donderdag 1 september 2016

Zuiverheid

Een woensdagmiddag op het Diemerstrandje. Deetje en haar vriendje groeven een kuil naast het kleed waarop ik zat. Die twee zesjarigen; het allerjongste en verreweg het allermooiste stel dat ik ken, ongelooflijk trouw, respectvol en zorgvuldig naar elkaar toe. Ze bieden elkaar altijd een luisterend oor, zijn óók begripvol als de ander een kleinood lijkt te hebben, nooit of te nimmer zullen ze een grapje maken ten koste van de ander, ze dragen zorg voor elkaar, en zijn sinds hun crèchetijd in een dialoog verwikkeld die geen einde lijkt te kennen, er bestaat bij die twee niet zoiets als sleur, ze kunnen er geen genoeg van krijgen met elkaar te spelen, een enkel meningsverschil daargelaten, wat vaak op ernstige wijze met elkaar besproken wordt, geen volwassen stel doet hen dat na.
Goed, gisteren wilde er dus een derde jongetje meedoen met het graven van die kuil. Het vriendje van Deetje werd, zo had ik hem nog nooit gezien, meteen nogal vilein naar het jongetje toe. Eigenlijk ronduit vals.
'Waarom doe je nou steeds onaardig?' vroeg ik.
'Ik weet het niet,' zei hij, 'ik voel boosheid als hij erbij komt. En daarom wil ik niet dat hij mee doet. Steeds als ik hem zie, voel ik heel veel boosheid hierbinnen. En daarom ga ik dan zo doen.'
'Ja,' zei Deetje, 'hij wil gewoon niet dat het jongetje meedoet.'


dinsdag 30 augustus 2016

De bos

Ik zit naast de roze met paarse bos bloemen - hoofdzakelijk rozen - die ik eergisteren naast de vuilnisbak vond, een paar straten verderop, nog in cellofaan, met 2 zakjes voeding, en die minstens veertig Euro gekost moet hebben. Ik was op weg naar de supermarkt, maar heb toen de bos opgeraapt en thuis in een vaas lauw water gezet, de stelen scheef afgesneden, de zakjes voeding erbij gedaan, de bloemen mooi geschikt, het lot van die bloemen trof me bovenmatig, alsof zij er ook maar iets aan kunnen doen! Zo maar weggesmeten bij het vuilnis. Tussen de gever en de ontvanger komt het voorlopig niet goed.
Maar de gigantische bos was niet ín de container gepropt. Dat dan toch niet. Er zat iets van erbarmen in de persoon - vanwege de kleur van de bos denk ik aan een vrouw - die de bloemen niet wilde/kon ontvangen, zoals moeders die hun baby te vondeling leggen, het kindje dan meestal toch naast de container leggen in plaats van erin, in de hoop dat iemand zich erom bekommert.
Zo heb ik, de held van dit verhaal, die doorgaans weinig op heeft met bossen bloemen, mij om deze bos bloemen bekommerd, die daar in de brandende zon lag te sterven.
Goed, de bloemen leven dus nog even. De grote vakantie is voorbij. Het is nu werkdag twee. Oók voor de mensen die buiten van negen tot vijf aan het heien zijn. Er wordt voor mijn neus een heel nieuw dorp op palen in het water gestampt. Jeetje zit in groep acht, Deetje in groep drie en ik ben groeploos, ik moet mijzelf richting zien te geven. Dat zijn de feiten.

