dinsdag 22 maart 2016

Hoe ik alles verpestte


Wat ben je toch een zeur! zegt een vader tegen zijn zoontje dat gezellig kletsend voor hem uit de trap oploopt, maar na papa’s opmerking meteen stilvalt.
Ik voel het wezen van het kind gewoon in elkaar krimpen. Wat heb ik toch een teringhekel aan ouders. Ik loop zo snel ik kan die stinkende basisschool uit en denk aan gisteravond na het eten, hoe ik de vaatwasser tegelijk aan het uit en inruimen was, de keuken aan het fatsoeneren, hoe Jeetje en Deetje op de nieuwe gezellige mat eerst nog vredig de lotushouding oefenden maar hoe dat oefenen naadloos overging in schoppen, slaan en ‘ik haat je’ roepen, ik zie weer voor me hoe ik de meisjes met een gore vaatdoek in mijn hand, een foeilelijke, veel te grote spijkerbroek aan m’n reet, toe stond te schreeuwen: ‘Waarom kunnen jullie nou nooit eens een keer normaal doen! Blijf dan uit elkaars buurt! Ik word zo moe van dit gezeik steeds! Jullie verpesten alles! In plaats van mee te helpen! – hoe Deetje toen ineens vlak achter me bleek te staan, – ik struikelde over haar zoals je alleen over een hond kunt struikelen die consequent te dicht op je loopt – met de koelkastdeur in haar hand. ‘Ik ga het toetje vast pakken,’ zei ze. ‘NEE!’ Ik smeet die deur dicht. ‘NU NOG NIET. IK BEN BEZIG. DAT ZIE JE TOCH.’
Hoe ze bevroor.
Het grote ongeloof waarmee de vijfjarige me aankeek.  De bekende trillende lip, voor ze in een oprecht en heel verdrietig huilen uitbarstte. Precies op dat moment kwam vader thuis van het werk.
‘Wat is er aan de hand?’ vroeg hij.
‘Ik wilde het toetje pakken en mama wordt ineens boos op mij.’ Ze stortte zich in vaders armen. ‘Zo maar.’
‘Het is allemaal mama’s schuld!’ schreeuwde Jeetje vanaf de mat.
‘Het is jammer dat je net nu thuiskomt,’ zei ik, ‘het was gezellig. Het was hier ècht gezellig.’
‘JA, MAAR MAMA VERPESTTE ALLES!’ Jeetje begon ook te huilen.
Geen reacties

donderdag 17 maart 2016

Dat is waar ook.

Parel van wijsheid, dat is de betekenis van Deetjes (5) echte naam.
We luisteren met z'n allen naar Jeetje (10) die twee brieven voorleest van meisjes die daarin hun spijt betuigen. Ze hebben haar iets gemeens aangedaan. Ze mogen nu enkele weken niet buitenspelen in de pauze. Ze moesten van de juf allebei een brief aan haar schrijven.
Het zijn goeie doch ingewikkelde spijtbetuigingen geworden, de ene brief is oprechter dan de andere, en Jeetje is in vertwijfeling over wat vriendschap betekent, hoe ze hier het beste op kan reageren en wat ze zelf nu eigenlijk wil en voelt. Misschien wil ze een tijdje afstand houden. Misschien wil ze geen vrienden meer zijn. Maar de brieven zijn wel echt heel aardig. We hebben het er met z'n drieën over. Wij, haar ouders, proberen haar zo goed mogelijk bij te staan in deze kwestie die ook in het volwassen leven nog vaak genoeg terug zal komen. Het aanhoudende psychologische machtsspel tussen mensen. De kluwen. De tirannie. Hoe hou je je staande.
Deetje zit er een beetje bij op de bank en kijkt voor zich uit.
'Wat zou jij doen, Deetje?' vraag ik als er een stilte valt.
'Ik zou het ze vergeven,' zegt zij meteen. 'Je moet het ze gewoon vergeven, Jeetje.'
Dat is waar ook.

