maandag 3 april 2017

Column Trouw, 1 april

Beste ex,

Je hoeft je niet te schamen als je over het schoolplein loopt en denkt aan de mensen die mijn column misschien hebben gelezen. Want alles wat ik hier schrijf is de waarheid zoals ik die ervaren heb. En als er mensen zijn die slecht over je denken: ze kennen jou niet.
Beste ex, jij gaat door met je nieuwe leven en ik ben achtergebleven in het oude. Dat is nu het grote verschil tussen ons.
Als de meisjes niet bij jou zijn, drink je ’s avonds een wijntje met je leuke nieuwe huisgenoot, of je stuurt een mailtje naar je leuke nieuwe vlam.
Ik woon in een rouwadvertentie. Alles hier ademt jou, ons, en het mislukte gezin. Dat wat stuk is en ik niet heb kunnen repareren. En de waterkoker die jij gelijmd hebt, - omdat ik die door de kamer had gesmeten - is gister ook weer uit elkaar gevallen.
Als de meisjes bij jou zijn, maak je spaghetti bolognese voor het hele scheidingshuis. Het is zo te horen een gezellige boel daar. Jij creëert overal wel weer een nieuw gezin.
Jij maakt er tenminste iets van, zeg je. Dat is waar. Jij was er altijd al goed in iets van het leven te maken. Dat vond ik ook juist zo leuk aan jou.
Maar hee, ik maak ook iets van het leven. Dit. Verhaaltjes. Mijn moeder zei laatst dat ik wat meer humor in mijn stukjes moest gaan stoppen, omdat ik daar zo goed in ben.
Als de meisjes weg zijn, kom ik alleen nog op mijn werkkamer. De rest van ons huis is een stilleven waarin ik zo min mogelijk besta. Ik doe geen boodschappen, gebruik geen fornuis. Er staat één koffiekopje op het aanrecht. En als ze op zaterdag terugkomen, staan de drie glazen van de woensdagmiddaglunch nog buiten op tafel. Vol regenwater. Het picknickkleed doorweekt. Op twitter noemde iemand me ‘zeurmevrouw’ en ‘get a life.’
Beste ex, ik verlies mijn maatje, mijn liefje, mijn gedeelde herinneringen, mijn gedeelde toekomst en dan ook nog eens de helft van de tijd mijn kinderen.
Maar hee, op een dag zou alles tóch verdwijnen!
Liefs van je ex, ja liefs omdat wij hier nu eenmaal door ons beider toedoen in verzeild zijn geraakt. Het liefst ging ik nu op wereldreis met ons vieren. Nee, jij niet. Dat weet ik wel.



donderdag 30 maart 2017

Er is licht

Het wordt de hoogste tijd dat ik aan 'Ik nog wel van jou' ga werken. Je kunt het boek al bestellen
Er is een cover, een achterflap. Er zijn ook heel wat woorden. Nu nog de concentratie. Maar het is lente. Er is licht. Tijd om iets te maken. Daarom op deze plek wat minder dagelijkse stukjes. Maar iedere maandag in elk geval de column uit Trouw.