maandag 22 augustus 2016

Dan moet Ronnie het zelf maar weten

Gisterochtend hebben we Ronnie, die al zeker zes weken van huis was weggelopen, rustigjes langs het water zien wandelen. Hij zag er goed uit en leek ook wel blij om ons te zien. We hebben hem in een tas gepropt en zijn snel met hem naar huis gegaan. Toen waren we eindelijk allemaal weer bij elkaar. Met z'n allen keken we toe hoe het ontrouwe beest brokjes naar binnen schrokte. Zijn zuster besnuffelde zijn reetje even. Maar trippelde al gauw verveeld terug naar haar mandje.
Na het vreetfestijn ging Ronnie in onze tuin liggen slapen. De hele dag door heb ik gecontroleerd of hij daar nog wel lag.
'Niet schreeuwen,' zei ik tegen de kinderen, 'dat vindt Ronnie niet leuk. Dan gaat Ronnie weer weg. Willen jullie dat Ronnie weer weggaat soms?'
De kinderen deden extreem zachtjes. Steeds lag Ronnie er nog.
Maar vanmorgen was het zwarte mormel toch in geen velden of wegen meer te bekennen.
Hij is naar zijn nieuwe stekje waarschijnlijk. Naar Martje. Aan de dijk. Nog geen vijf minuten hier vandaan. Martje. Met haar enorme tuin. En haar kleine hippie huisje met de grote gele zon op de voordeur. En haar kippenren. En haar houtkachel binnen en buiten. En haar bloemenzee. En haar moestuin.
Daar is Ronnie nu liever dan bij ons.

dinsdag 26 juli 2016

Harry

De vaste telefoon gaat. Ik rol van de bank. Daar zal je Harry eindelijk hebben! Harry die zegt dat hij in de buurt is. Harry die naar mijn kapotte koelkastdeur komt kijken. Hij kon niet precies zeggen hoe laat hij kwam, maar hij heeft belooft dát hij kwam. En dan komt Harry ook. Zo'n type is het.
Er is een vrouwenstem aan de andere kant van de lijn. Harry is geen vrouw.
'Is de heer Man er ook?' vraagt de vrouw.
'Nee, die is weggelopen.'
'Pardon?'
'De heer Man is weggelopen.'
'Vandaag bedoelt u?'
'Weggelopen bedoel ik.'
'Wanneer komt hij terug?'
'Misschien wel niet meer.'
'Is er iemand anders in uw huis die beslissingsbevoegdheid heeft.'
'Nee niemand.'
'Niemand?'
'Nou ja; Harry. Maar die is er nog niet.'
'Nou, ik hoop dat de heer Man terugkomt.'
'Ja, ik hoop het ook.'
'Een fijne dag verder, mevrouw.'
'U ook, mevrouw.'







maandag 25 juli 2016

Weg

Het is maandag. ( Dinsdag nog. Woensdag. Donderdag. Vrijdag. Zaterdag.)
En de koelkastdeur hangt scheef. De kaas is warm, de boter zacht. Het ergste: de witte wijn blijft lauw. De reparateur belt niet terug. Ook de douchecabine is kapot. Het bad lekt. De badkamervloer barst.
'Ons huis valt uit elkaar,' zei Jeetje voor ze vertrokken.
'Dat is waar,' zei ik. 'Het stort langzaam in.'
Ik heb nu de tijd om te schrijven. Maar in plaats daarvan denk ik steeds aan een leuk vliegreisje voor mezelf.  Weg van de koelkastdeur die scheef hangt. Weg van het huis dat uit elkaar valt. Weg van..
Voor de rest is alles al weg.



zondag 24 juli 2016

Een kijkje achter de schermen dan maar

Mijn schoonzus merkte op: 'Je wordt de laatste tijd wel héél persoonlijk in je blog.'
Ik schrok.
Ik kon haar niet peilen door haar zonnebril. Vond ze het heel persoonlijke verwerpelijk? Hoorde ik hier de subtekst: 'Pas op je woorden jij.' Of was het niet meer dan een constatering. Een droge observatie?
'Dat is nu eenmaal zo als je met mij te maken hebt,' zei ik kortaf.
'Dus dan hebben we pech.' Ze giechelde.
In wezen wel, dacht ik. Ik vond het niet erg aardig gedacht van mezelf. Het had iets van: 'Pas maar op of ik schiet.' Dat zit er - eerlijk is eerlijk - toch óók bij. Iets links.
Ik dacht aan de bijbeltekst: 'Wat gij niet wil dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet.'
Ik dacht ook: maar ik bén niet veel persoonlijker dan anders. Het onderwerp van mijn observaties verschuift met de tijd, met de dingen die er in mijn leven gebeuren. Dit is een onrustige fase. Het is maar een splinter op een dag die ik hier opschrijf. Een splinter die ik heel bewust uitkies. Ik probeer niemand anders dan mijzelf onder de loep te leggen. En dan ook nog maar eens een klein stukje van mezelf. Ik abstraheer verschrikkelijk. In een poging van het hele persoonlijke iets universeels te maken.
Maar goed: ik leef niet alleen. Man wordt tegenwoordig inderdaad weleens op een tekstje van mij aangesproken. Terwijl hij daar niet om gevraagd heeft. Dat is zeker waar. Híj vindt het trouwens prima wat ik opschrijf. Hij weet heel goed dat Man niet meer dan een afsplitsing van hem is, en identificeert zich er nooit één op één mee. Op mijn beurt weet ik heel goed wat ik wel en niet op kan schrijven als het over ons gaat. En als ik twijfel, laat ik het eerst lezen. 'Kan dit denk je?'
Het lijkt toch op rechtvaardigen, wat ik nu aan het doen ben.
Gisteren zei een vriendin: 'Jullie leven is meteen materiaal.'
'Ja, nou ja...'
Ze zei: 'Hij zou niet eens dúrven zeggen als hij het niet prima vond.'

