Het is maandag. Dat weet ik nog. Maar de woordvindproblemen verergeren. Daarnet zocht ik minutenlang naar het woord 'illustraties' en alleen 'artificaties' zong door mijn hoofd.
De artificaties zijn heel mooi geworden.
Zo gaat het met veel meer woorden, alleen zijn die al uit mijn geheugen verdwenen. Ik kan nog geen drie zinnen spreken of schrijven zonder er eentje kwijt te zijn.
Het focussen wordt ook duidelijk lastiger. Terwijl ik dit schrijf, ben ik tegelijkertijd de nieuwe Rabo Scanner aan het uitproberen, ik probeer iets te uploaden voor een freelancer bestand, ik gooi oude papieren over lesgeven weg, schrijf data op in mijn agenda, hoop tevergeefs de stem van ene Alain Bashung te horen en denk aan citroengras.
De laatste dagen is ook iedere kat een lookalike van onze Ronnie.
Jonge dementie begint rond mijn leeftijd. Ik heb thuis doorgegeven dat ik euthanasie wil zodra het moment daar is gekomen dat ik maar blijf zoeken en zoeken naar de naam van die twee leuke meisjes die voor me staan.
Hoewel ik gisteren nog een gezicht van een jonge man herkende bij wie we koffie bestelden.
'Hee, ik ken jou,' riep ik uit.
'O ja?' Hij nam de bestelling op en vertrok verder geen spier.
'Het zal wel niet.'
Toen hij ons de koffie bracht, vroeg hij: 'maar waar ken je mij dan van?'
'Jij bent toch schrijver?'
Hij knikte bedachtzaam en wachtte tot ik het betreffende werk zou noemen waarvan ik genoten had.
Het is eervol om als schrijver herkend te worden, realiseerde ik. Maar wat hij geschreven had wist ik niet. Was het een dichter, essayist, een romancier? Geen idee.
Ik keek hem aan. Hij wachtte.
'Ik heb een keer met je over sex gepraat,' moest ik uiteindelijk wel zeggen.
'O, ik onthou geen gezichten.' Met het lege dienblad op z'n hand liep hij weg.
maandag 24 augustus 2015
dinsdag 18 augustus 2015
Zoeken naar Ronnie
Na vier weken afwezigheid is Ronnie, onze zwarte kater, een paar straten verderop gesignaleerd maar hij blijkt schuw geworden. Hij mauwt heel anders en doet alsof hij ons niet meer kent. Hij verstopt zich onder geparkeerde auto's. Misschien omdat het regent. Ronnie en ik spelen verstoppertje. Ik lig steeds naast de auto waaronder hij ligt, als een waakhond, zijn naam zachtjes prevelend, en toch weet hij er weer tussenuit te knijpen en onder een andere auto te gaan liggen. Ik lok hem met brokjes. Karakterverandering, psychisch niet in orde, Ronnie heeft rust nodig, zoveel is duidelijk. We moeten Ronnie veiligheid bieden.
'Haal je vader,' zeg ik tegen Jeetje.
Vader komt en grijpt hem.
We weten hem in een plastic curverdoos te stoppen en dragen hem naar huis. Zijn zusje blaast meteen naar hem. Ronnie gaat naar boven verstopt zich onder ons bed. Er is niets over van onze macho.
'Het is Ronnie niet,' zegt Man.
'Wat een onzin,' zeg ik, 'natuurlijk is het Ronnie.'
'Hij had niet zo'n lange nek,' zegt Jeetje.
'Ik weet het niet,' zegt Deetje als ze thuiskomt. 'Hij is wèl lief.'
Ik blijf volhouden dat het Ronnie is, oké Ronnie is Ronnie niet meer, maar dat ligt aan zijn geestelijke toestand. Onze stem klinkt allemaal weleens anders. Maar in de nacht houdt Ronnies vreemde geluid me uit mijn slaap. En als we oog in oog staan, Ronnie en ik in de duisternis, kijk ik in zijn ogen als schoteltjes. Grote knikkers staren me aan. Waar zijn die geniepige spleetoogjes van hem? We zijn elkaar wezensvreemd. Ik haal het schaakbord weg dat voor het kattenluik stond.
De volgende ochtend is deze Ronnie verdwenen.
'Haal je vader,' zeg ik tegen Jeetje.
Vader komt en grijpt hem.
We weten hem in een plastic curverdoos te stoppen en dragen hem naar huis. Zijn zusje blaast meteen naar hem. Ronnie gaat naar boven verstopt zich onder ons bed. Er is niets over van onze macho.