maandag 27 maart 2017

Column Trouw, 24 maart

EEN WONDER

Ik kuste mijn dochters en stuurde ze met hun logeer-, school- en gymtassen het hondenweer in. Bij de vuilcontainers op de hoek zat hun vader – of wat daarvoor door moest gaan – in zijn wagen te wachten. Het vuilnis, dacht ik, dat is de plek waar hij thuishoort.
Ik had die man een maand niet gezien of gesproken en het zag er niet naar uit dat daar ooit nog verandering in ging komen. Ik had hem geblokkeerd voor WhatsApp en sms-verkeer. We moesten elkaar af en toe wel mailen voor praktische zaken. Na lezing verwijderde ik zo’n mail direct. Zelfs zijn naam kon ik niet in mijn buurt verdragen.
Ik had aan die twee schatten uitgelegd dat papa en mama nu dus echt ruzie hadden, dat we daarom van de een op de andere dag niets meer met z’n vieren deden, maar dat we de ruzie natúúrlijk een keer op zouden lossen.  
‘Zijn jullie daar eigenlijk al wél mee begonnen?’ vroeg de elfjarige.
‘Ja, ja.’
Ik weet best wel dat de kinderen op de eerste plaats komen en dat je voor hen soms iets vervelends moet doen, zoals gezellig eten met je ex, maar ik kon me niet voorstellen dat zo’n etentje nu ook maar enigszins ontspannen zou kunnen verlopen, laat staan gezellig. Hun verjaardagsfeestjes, allebei in mei, het leek me al godsonmogelijk. Een vechtscheiding scheen me nog reëler toe. En dat was best eng.
Veel mensen hadden zich afgevraagd waar mijn woede toch bleef. Nou, hier was-ie dan! Allesvernietigend. En ik voelde me beter en sterker dan ik me in tijden gevoeld had.
Maar ik heb die meisjes, voor wie dit nooit de beste oplossing kan zijn.
Dus ging ik weer een dag familieopstellingen bijwonen in Nijmegen en daar gebeurde het. Haarscherp zag ik in wat míjn grote aandeel was in het vertrek van man. Het onderliggende familiepatroon dat ik mijn leven lang gevolgd heb. Onbedoeld. Maar toch. Hij was best kansloos.
In de trein terug mailde ik:  ‘Mijn boosheid is helemaal weg. We kunnen wat mij betreft dit weekend zelfs wel iets met z’n vieren doen.’
Een dag later gingen we al met het gezin naar de film en daarna uit eten. Dat was fijn. Maar het fijnste vond ik de rit op het pontje van KNSM-eiland naar Amsterdam-Noord, heel dicht tegen elkaar aan gezeten, vanwege de drukte, allebei een meisje op schoot, zonnetje erbij. Het was een wonder.


maandag 20 maart 2017

Column Trouw, 18 maart

De film

De film van het moment dat hij me het nieuws mededeelde, heeft zich nu al miljarden keren in mijn hoofd afgespeeld. Steeds opnieuw zie ik ons in de tuin zitten op die eerste, haast zwoele lenteavond, en hoor ik mezelf al die vragen stellen waarop hij glimlachend antwoordt: “Dat wil ik jou niet vertellen.”
Steeds opnieuw zie ik hem glimmen terwijl hij over haar praat.
“Maar wat doet ze dan?”
“Niet veel soeps.”
“Leuk.”
De blik in zijn ogen. Zijn hele houding. Ik herken alles in één oogopslag. En ben onmiddellijk terug in de tijd dat hij zo naar mij keek. Terug bij het moment dat wij elkaar voor het eerst zoenden. Dat zíj elkaar voor het eerst zoenden. Ik zie haarscherp voor me hoe hij naar haar kijkt. Zijn lachje.
Keer op keer ook hoor ik hem zeggen dat ze elkaar veel mailen en onherroepelijk zijn daar dan de vele brieven die wij elkaar stuurden. ‘Ik wil je vasthouden, omhelzen. Heel simpel. Heel leuk.’ De woorden nog vers in mijn geheugen.
Ik zie onze namen onder elkaar in zijn mailbox tevoorschijn komen, de mail waarop hij zit te wachten en: ‘Turnen hoe laat?’
Steeds opnieuw is daar ook weer het einde van de film, hoe ik hem het huis uit flikker.
We hebben elkaar sindsdien nog niet gezien.
De afgelopen dagen huilt de zesjarige elke nacht dat ze bang is. En dan ga ik bij haar in bed liggen. En ze wil steeds hetzelfde verhaaltje, over dat we op een wolk liggen en boven de stad drijven. En dan moet papa ook op de wolk. Zo liggen we met z’n vieren op de wolk. We tappen er moppen en we lachen. En ik voel hoe haar lijfje zich bij elk woord meer ontspant. Op het eind van het verhaaltje zetten we papa toch maar weer af bij zijn huis. We zwaaien: doei, doei! Tot de volgende keer!
“Wij blijven altijd je papa en mama, wij samen,” zeg ik.
“Ja, hè!” Een glimlach van oor tot oor. “Maar ik wil ook zo graag iets samen doen.”
“Wat dan?”
“Gewoon. Thuis. Eten?”
En dan beloof ik haar dat we dat doen. En dan komt er een nóg veel grotere glimlach. Ze valt in slaap. Met haar hand in de mijne.

En ik weet niet wat er gebeurd is, waardoor we nu niet eens samen kunnen eten. En dan begint de film weer.