woensdag 29 juni 2011

Het onbevlekte universum

Ik doe een rap rondje huishouden. Het ondergeschoven kindje. Ik zet alle ramen tegen elkaar open om de bedompte luiergeur in huis te verdrijven, verwijder de beschimmelde courgette uit de koelkast en probeer nog eens effe snel de geur van de vis weg krijgen. Met een vaatdoekje. Net zoals ik gisteren had gedaan. En eergisteren. Maar die lekkende, rotte vis is trots.
Kom ik op de opzichtige kerrievlek in de lichte spijkerbroek. Eenmaal een kerrievlek in mijn lichte spijkerbroek betekent voor altijd een kerrievlek. Zo ook met plas, zweet- en zonnebrandvlekken. Als het te gortig wordt, gooien we de lichte spijkerbroek weg. Maar duurzaamheid is ook iets. Zuinig zijn op je spullen zijn. Aandacht voor de dingen. Behalve de kunst en het kroost, zijn er ook de kerrievlekken die aandacht behoeven.
Dus begint het googelen: hoe verwijder je vlekken uit textiel. Ik bezoek de ene website na de andere. Op mijn lijstje schrijf ik: glycerine, wasbenzine, pure alcohol en ossengalzeep.
'Wist je dat je vlekken uit kleren kunt verwijderen?' roep ik zodra man binnenkomt. 'Wist je dat?'
'Ben je gek.'
'Al die zweetplekken van jou, daar moet je gewoon azijn op doen. En dan zijn ze weg. Serieus!'
'Echt waar?'
'Ja man! Heel cool. Maar kijk, als er zo'n kerrievlek ontstaat, zoals bij mij, moet je dus niet heel rustig blijven zitten, zoals ik deed. Je hoort meteen op te staan, echt meteen, dan spoel je de vlek met lauw water af, dan doe je er een beetje ossengalzeep op en dat laat je intrekken en dan...' Ik hijg.
'Ossengalzeep,' zegt man langzaam, 'dat klinkt mooi.'
'Ja, ossengalzeep dat smeren ze dus overal op, echt overal. Of een sopje dat doen ze ook vaak, sopjes maken en dan laten weken!'
'Hoe wéét jij dat ineens?'
'Dat heb ik op internet gelezen! Op allemaal verschillende sites. Ossengalzeep schijnt het echt he-le-maal te zijn!'

dinsdag 28 juni 2011

Ik weet het niet

Ik mag mijn kunstbroeders en zusters niet laten zitten, maar gisteren liep ik niet mee. Omdat ik geen zin had. Omdat het mijn schrijfdag was. Omdat ik een afkeer heb van massabijeenkomsten. Zoals ik ook een aan haat grenzend gevoel heb jegens creatieve campings. Eén keer ben ik daar geweest om man op te halen. Hij heeft daar hele zomers gewerkt. Het kon man niet groepsprocesserig genoeg. Na elke zomer was hij weer zijn stem kwijt door het schreeuwen. Ik denk aan de Mars der Beschaving als een begeleide wandeltocht met de creatieve camping. Alle richtingen doen mee: dans, muziek, theater, schilderen en ook schrijven (als iemand zich daarvoor ingeschreven had). Met z'n allen komen we beschaafd op voor ons eigen hachje. Dat is niet waar, het is ons te doen om de kunst in het algemeen. De Kunst. Dat moet ik niet vergeten.
De mars waar we witte kruizen dragen tegen de cultuurvernietiging. Het campagnespotje dat door kinderen werd opgezegd, die er boos bij keken of in en in verdrietig. 'Beste po-li-ti-cus. U maakt alles, maar dan ook alles kapot.' Kinderen van een eliteschooltje in Amsterdam die nooit, maar dan ook nooit, aan een gebrek aan kunst zullen lijden. Ja, ik weet dat we ons niet door door zo'n lullige naam en zo'n lullig spotje mogen laten weerhouden. Ons ja, ons. Want ik hoor er ook bij. Toch? En is iets doen niet altijd beter dan niets doen? Ik heb over wel of niet lopen geaarzeld. Want het slaat natuurlijk nergens op, dat beleid.

