woensdag 19 juli 2017

Zomercolumn Trouw, 18 juli

Minnaars

Het is zomertijd. Summer of love! We gaan het niet over mijn huwelijk hebben.
Gelukkig was er ergens een feestje. Ik trof daar een vrouw die net een nieuwe minnaar had. Ze zag er werkelijk formidabel uit. Haar minnaar was een getrouwde man zei ze. Maar sinds zij in zijn leven was, was ook zijn vrouw thuis vrolijker geworden. Dus zo was iedereen blij.
“Hoe kom je nou toch aan al die minnaars steeds?” vroeg ik.
“Gewoon,” zei ze. “Bij de Bijenkorf.”
“Bij de Bijenkorf?”
Het kwam erop neer dat zij lunchte in het restaurant aldaar, en toen ze terugkwam van het toilet zat daar de minnaar op haar stoel. “Ik zou wel op je gezicht willen zitten,” zei ze. Dat vond hij lang geen gek idee. En zo was van het één het ander gekomen.
“O tuurlijk.”
Een andere vrouw was net gescheiden en had nu de tijd van haar leven met soms wel twee minnaars op een dag. Nooit ouder dan vijfentwintig. Zij haalde ze gewoon van de dating-app Tinder.
“Veel fijner,” zei ze. “Daar kun je een maximale leeftijd instellen.”
Ze vond twintigers leuker, geëmancipeerder, en ook gewoon mooier dan kerels van vijftig – haar eigen leeftijd - die vaak buikjes hadden.
Ik vroeg haar hoe het dan met de spontaniteit zat op zo’n eerste Tinderdate. Nou dat ging juist heel gemakkelijk zei ze. Je had net zo’n klik, of geen klik, als in het normale leven. Alleen was er statistisch gezien meer kans.
Op mijn bovenbeen lag al een tijdje de hand van de man die naast me zat. Misschien lag die hand er toevallig. De naam ‘Marijke’ was erop getatoeëerd.
 “Wil jij je hand misschien ergens anders neerleggen?” vroeg ik. “Ik zit hier.”
De vrouwen wilden nu weleens weten hoe het met mijn liefdesleven zat.
 “O, effe laag pitje,” zei ik. “Deadline, hè? De zomer is nog maar net aangebroken, toch?”
Rond middernacht fietste ik terug naar huis, ik voelde de wijn, ik had niet gegeten.
Even later stond ik alleen in een steegje patat met mayonaise te eten. Met uitzicht op de Bijenkorf. Er hing een sterke pislucht. Lallende toeristen trokken aan mij voorbij. Ik at snel en geconcentreerd. Tot er vlak voor mijn neus plots een man opdook.
Hij vroeg of ik nog een leuke slaapplek wist in deze stad. De man was knap, niet het type zwerver.
Ik zei dat ik geen idee had.
“Echt niet?” vroeg hij.
“Nee?”
“Echt niet?” Hij bleef me maar vriendelijk aankijken en glimlachen.
“Nee,” zei ik en lachte terug.


maandag 10 juli 2017

Zomertijd column Trouw, 8 juli



Zomervakantie.