maandag 14 maart 2016

Schmink

M'n baldate had de jodenster van zijn grootvader in zijn binnenzak. Het thema was Duitsland. Naarmate de avond vorderde, vroegen meer en meer mensen zachtjes aan me: 'Heb je veel gedronken misschien?' In het begin zocht ik er niet zoveel achter, het leek me smalltalk over het weer, - 'Heb je veel gedronken misschien?' 'Valt wel mee, jij?', 'Valt ook wel mee,'  'Een beetje eten erin zou wel handig zijn,' 'Er zijn braadworsten,' 'O ja? Weet jij waar die braadworsten zijn misschien?' -  maar gaandeweg begon het toch op te vallen. Zo veel had ik namelijk niet gedronken. Ik had me laten make-uppen, omdat ik het zelf niet kan, m'n geweldige jukbeenderen kwamen nu nog mooier uit, en m'n ogen dan, ineens hád ik ogen, het was ongelooflijk, maar zoiets, júist zoiets als make-up, kon zich vermoedelijk ook helemaal tegen je gaan keren.
Op het Ajax-terras zei een Vlaming: 'Jij hebt je geschminkt.'
'Dat zeggen jullie zo, hè?' zei ik. 'Schmink.'
'Ja,' zei hij, 'Schminken is bij jullie iets voor clowns of niet?'
'Voor clowns ja,' zei ik.
'Moet jij geen braadworst?'
'Hoezo?'
'Zal ik je anders even naar de braadworsten brengen?'






vrijdag 11 maart 2016

Het is goed

We slapen. Het hele huis slaapt. Man, Jeetje, Deetje. In onze eigen kamers. Ik lig op mijn buik, armen en benen wijd. Dan gaat de deur van de logeerkamer open. Voetstappen op de gang. Hij gaat even naar de wc. Ik slaap gelukkig al heel lang en diep, onpeilbaar diep. Helemaal onder zeil ben ik. Schoon in het hoofd. Schoon lijf. Eerst gesport. Ik ben lekker op tijd naar bed gegaan omdat ik morgen - nu ik dit opschrijf vandaag - naar het boekenbal ga. Hij ging nog even het café in met een buurman. Ik heb hem een half uur geleden niet horen thuiskomen. Ik heb zijn naam niet zachtjes gezegd. Ik sliep. Het is goed. Gisteren heb ik een mooi vloerkleed aangeschaft. De bank op een andere plek gezet. Een huiselijk hoekje gecreëerd. Een grote bos bloemen op tafel gezet. Het is lang geleden dat het er beneden zo gezellig uitzag. Ik mag tevreden zijn. De wc wordt doorgetrokken. Zijn voeten op de oude houten gymzaalvloer. Naar links of naar rechts? ... Dan wordt de deur van de logeerkamer weer dichtgetrokken. Die moet ook goed dichtzitten, dat moet, anders komen de katten binnen. Het is goed. Zo komen we allemaal aan onze welverdiende nachtrust toe. En aan onze ontspanning. Het is zo, het hoort erbij. Het is alleen mijn hart, alsof ik net heb hardgelopen.

donderdag 10 maart 2016

Drie vliegen in één klap

'Je moet incasseren,' zegt een vriend me, 'misschien wel maandenlang incasseren. Dat is goed.'
'Makkie,' zeg ik. 'Incasseren is my middle name.'
'Incasseren en ontspannen,' zegt hij.
'Incasseren en ontsnappen,' zeg ik. 'Ben ik fabelachtig goed in.'
'Ontspánnen.'
'O. ONTSPANNEN.'
Op de fiets terug langs het water, het zonnetje schijnt, trek ik mijn schouders nog wat op. Maar thuis ga ik meteen op de vloer liggen. Gordijnen dicht om die zon tegen te gaan. Ik voel dat ik moet slapen, misschien wel máándenlang slapen. Dat zou pas goed zijn. Dat incasseert, ontspant en ontsnapt makkelijker.
Voor ik ook maar een oog dicht kan doen, gaat de deurbel. En voor ik overeind gekrabbeld ben, gaat ie alweer.
Drie vrolijke meisjes van een jaar of tien staan op de drempel te trappelen. Te kletsen. Te lachen. Lawaai te maken. Rode wangen. Strakke broeken. Paardenstaarten.
'Wát gezellig dat jullie met z'n allen hier komen spelen!' incasseer ik.