Ik zal even goudeerlijk zijn: in het stukje dat ik gisteren postte, waren het in werkelijkheid geen vier stoelen, maar nog een paar meer. Ik geloof zes. Als ik op zou hebben geschreven dat man een stuk of wat stoelen weghaalde, was het niets geweest. Het ging om vier min één. Ik gebruikte de stoel als symbool. Om de tekst sterker te maken, liet ik er een paar weg. Is het nu je dit weet een minder wáár stukje?
Ik wilde het gevoel van buitengesloten worden, beschrijven.
Ook zijn we vóór ze vertrokken twee nachten met z'n vieren aan zee gaan kamperen. (Met z'n vijven zelfs om de volledige waarheid te vertellen. We namen een buurmeisje mee.)
Ook zullen we nadat ze terugzijn uit Frankrijk met het gezin twee weken in de Dolomieten gaan wandelen. Als God het blieft.
Meer weet ik niet over de toekomst.

Ik lees net het interview met Hagar Peeters in Trouw, met als kop De waarheid moet je liegen. Ze zegt: 'Door de essentie eruit te halen, doe je de waarheid geweld aan. Je gebruikt wat je nodig hebt. Dat is de kunst.'

Dat is allemaal best ingewikkeld uitleggen aan mensen die daar niet hun vak van hebben gemaakt. Het is soms ook ingewikkeld als je er wel je vak van hebt gemaakt. Zo modderen we voort.



vrijdag 22 juli 2016

Och ja!

 's Morgens heel vroeg bakt ze de eitjes voor de lunch, straks, ergens langs de snelweg. Ze heeft de tassen voor de meisjes ingepakt, een dikke trui voor 's avonds als het koud wordt, genoeg t-shirts en onderbroeken voor acht dagen, sokken, ook heeft ze er een groot kleed bij gedaan, voor een huiselijke sfeer in de voortent. Nadat ze nog wat onnodige instructies heeft gegeven als - 'denk erom je moét elke dag je haren kammen anders krijgen we de knopen er niet meer uit straks, je wéét dat papa dat vergeet' - is het toch zover.
In haar nachthemd staat ze op de stoep. De te volgepakte Peugeot staat klaar, de meisjes nestelen zich op de achterbank. Ze voelt de vakantiestemming.  Maar op de plek waar zij anders zou gaan zitten, ligt nu het campingmeubilair.
'Ik bedenk me net dat ik een stoel te véél heb ingepakt.' Man stapt uit om er een weg te halen.
'Och ja! Jullie hebben er geen vier nodig.' Ze lacht.
'Nee, we zijn met drie!'
'Ja, jullie zijn met drie.'
Hij smijt de stoel in het halletje, gaat weer in de auto zitten, wil wegrijden. Er staat nog een deur wagenwijd open. Het meubilair trekt 'm niet dicht, denkt ze. Dat niet.
'De déúr staat nog open!' roept hij vanachter het stuur.
'Och ja! De deur!'  Ze duwt ertegen en zwaait. Zodra de auto de straat uit is, draait ze zich om, nog vóór ze binnen is flikkert ze over die ene stoel die daar ligt.
Ik kan er op zitten als ik wil, denkt ze.