vrijdag 24 juni 2011

Keukens en creativiteit

Wij houden niet van het bezoeken van keukenwinkels. Elke deurtje dat we er zien kan vervangen worden door een andere deurtje, ander greepje, ander materiaaltje, andere indelinkje. Ik ga hier geen opsomming geven van de mogelijkheden die er zijn. Het zou een gekmakend lange lijst worden. Wij moeten onze droomkeuken zelf creëren. Maar dat kunnen wij niet, dat willen wij niet, dat haten wij.
De noodzaak om een nieuwe keuken erin te laten zetten, is nu wel prangend. We leven al een jaar volledig op ovenschotels, maar ook de oven houdt het niet lang meer. De inductieplaat was een maand nadat we in ons nieuwe huis trokken, al stuk. Momenteel hebben we alleen de wokvlam nog om onze eenpansgerechten op te bereiden.
Nadat man zichzelf onlangs bijna opblies en alle buurtkinderen vermoordde, koken wij niet meer op het campinggasstelletje. Bij het verwisselen van de gasfles ontsnapte er een zwarte wolk, man had het vuur nog aanstaan en rende met het lekkende ding naar buiten, alwaar het kroost speelde. Er scheen grote paniek te zijn ontstaan rondom man en zijn stinkende gaswolk. Er waren buurvrouwen met sigaretten, pasgeboren baby's en het had allemaal desastreus af kunnen lopen. Maar het ging goed. Behalve dat wij nu twee pitjes kwijt zijn.
Een nieuwe keuken dus. Dat is duur. Erger nog: je moet er oneindig creatief voor zijn. Je moet ruimtelijk inzicht hebben. Praktisch kunnen denken. Zelfs de Ikea doet in de folders - juichend - een beroep op onze verbeeldingskracht. Alles is mogelijk! Voor jouw ultieme droomkeuken! Maar ik hèb geen ultieme droomkeuken. Snap dat dan. Ik zit niet in de keukenbusiness.
Man en ik zijn blij dat we dit huis niet zelf hebben hoeven te ontwerpen, god betert. De grootste droom van veel mensen op dit eiland. Ik geloof dat je daar zelfs naartoe hoort te werken als eilandbewoner. Dat is de promotie hier. Ooit, een eigen kavel. Waar je dan je droomhuis op gaat zetten. Onze allergrootste nachtmerrie.

donderdag 23 juni 2011

Iemands kind

Fabio (43), de schoonmaker, heeft last van keelpijn. Ik voorzie hem van een groot glas diksap. Staand aan het aanrecht drinkt hij het leeg, het hoestje dat erop volgt heeft iets griezeligs. Een paar seconden is zijn hele lichaam gekromd. Zijn ogen worden glazig. Hij houdt zich vast aan het blad.
'Gaat het wel?'
'Niet zo best,' zegt hij.
'Misschien kun je beter naar huis gaan,' zeg ik. 'Als je te ziek bent, kun je niet werken.'
'Ik ga dood,' zegt hij.
'O, je bent stervende.'
'Ja, ik ga dood.'
'Waar ga je dan eigenlijk naartoe?'
'Naar de hemel,' zegt hij.
'Nee, jouw lichaam. Waar wil je liggen?'
'In het riool. Ze gooien mij denk ik in het riool.'
'Nee, zulke dingen doen ze in dit land niet.'
'Wat doen ze dan met illegalen?'
'Eh, zeg, Fabio is er iemand die ik moet bellen als je sterft?'
'Mijn moeder, alsjeblieft.'
'Heb jij nog een moeder?'
'Ja, ik bel mijn moeder elke zaterdag.'
'O.'
'En dan zegt ze tegen mij: 'ik ben altijd dicht bij jou, mijn kind.'
'Goh zeg.'
'Maar dáár heb ik nog nooit iets van gemerkt!' Fabio's lach gaat over in een hoestbui. Hij besluit toch aan het werk te gaan. Ht is maar een griepje.
'Je bent ook nog te jong om dood te gaan,' zeg ik.
'Dat weet je nooit,' zegt hij.
'Staat het nummer van je moeder in je telefoon?'
'Ja bij mãe.'

woensdag 22 juni 2011

Inslapen

In het boek dat ik voorlas, viel mevrouw Koster, - de nare pleegmoeder van Kruimeltje -, van de trap en stierf aan haar verwondingen. Het hoofdstuk eindige met: 'Ze sliep in om nooit meer te ontwaken.' Jeetje zat in haar nachtjapon in haar meisjesbed. Het Marokkaanse sierlampje belichtte haar mooi. Ik zag het gebeuren. Dus las ik de zin snel nog een keer, alsof het zo hoorde, nu zonder het laatste gedeelte. Ik las: 'Ze sliep in'. En klapte het boek opgewekt dicht. Maar toen ik haar welterusten kuste, wist ik dat het kwaad al geschied was. Ik zag de zin in Jeetjes hoofd rondwaren. 'Ze sliep in om nooit meer te ontwaken.' Het was dus mogelijk te gaan slapen en niet meer wakker te worden.
Ik rondde het ritueel vlot af, stopte bij het meisje in het belendende kamertje het speentje terug in de mond, -waarna ze het weer wegkeilde, ik onder haar bed dook en het haar tot haar grote vreugde teruggaf - ging naar beneden. Een minuut was het stil daarboven, toen kwam het stemmetje: 'Mama, ik kan niet slapen.'
'O nee? Waarom niet?' zei moeder met gespeelde verbazing.
Waarop het andere meisje het speentje nog maar eens haar bed uitsmeet en het op een erbarmelijk huilen zette, omdat ze het ding kwijt was.
Zo gebeurde het nog een paar keer. Ik vermeed het onderwerp inslapen en niet meer wakker worden. Het was te ingewikkeld om dat goed uit te leggen, leek me, zonder de angst te vergroten. Ik wees er alleen nog een paar keer op dat mevrouw Koster toch een hele nare vrouw was geweest, die niet goed voor Kruimeltje had gezorgd.

