vrijdag 6 januari 2017

Moet dit?

De bel in mijn logeerhuisje in de Pijp gaat. Man en meisjes staan voor de deur. Ik heb ze sinds maandagmiddag niet gezien. Ze zien er alledrie goed uit. Het eerste dat me opvalt is dat de zesjarige een vlecht heeft.
‘Wie heeft die vlecht bij jou gemaakt?’
‘Ik,’ zegt man.
‘Jij? Heb jij nu ineens leren vlechten?’
‘Ja!’
Dus het lange haar van de meisjes zal ook niet de doorslaggevende factor zijn die dit proces een halt toeroept.
We gaan eten bij een Thais restaurantje om de hoek. Ik kijk naar mijn gezin. We horen bij elkaar. Dat is gewoon zo. Het is gezellig. Man bestelt meteen een cocktail voor me. Ik vraag hem hoe de dagen verliepen. Heerlijk. Ook de elfjarige doet zo gezellig mogelijk. Opdat zij zeker niet degene zal zijn die de boel verstoort. En zodra haar zusje het te warm krijgt, genoeg gegeten heeft, naar huis wil om nog even te voetballen, neemt de elfjarige haar mee naar de toiletten. Onderweg kijkt ze even om. Of vader en moeder nog leuk met elkaar praten. Hoe ze erbij zitten. Ik ken die manier van kijken.
En als we weer teruglopen over de Van Woustraat, vraagt de zesjarige: ‘Ga jij niet mee? Wanneer kom jij weer naar huis, mama?’ Ik zie hoe de ruggen van de drie lieverds in het donker verdwijnen,  - de vlecht, het lange blonde haar, de krullenbol - trek dan de deur van mijn logeerhuisje dicht. Moet dit nu echt voortaan zo gaan?

maandag 2 januari 2017

Column Trouw, 31 dec


Slowscheiding

2016 was het jaar waarin ik pas echt begreep dat ik gelukkig was met mijn leven, met ons gezin in ons nieuwbouwhuis, en dat ik iets wilde doen aan ons huwelijk, het onzegbare uiteengaan.
Op drie januari zei ik: “We kunnen in relatietherapie!”
“Het vuurtje is uit.”
“We kunnen het toch proberen?”
“Maar ik wíl het niet proberen,” zei hij een paar dagen later. “Erg hè?”
2016 werd het jaar waarin man in de logeerkamer ging slapen, om de paar maanden een keer zei dat hij weg wilde, maar dan nooit ging. Waarin we op een zwoele avond in mei besloten uit elkaar te gaan, en hij direct na die beslissing weer in onze slaapkamer trok.
2016 werd het jaar waarin we veel meer contact hadden dan in 2015 en het jaar waarin man de plek innam van het boek dat ik schreef.
En net toen ik erop durfde te vertrouwen dat het de goede kant op ging, dat zijn aangekondigde vertrek imaginair bleef, een midlifedingetje misschien, verliet hij op een oktoberavond plotseling ons huis. Met z’n zwarte rugzakje rénde hij haast de straat uit, de donkerte in. Alsof hij geen andere keuze had.
“Papa gaat een paar daagjes logeren,” had hij gezegd.
Het werd het jaar waarin man naar Boven de Turk verhuisde, de eerste afspraak met de mediator stilzwijgend werd doorgestuurd, maar waarin we – alles bij elkaar genomen – precies één week echt als een gescheiden gezin hebben geleefd. De weken daarna kwam het niet uit, was het teveel gedoe, de meisjes vonden het fijner zo. Het kwam er op de een of andere manier niet zo erg van.
 “Papa is een beetje gescheiden,” zei de zesjarige.
Een slowscheiding noemt man het. Zoals hij ook degene is die aan slowcooking doet en ik het eten binnen een kwartier op tafel heb staan.
“Je bent een varkentje in de pan,” lachte mijn vriendin, “dat héél langzaam wordt gestoofd.”

Maar 2017 wordt het jaar waarin man – de eerste zeven weken - in een fijn huis woont. Van glas. Op het water. 2017 wordt het jaar waarin we starten met co-ouderschap. Afspraken. Elkaar zo min mogelijk zien. Waarin we echt beginnen met het nieuwe leven. Het jaar dat ik, voor het eerst in een kwart eeuw, niet met een kus aan man zal beginnen. En ik heb geen idee over het jaar dat voor mij ligt. Behalve dat ik dan schrijf.

vrijdag 30 december 2016

Over wie gaat het?

