Ik was op de boekpresentatie van het boek dat Wim Brands samenstelde, De Nederlandse literatuur van de 21ste eeuw, de nieuwe schrijvers van het nieuwe millennium. Daarin was een stuk van Lastmens opgenomen. Dat is leuk. Al had ik liever een stuk uit mijn laatste boek daar zien staan. Maar het is niet mijn keuze natuurlijk.
Het was in de Tolhuistuin. Omdat ik iets later kwam, stond ik buiten te luisteren. Ik volgde het gebeuren door open deur en licht beslagen ramen. Een hok vol schrijvers en aanverwanten. Beangstigend veel, beangstigend dicht bij elkaar. Na het programma was het feestje. We hadden het over mensen waarmee je beter niet om kunt gaan, omdat je je aan ze gaat spiegelen. We hadden het over wie het met wie deed. Tjonge jonge, dacht ik. En: nou, nou.
We hadden het over de toekomst. Het vergeten worden. Je naam die nog weleens opduikt in obscure lijstjes. Veel later - toen ik het klappertanden niet meer kon stoppen - merkte ik pas dat ik tot op het bot koud geworden was. Het vuur in de vuurkorf was gedoofd nog voor het goed en wel gebrand had.
Toen ik vanmorgen de biografieën bekeek, bij mijn naam, zag ik dat De weg naar zee (2013) er niet bij stond.
donderdag 5 maart 2015
zondag 1 maart 2015
Dat jullie me zagen.
Zondagochtend. We lezen kranten, de zon schijnt, de ontbijtspullen staan al uren op tafel. De zusters spelen met barbies op het kleed. Allebei apart. Een half uitgepakte koffer op de vloer. We zijn gisteravond teruggekomen van een paar dagen Vlieland.
'Mag ik meespelen?' vraagt het kleine zusje dan.
'Nee!'
'Mag ik even meespelen?'
'Ik speel nu niet met jou.'
'Heel even.'
'Nee, ik wil niet met jou spelen.'
Het kleine zusje zet haar barbie recht voor de twee barbies die haar grote zus in haar hand heeft.
'Alléén dat ik keek en dat jullie me zagen,' zegt ze.
'Mag ik meespelen?' vraagt het kleine zusje dan.
'Nee!'
'Mag ik even meespelen?'
'Ik speel nu niet met jou.'
'Heel even.'
'Nee, ik wil niet met jou spelen.'
Het kleine zusje zet haar barbie recht voor de twee barbies die haar grote zus in haar hand heeft.
'Alléén dat ik keek en dat jullie me zagen,' zegt ze.
vrijdag 27 februari 2015
Weer thuis
De dames van de notenwinkel in mijn oude buurt. Ik was hier inmiddels vijf jaar weg en herkende ze meteen bij binnenkomst. (Ik herinnerde me zelf nog het klemmen van de deur. Je moest er een bepaald duwtje tegenaan geven.) Hun haar was veel lichter. Ze waren van aubergine naar blond gegaan.
De dames gaven - zoals gewoonlijk - totaal geen sjoege. Dat was niet gek. Ze waren heel aardig, maar in de twaalf jaar dat ik bij hen kwam, hadden ze nooit blijk gegeven van enige herkenning. (Ik ben van naturen een afstandelijk type, maar aan die twee kan ik niet tippen.)
Het gekke was dat ik in die allereerste flits al zag dat ze dood waren. Er was iets in hen gestorven. De problemen die het leven met zich meebracht waren hen te veel geworden. Nu stonden er twee doden achter de toonbank.
Ik bestelde twee ons pecannoten. Omdat ik dat vroeger ook altijd kocht.
'Hebben jullie geen brood meer?' vroeg ik.
'O nee, al járen niet meer,' zei de ene.
'Nee,' zei de ander. 'Anders nog iets?'
'Nee,' zei ik.
De dames gaven - zoals gewoonlijk - totaal geen sjoege. Dat was niet gek. Ze waren heel aardig, maar in de twaalf jaar dat ik bij hen kwam, hadden ze nooit blijk gegeven van enige herkenning. (Ik ben van naturen een afstandelijk type, maar aan die twee kan ik niet tippen.)
Het gekke was dat ik in die allereerste flits al zag dat ze dood waren. Er was iets in hen gestorven. De problemen die het leven met zich meebracht waren hen te veel geworden. Nu stonden er twee doden achter de toonbank.
Ik bestelde twee ons pecannoten. Omdat ik dat vroeger ook altijd kocht.
'Hebben jullie geen brood meer?' vroeg ik.
'O nee, al járen niet meer,' zei de ene.
'Nee,' zei de ander. 'Anders nog iets?'
'Nee,' zei ik.
maandag 23 februari 2015
Kindertijd
Om drie uur vanmiddag besteld en nog niet eens drie kwartier later viel Kindertijd van Nathalie Sarraute bij mij op de mat. Over de kindertijd van de schrijfster, opgetekend op drieëntachtigjarige leeftijd.
Ik zit naast het bad op een houten trapje. Het vierjarige meisje zit erin en speelt wat met een plastic paard.