dinsdag 21 juni 2011

Kunst en cultuur op de Mariaschool

De Mariaschool, zo heette mijn lagere school, besteedde geen aandacht aan cultuur. Wel aan religie. We baden elke ochtend het Weesgegroet Maria. We zagen geen toneelstukken noch maakten we ze zelf. Maar in de derde klas regisseerde ik plotseling toch een 'toneelstukje' dat ik bedacht had als protest tegen het vele huiswerk. De halve klas repeteerde op zaterdag bij mij thuis. Het was wonderlijk omdat ik een zeer verlegen kind was dat plotseling de leiding nam èn de hoofdrol van het stuk. Maar toen we het voor de juf opvoerden, reageerde ze er niet op. We kregen nog net zoveel huiswerk.
Het verplichte handenarbeiduur op vrijdagmiddag werd ingevuld door figuurzagen voor de jongens en de meisjes moesten borduren. De afbeeldingen verzonnen we niet zelf, die waren voorgedrukt.
We hebben nooit een museum van binnen gezien, wel bezochten we de Campina kaasfabriek. Al die jaren op de lagere school, gingen we op schoolreis naar dezelfde speeltuin. Dat vonden we geweldig, we wisten niet dat je ook ergens anders naartoe kon.
We werden op de Mariaschool niet voorgelezen noch werd er aan jeugdliteratuur gedaan. Ja, in klas zes moesten we plotseling gedichten uit het hoofd leren. Zonder context of uitleg. Waarvan de zin: 'het was sar stomig in mijn krol' mij is bijgebleven en ik 'Ik ben de vlieger van René' nog steeds kan declameren. We moesten elke week een gedicht kunnen opzeggen. Ik vond dat leuk. Maar er waren kinderen die er niks aan vonden en die kregen een één of een twee omdat ze niet geleerd hadden. Alleen die kinderen, en de stotteraars, werden voor de klas geroepen. Ze werden er te kijk gezet door de meester, en moesten weer gaan zitten.
Nee, gestimuleerd is er niets. Het belang van cultuur is nooit ingezien. Of het nut. Maar het komt er toch wel van.

maandag 20 juni 2011

Gered worden

Het lezen van Tonio van A.F.Th. van der Heijden doet me geen goed. Waarom lees ik dat eigenlijk? De grootste angst van ouders die waarheid wordt. De vader die zich schaamt omdat hij zijn zoon niet voor een ongeluk heeft kunnen behoeden. Ik moet denken aan mijn eigen vader en dat die mij wèl heeft kunnen redden. Ik was eenentwintig toen ik bijna in bad verdronk door een epileptische aanval. Met de nachttrein was ik van Milaan naar mijn ouderlijk huis gereisd. Na twee weken op een biologische boerderij in Italië te zijn geweest, bij mijn kersverse vriendje. De hele nacht had ik niet geslapen omdat er een Amerikaanse familie tegen me aan bleef babbelen. Het begon al op het perron in Milaan waar ze vertederd uitriepen: 'Ooh, she is saying goodbye to her sweety!' En in mijn herinnering ging dat zo maar door. In diezelfde toon ook. Alsof ik geen echt mens voor ze was. Toen ik eindelijk bij mijn ouders aankwam, was ik kapot van het wakker zijn, het oppervlakkige geklets en de spanning. De volgorde zou worden: eerst het bad en dan naar bed. Zo geschiedde. Ik liet mij in bad glijden en ontspande. Ik weet nog dat ik daar lag en de kraan mij ineens heel erg in het oog sprong. Ik herkende de plotselinge zuigkracht. Dus probeerde ik me er snel van los te maken. Maar het was al te laat. Het lelijke, glimmende ding eiste me allang op. Ik heb mijn eigen gil nog heel kort gehoord.
Mijn moeder was niet thuis. Mijn vader was beneden en stond op het punt te gaan trimmen, de rek- en strekoefeneningen waren al gedaan, maar hij had nog even een reclamefolder van de tafel gepakt en bladerde die door. Die folder heeft mijn leven gered. Als hij weg was geweest, had niemand de gil gehoord. Dit heb ik achteraf nog een paar keer gehoord. 'Ik stond daar zomaar wat te dralen, ik zou eigenlijk allang weggeweest zijn, alsof ik er op wachtte.'
Sindsdien is er niet meer over gesproken, maar ik heb daar heel lang alleen met de deur wagenwijd open in bad gemogen.