maandag 3 juli 2017

Trouw Column, 30 juni


Als vanzelf

Ik heb ineens een geweldig huisje gezien voor mij en de meisjes. Oké, en dan volgt nu het officiële gedeelte. Formulieren. Geld. Zakelijk zijn.
We zullen nu écht onze droomwereld moeten verlaten, ex en ik. Dat was iets wat we samen heel sterk hadden. Die eigen wereld. We deden maar wat en kwamen best ver. Het leek in elk geval net echt. We werden ouders, kochten een huis, waren beiden eigen baas. We deden allebei iets met ‘de verbeelding’, hoe kan het ook anders. We werden zondagskinderen genoemd.
En toen was daar de realiteit.
Ergens bleek iets faliekant misgelopen, juist door dat eigen universum denk ik nu. Juist omdát we er meer van hielden onze droomwereld in stand te houden, dan om te zien wat er werkelijk was. We kwamen beiden niet voor onszelf op. We deden in onze wereld niet aan conflicten en als ze er misschien toch een beetje waren, zeilden we er omheen. Daar waren we ook goed in.
Een vreedzame en harmonieuze wereld is mooi. Zou je denken. Maar dat is niet mooi. Want het is niet wáár. Het niet de echte wereld. Daar is ook strijd. En daar ontkom je kennelijk toch niet aan. Hoe goed we daar ook in waren.
Wij bleken twee individuen met een eigen ontwikkeling, die niet vierentwintig jaar synchroon liep. We waren stilaan elk een eigen kant op aan het gaan. Onze wereld bleek sterker dan wijzelf. Eén van ons geloofde er allang niet meer in.
We zitten nu ook middenin een droomscheiding, denk ik. Vreedzaam. Harmonieus. Zonder conflict. En als we toch boos zijn, zeggen wij dat vriendelijk tegen elkaar. Zodat wij elkaar begrijpen. We zullen niet tegenover elkaar komen te staan, maar ‘als vanzelf’ van elkaar af bewegen, zoals we ooit ‘als vanzelf’ naar elkaar toe bewogen.
Onze ene wereld zal naadloos overgaan in twee nieuwe werelden. We behouden natuurlijk al het goede dat er is, blijven bij elkaar in de buurt wonen, onze meisjes zullen er nauwelijks onder hoeven lijden, en we zullen ons gezin – dat wél erg goed werkte – niet helemaal op hoeven geven.
Nu heb ik het nog altijd niet over het officiële gedeelte gehad. Want daar plopte ineens die realiteit weer op. Ik ben zo bang dat die droomscheiding van ons een idee-fixe zal blijken. Hoezeer we er ook naar zullen streven.

Een scheiding ís nu eenmaal lelijk, schadelijk, ontiegelijk pijnlijk.