'Kom jij dan bij mij in de badkamer zitten, mama?' had ze gevraagd.
Eerst ging ik voor de badkamer op de grond zitten.
'Nee, er in,' zei ze. 'Met mij samen.'
'Ja, dat is goed.' Ik pakte Kindertijd op.
'Dan kan ik jou vertellen wat ik vandaag allemaal precies gedaan heb!'
'Ja, leuk.' Ik liet het boek nog even op mijn schoot liggen. 'Nou, wat heb je vandaag allemaal gedaan?'
Ze begon te vertellen dat ze een circus hadden gemaakt. Ze had de handstand en de radslag geoefend maar dat kon ze nog niet alleen. Ze had een boterham met appelstroop gegeten, eentje met plakjes worst en een cracker met smeerkaas. Ze had het meest van de tijd met T. gespeeld maar ook met N. en K. Ze had dit armbandje gemaakt dat nu om haar pols zat, dat zou ze er pas afhalen als ze negen was.
Het meisje zou later opschrijven dat ze, hoewel nog geen vijf jaar oud, zich ervan bewust was dat ze dóór moest praten omdat ze wist dat moeder, zodra ze stilviel, in het boek zou verdwijnen. Of erger nog: gewoon de badkamer uitliep.
De spiegels waren beslagen. De ruimte was mistig. Maar ze kon haar nog zo uittekenen. Het boek op schoot dat steeds heen en weer wiebelde omdat ze haar benen nooit stilhield. Moeder had weer zo'n rare knot bovenop haar hoofd, zoals elke avond. Ze glimlachte wel lief naar haar.
Ik zit naast het bad op een houten trapje. Het vierjarige meisje zit erin en speelt wat met een plastic paard.
'Kom jij dan bij mij in de badkamer zitten, mama?' had ze gevraagd.
Eerst ging ik voor de badkamer op de grond zitten.
'Nee, er in,' zei ze. 'Met mij samen.'
'Ja, dat is goed.' Ik pakte Kindertijd op.
'Dan kan ik jou vertellen wat ik vandaag allemaal precies gedaan heb!'
'Ja, leuk.' Ik liet het boek nog even op mijn schoot liggen. 'Nou, wat heb je vandaag allemaal gedaan?'
Ze begon te vertellen dat ze een circus hadden gemaakt. Ze had de handstand en de radslag geoefend maar dat kon ze nog niet alleen. Ze had een boterham met appelstroop gegeten, eentje met plakjes worst en een cracker met smeerkaas. Ze had het meest van de tijd met T. gespeeld maar ook met N. en K. Ze had dit armbandje gemaakt dat nu om haar pols zat, dat zou ze er pas afhalen als ze negen was.
Het meisje zou later opschrijven dat ze, hoewel nog geen vijf jaar oud, zich ervan bewust was dat ze dóór moest praten omdat ze wist dat moeder, zodra ze stilviel, in het boek zou verdwijnen. Of erger nog: gewoon de badkamer uitliep.
De spiegels waren beslagen. De ruimte was mistig. Maar ze kon haar nog zo uittekenen. Het boek op schoot dat steeds heen en weer wiebelde omdat ze haar benen nooit stilhield. Moeder had weer zo'n rare knot bovenop haar hoofd, zoals elke avond. Ze glimlachte wel lief naar haar.
zaterdag 21 februari 2015
Vragen
Deetje verkeert in de veronderstelling dat ze een onderbroek aan had toen ze geboren werd. (En dat haar vader een bloesje droeg toen hij ter wereld kwam.)
'Nee, je had geen onderbroek aan,' zeg ik.
'O.'
'Hoe moest die onderbroek nou in mijn buik terechtkomen?' zeg ik. 'Had ik die soms eerst in moeten slikken.'
'Had jij mij eerst ingeslikt dan?'
'Als je winkelmeneer of mevrouw wil worden,' zegt Deetje, 'hoe kom je dan aan alle spullen voor in je winkel? Hoe?'
'Die moet je kopen bij de groothandel.'
'Wat is dat?'
'Ook een soort winkel.'
'O,' zegt ze. 'Maar waar komen die spullen dan vandaan?'
'Nee, je had geen onderbroek aan,' zeg ik.
'O.'
'Hoe moest die onderbroek nou in mijn buik terechtkomen?' zeg ik. 'Had ik die soms eerst in moeten slikken.'
'Had jij mij eerst ingeslikt dan?'
'Als je winkelmeneer of mevrouw wil worden,' zegt Deetje, 'hoe kom je dan aan alle spullen voor in je winkel? Hoe?'
'Die moet je kopen bij de groothandel.'
'Wat is dat?'
'Ook een soort winkel.'
'O,' zegt ze. 'Maar waar komen die spullen dan vandaan?'
woensdag 18 februari 2015
Het geweldige aan het korte verhaal
Het geweldige aan het schrijven van een kort verhaal is
dat het niet zo lang duurt als het schrijven van b.v. een korte roman.
