwen a-viertjes. Ik werd aangekondigd. Door een speling van het lot, er was een schrijver geveld door griep, was ik degene die daar over enkele ogenblikken een ode aan het korte verhaal zou staan brengen. Mijn enige zorg: hoe daar ooit terecht te komen.


vrijdag 13 februari 2015

Alleen in het bos

De dames staan in de beslagen douchecabine en ik loop over de gang heen en weer met armen was, zoals dat hoort.
'Ik tover dadelijk dat jij in je blootje in het bos staat,' hoor ik Jeetje (9) zeggen. En dan op barse toon: 'Helemaal alleen! En het is donker in het bos. Wil je dat?'
Ik kan niet horen wat Deetje (4) zegt.
'Oké dan ga ik je NU wegtoveren. Echt, hè? Het water wordt steeds kouder, voel je dat al. Voel je het? Als het helemaal koud is, ben je niet meer hier.'
Ze praat net zolang door tot Deetje het uitschreeuwt van angst en ik de was meteen laat vallen. In een hoekje van de douche tref ik haar aan. Ineengekrompen. Haar armen over haar knieën. Hoofd op haar schoot. Het koude water valt op haar rug. Haar grote zus staat er rechtop naast, glimlachend.
'Geloof je nu wèl dat ik kan toveren?' vraagt ze.

woensdag 11 februari 2015

Vertrouwen

We waren op de terugweg, het was al donker, we luisterden naar de radio, de meisjes op de achterbank sliepen nog voor we de snelweg opgedraaid waren. Ze zakten scheef in hun kinderstoelen, hun kaken vielen open, armen wijd. De neergeschoten strijdsters. Straks zouden we ze hun huis binnendragen.
Ik dacht terug aan mezelf als kind met de eeuwige open ogen op de achterbank. Priemend, prikkend. Wakker blijven, was mijn motto. Nooit  je ogen dichtdoen waar ze bij zijn. Slapen is een zwakte. Daar moet je niet in het openbaar aan toegeven. 
Hierna moet ik in slaap gevallen zijn. De radio op de achtergrond, man achter het stuur, kinderen zachtjes ademend. De enige wereld waar ik zelf niet bij ben om het op te kunnen schrijven. 

dinsdag 10 februari 2015

E/v

Ik was bij het stadsdeelkantoor voor het verlengen van mijn paspoort. De man achter de balie vroeg: 'Moet e/v Hendriksen er nog bij staan?'
'Eh?'
'E/v Hendriksen kan ook weg,' zei hij. 'Uw paspoort is tien jaar geldig.' De man lachte.
'Nee, hij mag wel blijven,' zei ik.
Zo werd mijn identiteit en mijn huwelijk in één klap met tien jaar verlengd. Het kostte zesenzestig euro en zestig cent. Om het te vieren kocht ik twee kleine speltbroden en een zak mini-cakejes.
Ook schreef ik de Hendriksen in kwestie: 'Weer voor tien jaar met je getrouwd.'
Meteen kreeg ik een berichtje terug: 'Mijn hemel.'

vrijdag 6 februari 2015

Donker

In een interview met Michel Faber in NRC vandaag, las ik iets over instinctief schrijven.
Hij zei: 'In dit boek wilde ik kijken wat er zou gebeuren wanneer ik de duisternis zou betreden, zonder te weten waar ik zou uitkomen. Natuurlijk vormde ik het verhaal zelf terwijl ik schreef, maar ik wilde mezelf verbazen, gedesoriënteerd raken. De reis van Peter naar een totaal onbekend gebied was voor mij een goede manier om dat te doen.'

In Briefroman van Juli Zeh stond:  'Plotseling is er er een gebiedende stem uit het inwendige pikkedonker van je eigen persoon, die zegt: Maak er wat van. Je begint te schrijven, uiterst vrijblijvend nog; het hoeft niet gelezen te worden, het gaat niemand iets aan. (...) (Het belandt in een la)
En dan kan het zomaar gebeuren dat je niet meer kunt stoppen. Omdat je het landschap dat zich bij het schrijven voor je ontvouwt niet meer wil verlaten. Omdat de taal begint te blinken en klinken en de juiste soundtrack biedt onder de beelden die aan je geestesoog voorbij trekken.'

woensdag 4 februari 2015

Hij en ik

De bel ging. Ik wist het. Ze zouden, tussen zo en zo laat, mijn nieuwe telefoon brengen. Ik rende van de derde verdieping naar beneden. Op mijn sokken. Voor ik halverwege was, ging de bel weer. Degene die met mijn nieuwe telefoon aan de deur stond, drukte nu erg hard en erg lang.
Het sneeuwde zag ik toen ik het halletje stond. Misschien vandaar. Ik deed open,  meteen stapte er een jongeman naar binnen en  trok de deur achter zich dicht.
'Kom binnen,' zei ik. 'O, je bent al binnen'
'Het is koud.'
Daar stonden hij en ik samen in het kleine halletje gepropt. Hij had typische, lichtgele ogen. Al zijn gele ogen geen bewijs van iets.
Hij moest mijn identiteitsbewijs hebben. Zijn taal was uiterst voorkomend en beleefd. Maar ik zou het niet vreemd vinden, als hij even snel achter me langs zou lopen om aan mijn aanrecht een boterham te smeren. Vanwege honger. Het paspoort dat ik hem gaf was één maand verlopen.
'Uw rijbewijs dan?'
'Heb ik niet.'
'U krijgt de telefoon niet,' zei hij.
'Ik hoef die telefoon ook niet meer,' zei ik. 'Ik hoefde sowieso geen telefoon.'
De jongeman verdween weer uit mijn leven zonder een nieuwe telefoon gebracht te hebben maar ook zonder een boterham te hebben gepakt.

zaterdag 31 januari 2015

Rolverdeling

We zitten op de fiets naar de theaterles. Deetje van vier voorop en haar vriend van vijf achterop. Ze moeten naar elkaar schreeuwen om zich verstaanbaar te maken. Hij heeft het over trouwen later. Hij heeft al twee meisjes en een jongen op het oog.
'O,' roept Deetje. 'En wèlke meisjes precies?'
Hij noemt eerst Deetjes naam en daarna de twee anderen. En nee, hij zou niet alleen met Deetje zijn leven willen delen. Het is veel gezelliger met drie mensen te trouwen en met z'n allen in een huis te wonen.
'Dan moet jij een heel groot huis hebben,' zeg ik tegen hem.
'Nee, ik moet een heel groot huis hebben,' zegt Deetje meteen.
'Precies!' zeg ik.
'Ja, en dan gaan we élke dag friet eten, pizza en pannenkoeken,' gaat ze door.
'En chips eten bij de borrel,' zegt haar vriend. 'Heel veel chips.'
Dat vindt Deetje allemaal prima klinken.
'Gaan jullie alleen maar eten later?' vraag ik.
Nee, ze gaan ook spelen, vertelt Deetje.
'Wij niet, Deetje,' roept haar aanstaande. 'Onze báby's gaan dan spelen. We krijgen twee baby's toch?'
'Jij niet,' zegt Deetje. 'Ik.'
'De twee meisjes krijgen allebei een baby,' zegt hij.
'Maar de baby is dan niet alléén van mij hoor,' zegt Deetje, 'de baby is óók van jou.'
De toekomst is uitgestippeld als we bij de theaterschool aankomen.