maandag 28 februari 2011

Het beschadigde tafeltje

Het ziet eruit alsof een muis - rondom - kleine hapjes uit het blad van ons Eames bijzettafeltje nam.
'Dus mama gooide het tegen de muur,' hoor ik man zeggen. 'Ze gooide zó hard dat er deuken in de muur kwamen. En de dag erna werd jij geboren. Misschien kwam het wel door dat tafeltje.'
Jeetje (5) kijkt van het bewuste tafeltje naar de moeder die nu in pyjama de trap afkomt. Ik zie het gewoon gebeuren; hoe ze in haar hoofd het gooien van meubilair probeert te koppelen aan geboortes.
'Het was nog een geluk dat het tafeltje niet door het raam ging,' gaat man verder.
'Niet allemaal aan haar vertellen!' zeg ik.
'Waarom niet, mama?'
'Omdat ik me daarvoor schaam.'
'O, dát dacht ik al.' Jeetje lacht.
'Beschadigd design is niets meer waard,' zegt man.
'Ik heb dat ook weleens,' zegt Jeetje.
'Als je je ergens voor schaamt, wil je het er liever niet over hebben,' zeg ik.
'Nee, dat wil je het liefst vergeten,' zegt Jeetje.
'En waar schaam jij je dan voor?' vraag ik aan man.
Jeetje en ik kijken hem aan. Hij zit in kleermakerszit op de grond, zijn ellebogen steunen op het tafeltje.
'Hij schaamt zich nergens voor,' zeg ik na een tijdje. 'Dat is nog erger, Jeetje. Mensen die zich nergens voor schamen.'
'Nee, hij dúrft het gewoon niet te zeggen,' zegt Jeetje.
'Dat kan ook,' zeg ik.
'En wel allemaal dingen van mama vertellen, hè,' zegt Jeetje. 'En zelf durf je helemaal niets te zeggen.'

zaterdag 26 februari 2011

De hemel

'We gaan naar de hemel,' zei de schoonmaker laatst. En daar leek het ook op. Hoe hoger we kwamen, hoe lichter het werd.
De hemel is een opbouw die op de derde verdieping van ons huis staat. De hemel heeft een dakterras. Er hangen nog geen gordijnen en in het raamkozijn staat een halflege fles port met twee glaasjes erbij. De vloer is bezaaid met boeken en kranten. Sinds kort staat er ook een bank van mijn vriendin èn een houtkachel van mijn oom Dik Geurts. Nee, dat is mijn oom niet.
Ik heb wel een oom die een gigantische houtkloofmachine heeft uitgevonden. Sindsdien noemt hij zichzelf Houtklover.
'Je kunt er ook mensen instoppen, Elleke,' zei hij toen hij het ding aan mij demonstreerde. Houtklover is heel groot en hij heeft ook een heel groot stuk land. Hij en zijn vrouw hebben de buitenwereld in principe niet nodig om in leven te blijven. En geen enkele instantie.
Maar ik wilde zeggen dat we nu eindelijk een bank hebben, en dat man en ik dus toch nog steeds op de vloer zitten naast die bank. Gewoontedieren als wij zijn.
En 's avonds val ik dan in slaap op de vloer voor de houtkachel. Omringd door boeken en kranten. Altijd bang dat er een brandend houtblok op mij valt, maar nooit zó bang dat ik niet in slaap val. Want man is er. En twee verdiepingen beneden ons rust het kroost.
Zo ongeveer moet er in de echte hemel ook aan toe gaan.

donderdag 24 februari 2011

De dag van het denken

'Hee, Faab, ben je niet veel te lang aan het doorwerken?' Ik zeg het toch maar. De kinderen moeten nu tenslotte echt een gebakken eitje.
'Ja, ik moet de hele tijd denken, denken, denken,' zegt hij.
'Waarover?'
'Mijn toekomst.'
'Alweer? Die breekt toch vanzelf een keer aan, joh!'
Hij dweilt. De huiskamer is nog een ravage, het is er koud, de stoelen staan op de tafel. Het buurmeisje heeft het steeds over de geweldige eitjes, die in dit huis gebakken worden. Jeetje wil chocomelk en de baby heeft ook vocht nodig. Het is één uur en ik ben al twee keer eerder met de portemonnee in m'n kontzak de trap afgekomen. Hij zou tot twaalf uur blijven.
'Maar het is vandaag de dag van het denken!' roept hij dan.
'Vandaar!' roep ik.
'Jaa!' Hij lacht. 'Vandaar!' Hij gooit het vuile water weg.
'Maar heb je een deadline of zo?' vraag ik. 'Is dat het?'
'Wat?'
'Moet je nu een beslissing nemen?'