Vóórdat je je eigen schrijfsel totaal af hebt kunnen
fakkelen is het verhaal al af. Voordat je je zelfgecreëerde wereld spuugzat bent
geworden, zit je alweer in een heel andere wereld. Met nieuwe perspectieven.
Het geweldige aan het schrijven van een kort verhaal is
dat het meer aan de verbeelding overlaat, je meer uit kunt proberen, je wendbaarder bent, en vooral dat je veel kunt suggereren.
Je begint ergens halverwege, stopt halverwege en dan zoekt
de lezer het maar uit. Of de lezer zoekt
het niet uit.
Je zit niet ál te lang opgescheept met dezelfde figuren
en hun (on)doorgrondelijke drijfveren. Dat is belangrijk, want je moet wel van ze blijven houden. Ook in een paar regels kun je een personage scheppen
met een mogelijk verleden, heden en een toekomst. Voor de goede verstaander dan.
Het lezen vereist misschien meer concentratie, maar wat wil je als schrijver uiteindelijk anders dan een oplettende lezer?
Het geweldige aan het schrijven van een kort verhaal is
dat je steeds opnieuw mag beginnen. Je hoeft die lange adem niet te hebben, je
mag gewoon lekker kortademig zijn. Je hoeft je niet vast te houden aan één idee, maar mag je steeds in iets anders verdiepen.
Je gelooft in de woorden op je scherm. Op dat moment. Voor de tijd dat het duurt.
Precies lang genoeg om de betovering niet te verbreken.
Het gaat om kleine, onderlinge samenhang. Je hoeft geen
grote verbanden te leggen die er in de werkelijkheid ook niet zijn.
Daarnaast is het genre geknipt voor deze tijd.
Het geweldige aan het lezen van een kort verhaal is namelijk
óók dat het niet zo lang duurt. Maar dat het bij een goed kort verhaal toch
voelt alsof je een hele roman gelezen hebt. De verhalen van Alice Munro lezen stuk
voor stuk als romans. De wereld die zij in twintig pagina’s weet op te roepen is
vaak net zo groot en complex als een vuistdikke roman. Met dit verschil dat er
geen woord teveel in staat, de spanningsboog nooit verslapt. Het stilistisch
beter is. Compacter. Krachtiger.
Het geweldige aan het lezen van een korte verhalenbundel
is dat je ze niet allemaal achter elkaar hoeft te lezen, maar dat het wel màg.
Een van de laatste bundels die ik las was Hier wonen ook mensen van Rob van
Essen. Die verhalen kon ik niet
wegleggen, letterlijk, op het laatst zat ik in het park het titelverhaal te
lezen, het werd al donker, het begon te regenen, en ik bleef zitten.
De leeservaring veroorzaakte datgene waar al de
personages volgens de achterflap naar op zoek waren. Geluk, verlossing,
verlichting.
Het minder geweldige
van het lezen - en soms ook van het
schrijven - van het korte verhaal is misschien dat je meer wil. Door wil gaan. Niet halverwege wil stoppen. Maar dat is met
alles wat goed is.
Kortom: ik zie
alleen maar voordelen. Het enige jammere: dat niet iedereen die ziet.
Lezers bijvoorbeeld, boekhandelaren, uitgevers.
Je raakt die dingen tot op heden aan de straatstenen niet kwijt.
Toen ik een tijd terug tegen mijn uitgever zei dat ik misschien een verhalenbundel wilde maken, antwoordde ze: ‘Dat gaan we nú niet doen, hè? Ik wil van jou eerst een lijvige roman.’
Ik begreep dat wel.
Al is een kort verhaal geen oefening voor het schrijven van een roman, geen opmaat naar meer, maar een kunstvorm op
zichzelf. Ook dát ziet nog niet iedereen zo.
Het is wachten op de dag dat schrijvers voorstellen doen
voor lijvige romans en dat uitgevers zeggen: ‘Dat gaan we nu niet doen, hè? Ik
wil van jou eerst een bundel met korte verhalen.’
Een soortgelijk proces moet met de lezers geschieden.
Dan zijn we er. Wat het korte verhaal in Nederland
betreft.
dinsdag 17 februari 2015
Bewijs
Ook vandaag komt er hoog gegil van boven zodra Jeetje na school haar slaapkamer betreedt. De playmobilpoppetjes staan alweer heel ergens anders, echt waar. Vandaag is het zwangere poppetje aan de wandel geweest.
Kom nu kijken! roept ze.
Ik kom pas kijken als het ze is bevallen, roep ik, als de plastic buik weg is en het truitje los om haar lijf hangt.
Ook de schoonmaker zegt dat het hier spookt. De brievenbus kleppert zonder reden. Hij hoort voetstappen op de trap als er niemand thuis is.
Het is een nieuwbouwhuis, er zit geen ziel in, zeg ik, hier gebeurt zeker niks.
Hoe weet jij dat zo zeker?'
Spoken bestaan niet, zeg ik, alleen in je hoofd kan het spoken.
Heb jij daar bewijs voor?
Abonneren op:
Posts (Atom)