'Het is Ronnie niet,' zegt Man.
'Wat een onzin,' zeg ik, 'natuurlijk is het Ronnie.'
'Hij had niet zo'n lange nek,' zegt Jeetje.
'Ik weet het niet,' zegt Deetje als ze thuiskomt. 'Hij is wèl lief.'
Ik blijf volhouden dat het Ronnie is, oké Ronnie is Ronnie niet meer, maar dat ligt aan zijn geestelijke toestand. Onze stem klinkt allemaal weleens anders. Maar in de nacht houdt Ronnies vreemde geluid me uit mijn slaap. En als we oog in oog staan, Ronnie en ik in de duisternis, kijk ik in zijn ogen als schoteltjes. Grote knikkers staren me aan. Waar zijn die geniepige spleetoogjes van hem? We zijn elkaar wezensvreemd. Ik haal het schaakbord weg dat voor het kattenluik stond.
De volgende ochtend is deze Ronnie verdwenen.
zondag 16 augustus 2015
Kunst
Jeetje (10) betaalt haar eigen paardrijles door achter glas te zitten. In ondergoed. Ze heeft al in allerlei Europese steden gezeten en is er zelfs een keer voor naar Canada gevlogen.
Ik heb het daar natuurlijk niet over op deze plek want het zou weleens verkeerd uitgelegd kunnen worden.
Goed, ze zit samen met haar vader achter het raam. Bij hem op schoot. En ook hij draagt alleen een onderbroek. Of maakt dat beeld het juist dubieuzer?
Twee dagen geleden, in Kopenhagen, zag ik ze voor het eerst live in hun glazen kooi, iets smaller en hoger dan een telefooncel, op een druk plein aan een doorgaande winkelstraat. Met de ijzeren rolluiken nog gesloten was het een onopvallend ding waaraan iedereen argeloos voorbijliep. Alleen Deetje (5) en ik zaten op het muurtje bij de fontein vol spanning te wachten.
Het moment waarop de luiken voor het eerst omhoog gingen en de passanten stil bleven staan, keken. Nog eens keken. Eropaf liepen. Fronsten. Hun fototoestellen en telefoons op hen richtten. Op mijn dochter. Haar uitstekende schouderbladen, haar ribben, de ruggengraat, het littekentje van een hondenbeet, de schrammetjes, een blauwe plek op haar hiel omdat ze zich die ochtend aan een stoelpoot gestoten had. Binnen een mum van tijd had zich een menigte om het hokje verzameld.
‘Ja hee! Zo kan ik niets meer zien!’ zei Deetje en sprong van het muurtje. Ze liep er naartoe.
Man las voor uit een groot Deens sprookjesboek van Andersen, waar een boek van Tonke Dragt in geplakt was. Jeetje keek steeds iemand uit het publiek strak aan. Ernstig. Vader en dochter zaten hoog. Ze waren van het ene op het andere moment Kunst geworden. Artiesten waarnaar je van een afstand keek. Onderdeel van een kunstproject van een Nederlandse kunstenaar. Tien dagen lang, elke dag een ander confronterend beeld in de kooi.
Deetje stond met haar neus tegen het glas naar haar vader en grote zus te kijken.
‘Jij mag niet dichtbij komen,’ zei ik en trok haar terug.
‘Waarom mag ik niet dichtbij komen?’
‘Jeetje moet serieus blijven kijken,’ zei ik, ‘ze moet lachen als ze jou ziet en ze mag niet lachen.’
‘Waarom mag ze niet lachen?’
‘Dit is een kunstproject,’ zei ik.
‘Aha,’ zei ze. ‘Maar ik wil dat niet, hè? Ik wil daar niet in.’
‘Dat hoef jij ook niet.’
Na tien minuten gingen de luiken naar beneden om twee minuten later weer omhoog te gaan.
En toen gingen Deetje en ik snel weg van het kunstproject om ze zes uur later weer op te halen. Toen waren ze weer normaal.
Ik heb het daar natuurlijk niet over op deze plek want het zou weleens verkeerd uitgelegd kunnen worden.
Goed, ze zit samen met haar vader achter het raam. Bij hem op schoot. En ook hij draagt alleen een onderbroek. Of maakt dat beeld het juist dubieuzer?
Twee dagen geleden, in Kopenhagen, zag ik ze voor het eerst live in hun glazen kooi, iets smaller en hoger dan een telefooncel, op een druk plein aan een doorgaande winkelstraat. Met de ijzeren rolluiken nog gesloten was het een onopvallend ding waaraan iedereen argeloos voorbijliep. Alleen Deetje (5) en ik zaten op het muurtje bij de fontein vol spanning te wachten.