'Elkie?' Hij staat al, bepakt en bezakt, in de deuropening.
'Ja?'
Wat vind jij nou eigenlijk van het leven?'
'Wat ik van het leven vind?'
'Ja? Wat vind jij van het leven?'
'Nou, ook heus niet altijd leuk hoor.'
'Nee?'
'Nee, helemaal niet. Ik heb het natuurlijk veel makkelijker dan jij, maar...'
'Ik ben het soms zo moe, Elkie,' zegt hij, 'zo ontzettend moe.'
Daar gaat hij. Het geld opgeborgen in zijn linkerkous, zijn schoenen weer aangetrokken, zijn twee jassen over elkaar, mijn volle vuilniszak in zijn hand. Ik trek de voordeur dicht, raap de huilende baby van de vloer en zet de pan op het vuur. De kleuters moeten eitjes met hele dooiers. Maar ik ben daar niet sterk in.

woensdag 23 februari 2011

Protest

Terwijl buiten de Arabische wereld ineenstort, bevind jij je je al dagenlang op je eiland. Zie je jezelf alweer op de oude gymzaalvloer van je nieuwbouwwerkkamer zitten; te kraaien als een haan en bij het volgende plaatje blaat je. Al is het een hond.
Jij met je misselijke baby op schoot die, als ze daar niet zit, almaar tegen je op blijft klimmen. Je hebt nog wel een boek in je buurt, maar voordat je twee zinnen hebt kunnen lezen, geeft ze over. Je kleedt je om.
Buiten zie je mede-eilanders heen en weer marcheren. Langs de Blokker en de Vomar gaan ze, langs de huizenblokken die te koop staan. Met volle bepakking, achter wagentjes, stuk voor stuk kijkend naar het einde (of het begin) van die ene, kaarsrechte laan. Nog niets van protest hier. Of bloedbaden.
Je denkt aan de sociologie student die op de vraag waarom hij wilde schrijven, antwoordde: 'Het is eigenlijk vooral het leven van een schrijver dat me zo aantrekt. Een beetje in Parijs zitten en zo. In cafeetjes, wat nadenken. Sigaretje. Boekje erbij. En zo.'
'Aha,' zei je, 'dat vind ik nou een heel goede reden.'

dinsdag 22 februari 2011

Ongeduld

Ze is nu bijna tien maanden. We wonen hier alweer een half jaar. Kind krijgen, verhuizen. Het zijn steeds minder goede excuses voor het feit dat het een jaar geleden is dat ik echt een verhaal schreef. Ik moet aan de bak. Ik wil aan de bak. Echt aan de bak, bedoel ik. Met al de troep die ik verzameld heb.
Maar nu kan ik deze week nog niet werken. Krokusvakantie, ziekte. Komt het ooit goed? Is er ooit nog niets? Niemand die aan je hoofd zeurt. En waarom lag ik toen ik zevenentwintig was, en vrij van alles en knap en slank, dagenlang op de vloer van mijn zolderkamer door het dakraam te kijken? Naar wolken die voorbij gingen.
Ze is nu al bijna tien maanden. En ik heb mijn normale lichaam nog stééds niet terug.
'Op een gegeven moment krijg je gewoon een moederlijf,' zei een trimster die ik gistermiddag in het Diemerpark tegenkwam. 'Dat hou je.'
'Ik kan niet stilstaan,' zei ik en duwde mijn zieke kind voort over de gifbelt. Tegen de ijswind in. Meer had ik ook niet kunnen zeggen, want mijn gezicht stond strak van de kou.

maandag 21 februari 2011

Zorg voor/over een ziek kind

's Nachts ligt Deetje op haar buik bovenop mij. Met opgetrokken beentjes. Haar oor op mijn hart. Ze kreunt nog zachtjes. Maar zodra ze hier weer lag, stopte het gillen tenminste.
Aan de ene kant had ik heel, heel graag door willen slapen, het gehuil willen negeren, het braaksel niet meer op willen ruimen. Ik had de joker in willen zetten. Een time-out aanvragen.( In haar au-pair willen transformeren)
Maar aan de andere kant wil ik hier best de hele nacht rechtop blijven zitten.
En morgennacht. En de nacht daarna. En als dat echt het enige is dat haar goed doet, ook wel een eeuwigheid. Half onderuitgezakt, tegen de koude muur. Dit gloeiende lijfje aaiend. Dan gooi ik gewoon al mijn plannen om. Voorgoed.
Al weet ik natuurlijk wel dat bovenop mij liggen nooit het énige kan zijn dat haar goed doet.

zondag 20 februari 2011

Toverketting

Dit weekend had Jeetje (5) op het Waterlooplein met haar vader een magische ketting gescoord en was ze met hem naar haar lievelingsplek geweest. De vlinderkas in de hortus. 'Was ik maar een vlinder,' had ze weer eens gezegd.
Thuis zette ze de kruk voor het open raam, deed ze haar vleugels van stof om, en hing de diamanten ketting om haar nek. Ik zag haar blonde, golvende haren, het zwarte jurkje met de vleugels. Eén ervan hing er slap bij. Haar lange benen in een grijze maillot.
'Ho! Stop!' riep ik die toevallig met een berg was in mijn armen voorbij kwam lopen.