Op 27 december was ik te gast bij Radio EenVandaag om over dit weblog en m'n column in Trouw te praten.
Ik zit in de studio en luister naar de aankondiging. "Na het journaal hebben we Elke Geurts te gast die ontroerend schrijft over haar scheiding." Zo'n typische radiostem. Ik glimlach naar de presentator.
We wachten tot het journaal voorbij is.  Na het liedje stelt hij de schrijfster, die over het verlies van haar liefde schrijft, voor aan het radiopubliek en stelt mij de vraag of ontroering is wat ik beoog met de stukjes.
Ik hoor mezelf op de radio praten over het einde van mijn huwelijk. Ik zie mijn stukjes in de krant over het huwelijk. Ik ben op allerlei manieren bezig er iets van te maken. Het vorm te geven. Zolang het maar niet het échte leven is.
Ik moet toegeven: er zijn de laatste tijd verdacht veel mensen om me heen die het over mijn scheiding hebben. Mensen die me mailen over mijn scheiding. Maar ik heb, als ik heel eerlijk ben, helemaal niet het idee dat ik echt ga scheiden.
'Dit doe jij expres, hè?' zeg ik tegen man. 'Zodat ik deze stukjes kan schrijven. En daarna lachen we er om.'
Man staat met zijn jas aan bij de deur en glimlacht. Zoals de zenboeddhisten glimlachen.
'Ik ga naar huis,' zegt hij.
Er zijn mensen die me schrijven dat ze zich zo herkennen in mijn verhaal, dat het lijkt of mijn verhaal hún verhaal is, én er zijn mensen - degenen die bij hun man of vrouw besloten weg te gaan  - die me schrijven dat ze nu inzicht krijgen in hoe hun ex-partner zich moet voelen.
Dat is mooi.
Dat zou een mooie bedoeling kunnen zijn van deze stukjes. Als er een bedoeling bestaat.

dinsdag 27 december 2016

Column Trouw 24 december

De andere vrouw

Het is geen mislukt huwelijk, zeggen de mensen. Zo moet ik dat niet zien.
Een verbintenis met iemand is een traject waarin je een tijd samen oploopt totdat het niet meer werkt. Het is bijzonder dat man en ik 24 jaar met elkaar opgelopen zijn. Zó moet ik dat zien.
Nu kan ik alle mogelijke nieuwe trajecten voor me zien. Ik zou deze columns net zo goed vooruit kunnen schrijven.
De Andere Vrouw  – ik noem maar een trajectje – zien we allemaal van heinde en verre aankomen. Glimlachend, elegant, komt ze naderbij. De voetstap ongehaast en licht, zou de dichter Fernando Pessoa zeggen.
Nee, ze is er nog niet, maar ze bestaat. En achter elke straathoek zou ze zich op kunnen houden. Waarschijnlijk dwaalt de andere vrouw al rond op ons nieuwbouweiland. Hoeven ze over een uurtje alleen nog maar tegen elkaar op te botsen bij de Bruna.
“Met die visualisaties van jou moet je oppassen,” zeggen de mensen. 
“Waarom?”
“Het is niet goed.”
“Omdat het dan echt gebeurt, hè?”
“Je roept het over jezelf af.”
Gisteren bezocht ik een kerstborrel en kwam daar een redactrice tegen met haar nieuwe man. Ik refereerde aan foto’s op haar Facebookpagina waarop ze samen met een meisje van een jaar of tien voor een kerstboom zat.
Wat een mooie dochter, was één van de reacties. En: Wow, wat lijkt ze veel op jou zeg.
Ik wist dat ze geen moeder was, maar vond het meisje ook haar evenbeeld. En we maakten grapjes over hoe ze al die tijd stiekem tóch een kind had. Haar nieuwe man vond het ook een fijn idee. We lachten. We namen nog een glühwein.
En toen doemde De Andere Vrouw weer op.
Deze keer plaatste ze foto’s van zichzelf op Facebook, met mijn meisjes  - voor een verlichte kerstboom, op de kunstijsbaan, aan een feestelijk gedekte tafel - hun lange haar op ingenieuze wijze ingevlochten, precies zoals het lange haar van die vrouw zélf ook ingevlochten was. Ze keek stralend in de camera. Merry Christmas, was het onderschrift. Hashtag: Familylife.
En bij elke eerste kerstdagfoto die ik aanklikte, begonnen mijn lachende meisjes meer op die trut te lijken.
Maar ik weet nu al dat ik de andere vrouw zal accepteren. We zullen weer gelukkig zijn. Eén grote vredige extended family. Voor de kinderen.