Het moment waarop de luiken voor het eerst omhoog gingen en de passanten stil bleven staan, keken. Nog eens keken. Eropaf liepen. Fronsten. Hun fototoestellen en telefoons op hen richtten. Op mijn dochter. Haar uitstekende schouderbladen, haar ribben, de ruggengraat, het littekentje van een hondenbeet, de schrammetjes, een blauwe plek op haar hiel omdat ze zich die ochtend aan een stoelpoot gestoten had. Binnen een mum van tijd had zich een menigte om het hokje verzameld.
‘Ja hee! Zo kan ik niets meer zien!’ zei Deetje en sprong van het muurtje. Ze liep er naartoe.
Man las voor uit een groot Deens sprookjesboek van Andersen, waar een boek van Tonke Dragt in geplakt was. Jeetje keek steeds iemand uit het publiek strak aan. Ernstig. Vader en dochter zaten hoog. Ze waren van het ene op het andere moment Kunst geworden. Artiesten waarnaar je van een afstand keek. Onderdeel van een kunstproject van een Nederlandse kunstenaar. Tien dagen lang, elke dag een ander confronterend beeld in de kooi.
Deetje stond met haar neus tegen het glas naar haar vader en grote zus te kijken.
‘Jij mag niet dichtbij komen,’ zei ik en trok haar terug.
‘Waarom mag ik niet dichtbij komen?’
‘Jeetje moet serieus blijven kijken,’ zei ik, ‘ze moet lachen als ze jou ziet en ze mag niet lachen.’
‘Waarom mag ze niet lachen?’
‘Dit is een kunstproject,’ zei ik.
‘Aha,’ zei ze. ‘Maar ik wil dat niet, hè? Ik wil daar niet in.’
‘Dat hoef jij ook niet.’
Na tien minuten gingen de luiken naar beneden om twee minuten later weer omhoog te gaan.
En toen gingen Deetje en ik snel weg van het kunstproject om ze zes uur later weer op te halen. Toen waren ze weer normaal.
dinsdag 4 augustus 2015
Deetjes wanhoop
In de kapsalon bladeren we door de Story. Deetje spelt hardop: w a n - h o o p
'Wanhoop,' zegt ze dan, haar wenkbrauwen fronsend. 'Maar wat ís wanhoop eigenlijk?'
Er staat in rode koeienletters: Estelle's wanhoop. Een mooie titel voor een verhaal. Hoe dan ook.
Maar hoe leg ik wanhoop uit. Het is geen verdriet, geen vrees, geen woede. Voordat ik het uit kan leggen, is het Deetjes beurt al. Ze wordt op een gigantisch sky-lederen kussen gezet en bekijkt zichzelf in de spiegel. Ze houdt er niet van om naar de kapper te gaan, maar na een half jaar gesteggel zitten we er dan toch. Voor de dode puntjes. Voor de kapster begint, controleert ze Deetjes enorme bos haar op nieuw leven. Haar vingers glijden systematisch door het haar.
We wachten ademloos af.
'Bingo!' roept de kapster na een tijdje. 'Neet.'
'Ik heb haar eergisteren behandeld.'
'Ik kán haar wel knippen, maar ik moet haar eerst behandelen, mevrouw!'
'Oké, dat is prima.'
Ze kijkt nog even verder. 'Best véél neten!' roept ze dan.
Deetjes spiegelbeeld bijt op haar lip. Ze wil niet huilen, maar de tranen biggelen al over haar wangen. Ze snikt zachtjes en schokschoudert daarbij licht.
'Ach pop! Je hoeft niet te huilen hoor!' schreeuwt de kapster. 'Het is niet erg! Het is helemáál niet erg. Je hoeft je niet te schamen. Het komt alléén op schoon haar voor. Jij hebt dus heel erg schone haartjes, pop, moet je maar denken! Je hoeft je to-taal niet te schamen. Niet huilen!' toetert ze door de zaak.
'Wanhoop,' zegt ze dan, haar wenkbrauwen fronsend. 'Maar wat ís wanhoop eigenlijk?'
Er staat in rode koeienletters: Estelle's wanhoop. Een mooie titel voor een verhaal. Hoe dan ook.
Maar hoe leg ik wanhoop uit. Het is geen verdriet, geen vrees, geen woede. Voordat ik het uit kan leggen, is het Deetjes beurt al. Ze wordt op een gigantisch sky-lederen kussen gezet en bekijkt zichzelf in de spiegel. Ze houdt er niet van om naar de kapper te gaan, maar na een half jaar gesteggel zitten we er dan toch. Voor de dode puntjes. Voor de kapster begint, controleert ze Deetjes enorme bos haar op nieuw leven. Haar vingers glijden systematisch door het haar.