dinsdag 8 maart 2016

Hoe ik wacht

Gezeten tegenover hem, een veertiger en een vijftiger, ze zwijgen, denk ik terug aan de bruine koffer vol brieven die boven ergens ligt, die we weg moeten gooien volgens opruimcoach Marie Kondo, ritueel moeten verbranden, oude brieven zijn ballast, ze hebben hun functie gehad, er moet ruimte zijn voor de toekomst.
'Vanavond ga ik in het logeerbed slapen,' zegt hij dan.
'Ja.'
'Dan kunnen we tenminste rustig slapen. We houden elkaar wakker. Slaap is belangrijk.'
'Slaap is belangrijk.'
'Je moet er niet zo zwaar aan tillen.'
'Nee.'
Gezeten tegenover hem, - hij rechtop op een stoel, ik op de bank nog in mijn sportkleding - denk ik terug aan de eerste brief die ik op het logeerbed vond, in zijn huis in Culemborg, waar ik mocht blijven tot ik een andere kamer had, hoe ik van het ene op het andere moment dakloos was geworden, hoe ik de ochtend na de politie-inval bij mijn Surinaamse hospita met twee volle vuilniszakken naar de academie liep, op blokhakken natuurlijk, alsof het de normaalste zaak ter wereld was, ik meende als negentienjarige dat alles de normaalste zaak ter wereld moest zijn, hoe de vriendelijke jongeman mij zolang het logeerkamertje in zijn huis aanbood, hoe ik daar thuis kwam, en hoe ik toen een paar weken later de verzegelde brief op het hoofdkussen vond, geschreven op dik, lichtbruin papier, met een zwarte kroontjespen, korte onafgemaakte zinnetjes, veel puntjes, dit is een soort Sam Shepard liefdesgedicht stond er, hoe ik die brief steeds opnieuw bleef lezen, totdat ik de voordeur hoorde opengaan, ik hem oneindig lang in de keuken hoorde rommelen, hem zijn eten hoorde maken, hoe ik toen zeker wist dat hij die brief vergeten was, ik moest er ook niet te veel waarde aan toekennen, die kunsttypes waaiden alle kanten op, hoe mijn hart bonsde en ik doodstil op dat logeerbed zat en wachtte, hoe ik wachtte tot ik zijn voetstappen de trap op hoorde komen, de gang over, tot hij naast me op het bed kwam zitten, hoe we zwegen, en hij minuten later pas vroeg: 'Heb je de brief..?', hoe ik iets dichterbij hem ging zitten, nog dichterbij, hoe het niet dichtbij genoeg kon zijn.





maandag 7 maart 2016

Terugtuimeling 2

Doodstil naast elkaar gezeten op de bank in onze woonkamer, hand in hand, een veertiger en een vijftiger, ‘Let it slip away’ van Calexico speelde, dacht ik terug aan de eerste keer dat we elkaar ontmoetten. Ik was een nogal in mezelf gekeerd type van negentien, van het ontheemde soort, niet helemaal van deze wereld, woonde net een paar weken op een piepkleine kamer in een sociale huurwoning in Utrecht, bij een Surinaamse vrouw met een paar gouden tanden, er woonde ook een Marokkaanse man van een jaar of vijftig die ik soms uit haar slaapkamer zag sluipen, regelmatig dreef er een condoom in de wc, naast mij woonde de moeilijke studente Nellie die in het weekend stiekem op mijn Bevercomputer ging en op de zolder boven ons hoofd sliepen elf vluchtelingen op matjes. Ik at ‘s ochtends en ‘s avonds yoghurt met muesli en wandelende om de avond in sneltempo naar de telefooncel om mijn ouders te bellen die dan zeiden: ‘Wat doe jij zo laat nog op straat? Ga naar je kamer!’
Overdag zat ik bij doorgewinterde kunsttypes in de klas, in de pauze probeerde ik óók shag te draaien of ik dwaalde door de gangen van de theateracademie waar ik de gloednieuwe opleidingen Dramaschrijven en Literaire vorming volgde, het tweede jaar omdat er geen eerste jaar was, net te doen alsof ik daar hóórde te lopen, altijd bang teruggefloten te worden, tot op een zeker moment die flamboyante, in het wit geklede docent ook daadwerkelijk op me af kwam stormen, hij was bezemsteel lang, torende boven iedereen uit. ‘Wat doe jij hier? Jij hoort hier niet!’ zou hij gaan zeggen.
‘Maar ik studeer hier echt.’
‘Jij bent hier illegaal. Wegwezen.’
‘Nee, echt.’
Maar toen hij vlak voor me stond, twinkelende ogen over een leesbril, zei hij: ‘Hij wil je iets vragen, maar hij durft niet.’
Hij wees naar een jongeman van eind twintig die op een traptrede in de aula zat. In een veel te grote broek en veel te grote houthakkers bloes en een gigantische bos krullend haar.
‘Hij is er te schijterig voor!’ De lach van de docent was hoog en daverend. ‘Daarom doe ík het voor hem.’