maandag 26 juni 2017

Trouw column, 24 juni

Jarig

Op de ochtend van mijn verjaardag was iedereen er even. Zelfs onze kater Ronnie, die vaak wekenlang van huis is, was voor de gelegenheid teruggekomen.
Ik droeg mijn nieuwe – atypische - knalblauwe broek, die ik had gekocht omdat die me zo deed denken aan een broek die ik 24 jaar geleden op een vlooienmarkt in Bologna kocht. De leeftijd dat broeken van vlooienmarkten prachtig staan, is inmiddels voorbij. Het gelukkige gevoel dat erbij hoort, bestaat nog gewoon.
Ex was er al heel vroeg om het ontbijt te maken met de kinderen. Maar de meisjes sliepen nog en zo maakten we mijn verrassingsontbijt samen. Eindelijk was de tijd daar voor mijn vier kitscherige eierdopjes, maar nu stonden er nog maar drie in de kast. Waar ik ook keek; één kitscherige eierdop was verdwenen.
“Wat gek,” zei ik.
“Dat geeft niet,” zei hij, “ik heb ook maar drie eieren in de pan gedaan.”
“Waarom drie?”
“Verstrooid denk ik.”
Drie is dus inmiddels meer een automatisme geworden dan vier. Drie eierdopjes, drie eieren, een gezin van drie mensen. Dat is normaal.
Even later zaten we met z’n vieren in onze - enorm overwoekerde maar zonnige - tuin aan het ontbijt en deed ex mij een hoed met een knalblauwe rand cadeau.
“Alsof je het wist,” zei ik.
“Het is wel exact dezelfde kleur blauw, hè?”
Voor hij ging, pakte hij de afwasmachine uit en weer in. Vroeger zou zoiets me niet opvallen, maar nu was ik blij dat de vaat verdwenen was en het servies weer vanzelf in de kast stond.
Mijn broer en zijn vriendin reden claxonnerend voor, in een auto met vlaggetjes en ballonnen. De meisjes en ik werden naar een speeltuin in Dieren gereden. Een doe-park. Je moest daar de attracties zelf in beweging zien te krijgen.
Mijn ouders en wij waren er de enige bezoekers. Alle speeltoestellen stonden stil. Het was alsof we na sluitingstijd door een pretpark liepen. Of na de nucleaire ramp.
Op een zonovergoten, leeg terras dronken we koffie.
"Mooi beeld," zei ik. "Een uitgestorven pretpark met prachtig weer."
"Heel eenzaam," zei mijn vader.
"Een goed decor voor mijn column."
En dat zou het ook zijn geweest. Ware het niet dat ik toen helemaal niet eenzaam wás.
"Doe die hoed af," zei mijn vader, die zelf ook een hoed op had.
En daarna: "Het valt je moeder en mij op dat er veel mannen zijn die jou feliciteren op facebook."




maandag 19 juni 2017

Trouw column, 17 juni

Juiste oplossing

Zeker, het is fijn dat er niemand is die mij aan m’n kop zeurt over iets dat mij niet interesseert. En het huis blijft ook veel opgeruimder. Ook is het fijn dat ik elke dag zelf mag bedenken wat we eten en hoe laat. Minstens zo heerlijk is het dat ik, als de meisjes er niet zijn, helemaal niet hoef te koken.
Een echt grote opluchting is het pas dat ik niet meer steeds op hoef te letten hoe de man in huis zich vandaag voelt, en hoe ik daar het beste op kan anticiperen, of juist niet-anticiperen. Er is ruimte voor mij. Ik blijk hier nu gewoon vrij te mogen rondlopen in om-het-even-wat-voor humeur. Want er is niemand meer waarbij ik – als ik niet mijn aller koddigste zelf ben – bang ben nóg meer uit de gratie te raken.
Er is ook niemand meer waarachter ik schuil kan gaan. Maar ik moet toegeven; mijn eigen gezelschap valt me reuze mee. Ik blijk best een aangename huisgenote. Kalmer dan ik dacht. Ordelijker. Levendiger ook. Zelfs als ik heel verdrietig ben of kwaad, verdwijn ik niet meer in dat zwarte gat. En ook al die debiele sociale angsten zijn ineens verdwenen. Zo ben ik nooit meer bang om met andere mensen een praatje te maken. Of om iemand aan te kijken.
Leuke muziek dat ik draai. Soms wel tien keer hetzelfde liedje achter elkaar. Ik heb daar totaal geen moeite mee.
Mijn band met de meisjes is er tot nog toe alleen maar beter op geworden. Hechter. Fysieker. Dichterbij. We knuffelen en praten wat af.
Eind goed al goed, zou u denken, hè?
Toch blijf ik er maar geen goed gevoel over hebben, een scheiding. Mijn geest zoekt de hele tijd naarstig en non-stop naar uitwegen, andere oplossingen, iets waar ieder van ons gelukkig en tevreden mee kan zijn, alsof het een ingewikkeld wiskundig vraagstuk betreft. Ik weet gewoon zeker dat er ergens een goede oplossing is. Of dan tenminste: een betere.
“Kunnen jullie weer getrouwd raken?” vraagt de zevenjarige.
We moeten eerst nog maar eens gescheiden zien te raken, denk ik.
Ik herhaal dat riedeltje over gescheiden ouders die niet verliefd meer zijn, de zevenjarige stopt haar vingers weer in haar oren en neuriet keihard.
“Ik vraag alleen maar of het KAN,” roept ze als ik uitgekletst ben. “Kán het?”
“Ja, het is mogelijk, maar…”
“Oké, dan ben ik het bruidsmeisje! Goed?”