Het studiejaar van de Schrijversvakschool was afgelopen. Ik moest Carina uit het eerste jaar gaan vertellen dat ze na de zomervakantie niet terug hoefde te keren. Ik was haar mentor.
Ze kwam lachend binnen en ik zei haar plaats te nemen.
“Je hebt voor vier van de zes vakken een onvoldoende gehaald,” zei ik meteen, “dat is te veel.”
“O?” zei ze. “Wat bedoel je?”
“Je bent niet door,” zei ik. “Maar je moet niet denken dat je niet kunt schrijven hoor,” voegde ik daar snel aan toe. “Dat is het niet.”
“Wat is het dan?”
We zaten tegenover elkaar in het kleine lokaal, ik keek op mijn wekkertje en Carina kneep in haar handen. Ze deed me aan mezelf denken, twintig jaar geleden, toen ik een schrijfopleiding volgde en raadselachtige werelden beschreef, die voor mij dan wel glashelder waren, maar voor ieder ander onnavolgbaar bleken.
Carina zat vaak met een spierwit gezicht in de klas, omdat ze de hele nacht had doorgewerkt aan één van haar sciencefictionboeken. Ze had er al twaalf geschreven, maar er geen afgemaakt.
Ik voelde haar enorme drijfveer wel, om zichzelf te verduidelijken. Om haar wereld met lezers te delen. Om niet meer alleen te zijn, uiteindelijk.
“Je werk is tot nu toe onbegrijpelijk,” zei ik. “Misschien zou je het dichter bij jezelf kunnen zoeken. Jouw verhaal is goed genoeg.”
Ze trok een vies gezicht.
Ik sprak over de andere docenten die het over mist hadden gehad. Alsof je door een dikke mist heen moest, wilde je bij haar of haar teksten terechtkomen. Soms vingen we een glimp op van Carina. Een paar prachtige observaties.
Ze boog haar hoofd.
“Mijn therapeut gaat ook al dood,” zei ze.
“O jee.”
“Dit was de enige plek waar ik het gevoel had dat ik er nog bij hoorde.” Ze begon te huilen. “Hier was ik veilig.”
Ik zag haar mascara steeds verder uitlopen. Niks mist. Niks SF. Het was helder.
“Niet opgeven hoor,” bleef ik zeggen. “Jij gaat bewijzen dat we ongelijk hadden.”
Voor Carina zelf zou het zoveel beter zijn als ze gewoon op school mocht blijven. Als ze erbij mocht horen. Een enkeling zal gebaat zijn bij een afwijzing, maar de meeste mensen hebben vooral veel vertrouwen nodig. En verbinding. Ik kon haar dat allebei niet geven.
Toen het kwartier voorbij was, gaven we elkaar een hand.
“Een goeie zomer,” zei ik.
“Jij ook,” zei ze.


maandag 3 juli 2017

Trouw Column, 30 juni


Als vanzelf

Ik heb ineens een geweldig huisje gezien voor mij en de meisjes. Oké, en dan volgt nu het officiële gedeelte. Formulieren. Geld. Zakelijk zijn.
We zullen nu écht onze droomwereld moeten verlaten, ex en ik. Dat was iets wat we samen heel sterk hadden. Die eigen wereld. We deden maar wat en kwamen best ver. Het leek in elk geval net echt. We werden ouders, kochten een huis, waren beiden eigen baas. We deden allebei iets met ‘de verbeelding’, hoe kan het ook anders. We werden zondagskinderen genoemd.
En toen was daar de realiteit.
Ergens bleek iets faliekant misgelopen, juist door dat eigen universum denk ik nu. Juist omdát we er meer van hielden onze droomwereld in stand te houden, dan om te zien wat er werkelijk was. We kwamen beiden niet voor onszelf op. We deden in onze wereld niet aan conflicten en als ze er misschien toch een beetje waren, zeilden we er omheen. Daar waren we ook goed in.
Een vreedzame en harmonieuze wereld is mooi. Zou je denken. Maar dat is niet mooi. Want het is niet wáár. Het niet de echte wereld. Daar is ook strijd. En daar ontkom je kennelijk toch niet aan. Hoe goed we daar ook in waren.
Wij bleken twee individuen met een eigen ontwikkeling, die niet vierentwintig jaar synchroon liep. We waren stilaan elk een eigen kant op aan het gaan. Onze wereld bleek sterker dan wijzelf. Eén van ons geloofde er allang niet meer in.
We zitten nu ook middenin een droomscheiding, denk ik. Vreedzaam. Harmonieus. Zonder conflict. En als we toch boos zijn, zeggen wij dat vriendelijk tegen elkaar. Zodat wij elkaar begrijpen. We zullen niet tegenover elkaar komen te staan, maar ‘als vanzelf’ van elkaar af bewegen, zoals we ooit ‘als vanzelf’ naar elkaar toe bewogen.
Onze ene wereld zal naadloos overgaan in twee nieuwe werelden. We behouden natuurlijk al het goede dat er is, blijven bij elkaar in de buurt wonen, onze meisjes zullen er nauwelijks onder hoeven lijden, en we zullen ons gezin – dat wél erg goed werkte – niet helemaal op hoeven geven.
Nu heb ik het nog altijd niet over het officiële gedeelte gehad. Want daar plopte ineens die realiteit weer op. Ik ben zo bang dat die droomscheiding van ons een idee-fixe zal blijken. Hoezeer we er ook naar zullen streven.

Een scheiding ís nu eenmaal lelijk, schadelijk, ontiegelijk pijnlijk.