We wachten ademloos af.
'Bingo!' roept de kapster na een tijdje. 'Neet.'
'Ik heb haar eergisteren behandeld.'
'Ik kán haar wel knippen, maar ik moet haar eerst behandelen, mevrouw!'
'Oké, dat is prima.'
Ze kijkt nog even verder. 'Best véél neten!' roept ze dan.
Deetjes spiegelbeeld bijt op haar lip. Ze wil niet huilen, maar de tranen biggelen al over haar wangen. Ze snikt zachtjes en schokschoudert daarbij licht.
'Ach pop! Je hoeft niet te huilen hoor!' schreeuwt de kapster. 'Het is niet erg! Het is helemáál niet erg. Je hoeft je niet te schamen. Het komt alléén op schoon haar voor. Jij hebt dus heel erg schone haartjes, pop, moet je maar denken! Je hoeft je to-taal niet te schamen. Niet huilen!' toetert ze door de zaak.
vrijdag 24 juli 2015
Kalmerende spray
Gisteravond na tienen dwaalde ik zachtjes fluitend, met mijn tong klakkend, door het Diemerpark en als er niemand aankwam, riep ik op hoge toon zijn naam. In mijn ooghoeken steeds opnieuw iets zwarts. Maar dan was het weer een kraai, of een konijn. Nooit Ronnie.
Deze ochtend bezocht ik het Dierenpunt voor advies.
‘Hij is nu alweer vijf dagen weg,’ zei ik. ‘Heeft u enig idee waarom Ronnie dat doet.’
‘Tja,’ zei de mevrouw, ‘dat kan al aan hele kleine dingen liggen. Misschien kan hij het niet met de andere poes vinden.’
‘O juist wel, Ronnie en zijn zus spelen altijd samen. Of denkt u dat ze ruzie hebben?’
‘Het kan ook heel goed zijn dat hij iets in uw huis niet zo fijn vindt.’
‘Ja, hij is wel heel gevoelig denk ik.’
‘Soms is het alleen al de verplaatsing van een voerbakje,’ zei de mevrouw, ‘of als u andere werktijden heeft.’
‘Nu u het zegt! Het is begonnen toen ik een week naar Duitsland ging,’ zei ik, ‘sindsdien is hij steeds weg.’
‘Daar heb je het al,’ zei de mevrouw.
‘Ronnie en ik zijn wel heel close.’
‘Het zou goed kunnen,’ zei de mevrouw, ‘dat hij daarom vertrokken is. Als u weg bent, voelt hij zich onveilig.’ Ze gaf me een folder mee over een spray met een geruststellende werking. Door een hoge concentratie geruststellende feromonen, kan ik mijn kat extra ondersteunen in ‘zijn veilige haven’.
‘Hij is nu alweer vijf dagen weg,’ zei ik. ‘Heeft u enig idee waarom Ronnie dat doet.’
‘Tja,’ zei de mevrouw, ‘dat kan al aan hele kleine dingen liggen. Misschien kan hij het niet met de andere poes vinden.’
‘O juist wel, Ronnie en zijn zus spelen altijd samen. Of denkt u dat ze ruzie hebben?’
‘Het kan ook heel goed zijn dat hij iets in uw huis niet zo fijn vindt.’
‘Ja, hij is wel heel gevoelig denk ik.’
‘Soms is het alleen al de verplaatsing van een voerbakje,’ zei de mevrouw, ‘of als u andere werktijden heeft.’
‘Nu u het zegt! Het is begonnen toen ik een week naar Duitsland ging,’ zei ik, ‘sindsdien is hij steeds weg.’
‘Daar heb je het al,’ zei de mevrouw.
‘Ronnie en ik zijn wel heel close.’
‘Het zou goed kunnen,’ zei de mevrouw, ‘dat hij daarom vertrokken is. Als u weg bent, voelt hij zich onveilig.’ Ze gaf me een folder mee over een spray met een geruststellende werking. Door een hoge concentratie geruststellende feromonen, kan ik mijn kat extra ondersteunen in ‘zijn veilige haven’.
Mijn gezin daarentegen ziet er op de camping foto’s die ik binnenkrijg, extreem goed uit. Meer ontspannen en blij dan ik ze in jaren gezien heb. Allemaal. Het is zelfs de vraag óf ik Deetje wel ooit eerder zo open en gelukkig zag. Een ander kind. Alsof er een last van haar schouders is gevallen.
