woensdag 27 februari 2013

Broer en zus

"Bovendien weten we omdat we broer en zus zijn dat we elkaar blind kunnen vertrouwen." Mijn oog valt precies op deze zin in een interview in de krant. Ik had mijn renkleren al aan, muts al op, was klaar om weg te rennen, maar ga in plaats daarvan zitten.
Die misvatting moet ik eerst nog rechtzetten. Die broer en zus dénken maar dat ze elkaar blind kunnen vertrouwen. Ze willen het graag, dat is logisch. Dat is lief. Dat is mooi. Maar het is gevaarlijk. Juist broer en zus kunnen elkaar niet blind vertrouwen. Juist zij. Omdat ze uit hetzelfde nest komen. En dichter bij elkaar staan dan wie ook. Maar daardoor ook meteen verder van elkaar verwijderd kunnen zijn dan wie ook. De andere kant van de medaille van blinde liefde is blinde haat.  Een oude koe, maar zo werkt het. Kijk naar kleine kinderen in een gezin; die maken elkaar regelmatig bijna af. Dat komt later vaak wel goed als ze groot en verstandig zijn. Maar groot en verstandig is een dun laagje vernis. Groot en verstandig bestaat niet.
De meeste broers doden op een onverwacht moment hun zus.  De zussen vermoorden de broers meestal niet, maar dat heeft met kracht te maken.
Zo. De mensheid zij gewaarschuwd. Ik ga rennen.

dinsdag 26 februari 2013

Wat wil je nog?

"Kinderen zijn op spectaculaire wijze niet geïnteresseerd in wat hun ouders doen. En zo hoort het ook."
Dit las ik in een interview met Nick Cave in de VPRO gids die vandaag op de mat viel en daar dacht ik  aan toen Jeetje - de winkelhater - mij voor het slapengaan meldde dat ze eventueel wel met mij naar de H&M wilde om voor haar kleren te kopen, maar alleen als ik zou beloven dat we verder geen enkele andere winkel binnen zouden stappen. We moesten Linea Recta naar huis daarna.
'Ja, zèg.'
'Jij mag óók wel even kijken voor jezelf,' zei ze. 'Alleen in die winkel waar we toch zijn.'
'Maar liever niet,' zei ik.
'Nee, liever niet.'  Ze lachte lief.
'Waarom niet?'
'Omdat ik dat zo wil.'
'Maar ik wil ook iets,' zei ik. 'Wist je dat? Ik wil iets.'
'O ja?'
'Ja.'
'O ja? Wat wíl jij dan allemaal nog, mama,' zei ze.
Wat wil ik nog, dacht ik. Ze zegt nog.
'Zie je wel, je wil niks. Ik wel.' Jeetje begon in rap tempo een lijst te noemen met dingen die ze wilde doen, wilde hebben en waarheen ze wilde gaan. Ik zat op het bed met Mathilda van Roald Dahl en wachtte tot ik voor mocht gaan lezen.

maandag 25 februari 2013

Stardust en spirits

Sinds een dag over vier wordt mij elke dag wel een keer verteld dat we uit sterrenstof bestaan, net zoals het geestoproepen bij de verschillende gezelschappen waarin ik me bevond steeds opnieuw ter sprake kwam.  Zo heb je het er nooit over en ineens is het stardust hier en spirits daar.
Gisteravond gebeurde het dan. We zaten met z'n zessen in een huis waar de meeste muren zwart geverfd waren, de gordijnen waren zwart en ook de boekenkasten. Eén van ons had vroeger bij een occulte club gezeten en had veel ervaring met geesten. Hij vertelde over ramen die opensprongen, rammelende kasten, middeleeuwse Italiaanse talen en het geval van een heel normale vrouw, lid van de club, die krankzinnig was geworden na het geestoproepen. De geest was in haar gegaan en ze moest worden opgenomen. Daarna was de club uit elkaar gevallen.
'Kan de geest ook in je gaan?' vroeg ik.
'O ja,' zei hij ernstig. 'O ja. Ze heeft er een priester bij moeten halen om de geest te verwijderen. Echt met wijwater en zo. De meeste geesten zijn heel erg boos.'
Er was ook iemand bij die zei dat het ons onderbewustzijn was. Wij mensen deden het allemaal zelf. Ook al geloofden we dat zelf soms niet.
'Het is heel apart,' zei de schrijver die bij een occult genootschap gezeten had, 'als je de ongelovigen op een gegeven moment allemaal wit weg ziet trekken.'
'De geest is sterk,' zei de ongelovige schrijver, 'er bestaat ook zoiets als telekinese. Alleen door ergens sterk aan te denken, kun je dingen verplaatsen.'
Ik dacht aan het verschil tussen de geest en de geest en dat dat dus sterrenstof moest zijn.
Het geestoproepen verliep uiteindelijk vlotjes maar de geest die tevoorschijn kwam was heel erg langzaam en we moesten de laatste trein wel halen. Dus heel veel konden we haar niet vragen. Met z'n allen tuurden we naar het borrelglaasje dat zich traag in de richting van de 'ja' bewoog.
Op de foto die er gemaakt werd van de tafel met het glaasje was wel heel duidelijk k u t te lezen. In een soort bloedletters. Echt waar. Terwijl het tafelblad in het echt brandschoon was.