Nu stop ik. Voor ik het allemaal over mezelf afroep.

zaterdag 24 december 2016

Je familie

s Ochtends draaiden we een afspeellijst met 100 klassieke kerstliedjes. Man ruimde de afwasmachine leeg, las de krant en zette nog een kopje thee. Ik waste de haren van de jongste. Gewoon: de huiselijke taferelen. De zesjarige mocht na het bad haar nieuwe kerstjurk aan, ze wilde haar zilveren kettinkje om en ik vlocht haar haar extra mooi in. De elfjarige ging douchen. Ik stopte twee pyjama's in een tas. We maakten ons op om uit te gaan. Maar ik ging niet mee. Man nam me niet mee naar zijn familie. Het was niet zo dat ik dat niet van tevoren wist. Niet dat ik me er niet op voorbereid had. Het was ook niet zo dat ik me er niet bij neergelegd had. Maar ik had nooit van tevoren kunnen bedenken dat het zo voelde. Oké, ik had het al wél bedacht, maar voelen is toch echt wat anders. In deze tijden herken ik mezelf soms nauwelijks nog terug. Ik hecht bijvoorbeeld meer aan tradities - en symboolpolitiek  - dan ik ooit voor mogelijk had gehouden.
De elfjarige kwam uiteindelijk de trap af in een naveltruitje.
'Zo kun je écht niet naar jouw familie,' zei ik. 'Je familie ziet je aankomen in een naveltruitje.'
'Jij bent toch onze familie?' zei de zesjarige. 'Wij zijn toch familie?'
'Ja, wij zijn familie.'
De elfjarige zong: 'don't let me down, don't let me down. Don't let me down.'
Voordat zij in de auto stapten, stapte ik op de fiets en racete de stad in. De kerstlichtjes tegemoet. Hij krijgt me nooit, maar dan ook nóóit, meer terug, dacht ik.

vrijdag 23 december 2016

Het proces

Man en ik hebben de eerste afspraak met de mevrouw die ons gaat helpen bij het proces.
'Welke thee willen jullie?' vraagt ze. Ze noemt de soorten thee op die ze heeft.
'Ginger-lemon,' zeggen we tegelijk.
'De meeste mensen nemen ginger-lemon,' zegt ze. 'Grappig.'
Ok, op hetzelfde moment ginger-lemon zeggen, is geen bewijs dat we voor elkaar geschapen zijn.
We warmen onze handen aan ons kopje. De mevrouw tegenover ons is jong, scherp, professioneel, zakelijk, én aardig en invoelend. Ze neemt de tijd. We bespreken met haar de stappen die gezet moeten worden. Ze leert mij meer vragen te stellen. Als ik iets tegen man zeg, praat ik te snel, te slim en te stellig. Ik luister niet goed naar wat hij eigenlijk zegt.
'Dat is ook typisch iets voor vrouwen,' zegt ze. 'Daar moet ik thuis ook op letten.'
Ze vraagt ons waar het mis is gegaan. Ik vertel mijn aandeel. Man vertelt hoe hij zich gevoeld heeft.
'Wanneer is het leuk tussen jullie?' vraagt ze na een tijdje. 'Wat kunnen jullie wél goed?'
'Samenzijn,' zegt man.
'Jullie kunnen goed samenzijn?'
'Ja, wij kunnen heel goed samenzijn,' zegt man. 'Gewoon sámen.' Ze vraagt naar wat specifieke momenten. Hij vertelt. Ik zwijg.
Ik luister naar wat hij eigenlijk zegt.

woensdag 21 december 2016

Tezamen

We zitten aan het ontbijt met gedempt licht, drie brandende kaarsjes, kerstservetjes en 'we komen tezamen onder 't sterreblinken.' We preluderen hiermee vast op het kerstdiner dat ze vanavond op school zullen hebben. Het hoogtepunt van het jaar. Man stuurt een berichtje dat hij wegrijdt naar werk, en doet de groeten aan de meisjes.
'Papa is nu op weg naar Delfzijl,' zeg ik erbij.
'Wanneer komt papa eigenlijk terug?' vraagt de zesjarige.
'Papa komt je vanmiddag van school halen,' zeg ik. 'En dan gaan we de hapjes maken en...'
'Nee, dat bedoel ik niet,' zegt ze. 'Wanneer komt hij gewóón terug?'
'O dat bedoel je.'
'Wanneer komt hij bij óns terug?' De zesjarige kijkt me aan. Het kerstkoor zingt: Komt, laten wij aanbidden, onze Heer.
'Ik denk niet dat hij nog terugkomt, Deetje,' zeg ik dan. 'Reken er maar niet op.'
De elfjarige doet alsof ze gewoon haar boterham smeert, maar even spant haar hele lichaam zich.
'Komt hij nóóit hier terug?' vraagt de zesjarige.
Ik schud mijn hoofd en leg uit dat hun vader in een ander huis gaat wonen, niet ver weg van hen, waarheen hij ook zal gaan, nóóit ver weg van hen. Etc. De elfjarige staat op en zegt: 'En nu moet die domme kerstmuziek uit.'
De zesjarige zegt: 'Nou, zeg dan maar gewoon wanneer hij terugkomt uit..waar is hij?'
'Delfzijl.'
'Uit Delfzijl ja.'