Het komt er bij ons thuis op neer dat alleen Ronnie zich onveilig voelt als ik er niet ben. Op de anderen lijkt mijn afwezigheid juist een tegenovergestelde uitwerking te hebben. Daar kan geen relax spray tegenop.
Het komt er bij ons thuis op neer dat alleen Ronnie zich onveilig voelt als ik er niet ben. Op de anderen lijkt mijn afwezigheid juist een tegenovergestelde uitwerking te hebben. Daar kan geen relax spray tegenop.
‘Het kan goed zijn dat jullie een entiteit in huis hebben,’ zei een vriendin van mijn moeder. ‘Dat ze thuis daarom zo veel agressiever zijn. Kinderen zijn heel gevoelig.’
‘Ja,’ zei ik.
‘Zal ik de entiteit weghalen?’ vroeg ze. ‘Daar ben ik voor bevoegd.’
‘Kan dat ook op afstand?’
‘Ja,’ zei ze. ‘Dat kan heel goed.’
Dat mag ze van mij best doen. Maar ik vrees dat ik de entiteit ben in dezen, die weggehaald dient te worden. (Floep..weg was ik.)
‘Ja,’ zei ik.
‘Zal ik de entiteit weghalen?’ vroeg ze. ‘Daar ben ik voor bevoegd.’
‘Kan dat ook op afstand?’
‘Ja,’ zei ze. ‘Dat kan heel goed.’
Dat mag ze van mij best doen. Maar ik vrees dat ik de entiteit ben in dezen, die weggehaald dient te worden. (Floep..weg was ik.)
maandag 20 juli 2015
Geloof
'Veel stoornissen hebben te maken met zekerheid. Of althans met een gebrek aan zekerheid. Filosofisch gezien is het de mens onmogelijk om ergens zeker van te zijn. Elke vorm van zekerheid berust op het geloof dat er iets zeker is.'
Dit zegt psychiater en filosoof D. Denys in NRC weekendbijlage. Nu ben ik nergens zeker van, en het is fijn dat dát blijkbaar klopt (filosofisch gezien dan).
Wat rest is weer dat merkwaardige woordje 'geloof'. Hoe langer ik over dat woord nadenk, hoe onwaarschijnlijker het me voorkomt. Hoe fictiever alles wordt.
Dit zegt psychiater en filosoof D. Denys in NRC weekendbijlage. Nu ben ik nergens zeker van, en het is fijn dat dát blijkbaar klopt (filosofisch gezien dan).
Wat rest is weer dat merkwaardige woordje 'geloof'. Hoe langer ik over dat woord nadenk, hoe onwaarschijnlijker het me voorkomt. Hoe fictiever alles wordt.
zondag 19 juli 2015
Egocentrisch
Een verhaal van Lorrie Moore om de dag mee te beginnen uit de bundel Vogels van Amerika. Het eerste wat ik van haar lees. In dat ene verhaal weet ze me hardop te laten lachen, meteen daarna in tranen te krijgen, en ik heb m'n eerste koffie nog niets eens op. Dat is wat een verhaal op z'n best kan doen. Op mijn telefoon komt een foto binnen van Deetje met een indianenvlecht op een Franse theatercamping. Een foto van hun drieën voor de tent. Zij daar. Ik hier. De drie meter lange keukentafel is bezaaid met papieren - de verschillende versies duizelen - en overal liggen boeken. Beneden het ene verhaal afmaken, voor ik naar boven ga, naar m'n werkkamer voor het andere verhaal.
In mijn hoofd een dagindeling waarmee ik nu al niet meer synchroon loop. Maar dat geeft niet. Een dag die je helemaal zelf te besteden hebt, lijkt veel langer. Maar toch is het nu alweer 10.31 u. Een kleine week die ik op eigen wijze door kan brengen, m'n volkomen egocentrische eigen wijze, in m'n volkomen egocentrische eigen wereld. En dan de trein naar een plaatsje in Bretagne waar de werelden weer samen zullen komen.
In mijn hoofd een dagindeling waarmee ik nu al niet meer synchroon loop. Maar dat geeft niet. Een dag die je helemaal zelf te besteden hebt, lijkt veel langer. Maar toch is het nu alweer 10.31 u. Een kleine week die ik op eigen wijze door kan brengen, m'n volkomen egocentrische eigen wijze, in m'n volkomen egocentrische eigen wereld. En dan de trein naar een plaatsje in Bretagne waar de werelden weer samen zullen komen.
Abonneren op:
Posts (Atom)