vrijdag 22 februari 2013

Kaas

We kregen een neef te eten die nu zijn master in Amsterdam doet. Ik herinner me hem vooral van toen hij een kind was. Maar nu is hij tweeëntwintig en een jongeman. Het vreemde van neven is dat ze binnen kunnen lopen en mee kunnen eten en dat het niet vreemd is. Want het is familie. Er is een nicht van man die ook tweeëntwintig is en ook een master in Amsterdam doet, - masters in Amsterdam zijn populair - en zij komt tegenwoordig vaak bij ons oppassen. Haar zagen we daarvoor ook bijna nooit. Wel vaker dan de neef, maar toch hoogstens één keer per jaar. Ook zij was meteen vertrouwd. Al blijft zij vertrouwder voor man dan voor mij. Omdat het zijn familie is. De nicht eet kaas. De neef eet geen kaas. Ik eet ook geen kaas. Heel soms neem ik jonge A-H fabriekskaas op brood. Maar ook dan gooi ik halverwege de boterham vaak de kaas eraf. De neef denkt dat hij een keer op zal houden met het weigeren van kaas. Hij ziet weleens toastjes met kaas voorbij komen die hem niet vies lijken. Maar hij heeft de stap nog niet durven zetten. Voor mij is de kaasbarrière altijd te hoog gebleven.
Wat het eten van kaas betreft is Jeetje meer van mijn kant. Deetje daarentegen smult van de blokjes hele oude kaas die ze in de delicatessezaak krijgt.

donderdag 21 februari 2013

Goeie zin

Vannacht droomde ik een hele goeie zin die hoorde bij een verhaal waaraan ik op dit moment niet bezig ben, - ik weet nog dat ik het al dromend jammer vond dat mijn onderbewuste niet bezig was met mijn huidige verhaal, maar je hebt weinig te kiezen waar het je onderbewuste betreft, dat wist ik ook  - liggend in het donker, klaarwakker nu, herhaalde ik de zin in mijn hoofd en hij bleef goed, ik dacht; ik moet 'm opschrijven, toen dacht ik 'morgen', deze zin is zo goed die ben ik morgen echt niet vergeten en ik wist dat die redenering bedrieglijk was maar nog meer was ik ervan overtuigd dat deze zin een ander lot beschoren zou zijn dan andere goeie zinnen die 's nachts gedroomd worden en niet opgeschreven.


dinsdag 19 februari 2013

Buitenissige eigenzinnigheid

Het schrijversdagboek van Viriginia Woolf pakte ik er gisteren weer eens bij en ik sloeg het - boem/pats - open op 18 februari. Dus dat moest iets te betekenen hebben.
Ze schreef:  Ik zal alleen nog schrijven waar ik zin in heb; en zij moeten maar zeggen waar ze zin hebben. Ik begin in te zien dat ik als schrijfster alleen nog belang heb bij een soort buitenissige eigenzinnigheid; niet bij kracht of hartstocht of bij iets baanbrekends. Maar dan bedenk ik dat  'buitenissige eigenzinnigheid' in wezen een eigenschap is die ik hoog aansla...
Meteen dacht ik aan Harry Merrie en aan zijn buitenissige eigenzinnigheid. Ook dacht ik na over mijn eigen buitenissige eigenzinnigheid. En dat ik het gewoon een mooi begrip vindt. Buitenissig eigenzinnig.


maandag 18 februari 2013

Cultheld

Op zaterdagavond, vlak nadat ik van diverse kanten signalen gekregen had dat schrijven het enige is wat me te doen staat, zat ik op een podium in een Utrechtse molen met vier andere schrijvers en de Rotterdamse cultheld Harry Merrie. De schrijvers hadden uitgeprinte a-viertjes in hun hand. Harry Merrie zat achter een keyboard en een computer. Om de beurt droegen wij voor, daarna kwam er steeds een liedje. Harry had iets aan wat het midden hield tussen pyjama en panterpak. Hij zweefde zelf ook ergens tussen man en vrouw in, tussen hier en daar. Maar voor hij begon zei hij: 'Mijn artiestennaam is Harry Merrie, maar ik heet eigenlijk Harry den Hartog.'
Dat vond ik mooi.
De hele avond heb ik voorovergebogen naar de zanger gekeken. Wij alle vijf, geloof ik. En ook het publiek raakte geobsedeerd door hem en zijn manier van muziek maken. Na het eerste liedje had hij zijn schoenen uitgedaan, zag ik. Hij droeg geitenwollen sokken en had kleine, smalle voeten voor een man. De keren dat ik direct na een liedje van Harry moest voorlezen, vond ik moeilijk. De afstand tussen de muziek en mijn tekst was onoverbrugbaar, of zoiets.
Na afloop van de avond had ik erge koppijn. Maar op de een of andere manier liet ook deze cultheld mij zien dat je moet doen wat je moet doen, zonder concessies. Het was voor hem geen keuze, vermoed ik. Hij kon niet anders. Hij speelde geen cultheld, hij was er één. Hij was de overgave in hoogst eigen persoon. Hier was iemand aan het werk die op het randje van de waanzin verkeerde, maar  toch wist wat hij deed.
Al wilde je niet erg graag dichter bij hem komen, de schrijver waarmee ik naar het station liep had dat ook. Van een afstand zwaaiden we hem gedag. Misschien was dat Harry's tragedie. Er waren er niet veel die dichtbij hem kwamen.