Als ik de vrouw op de trap passeer, zie ik de piepkleine baby over haar schouder bungelen, het haar nog vet van het smeer, de speen bedekt de helft van zijn gezichtje. 'Daar ga je dan kleine,' fluister ik. 'Mee in de vaart der volkeren.'
De vrouw jaagt haar trage tweejarige voort in het trappenhuis en brengt haar oudste naar het juiste klaslokaal. Ik lach naar haar, maar zij lacht niet terug.
Elke dag zag ik haar een paar keer op haar bakfiets voorbij komen, altijd fietste ze tegen de wind in. Haar blik op oneindig. Hoogzwanger. Maandenlang was deze arme vrouw ook zo ontzettend hoogzwanger. Een uitgezakte knot in haar haar.
Maar een paar dagen geleden, zag ik haar achter een kinderwagen lopen. Je weet dat er zich onlangs iets bijzonders heeft afgespeeld. Dat zie je niet. Er ligt een schoon wurmpje in een wagentje. Het is alsof dat zonder vies te worden gebeurd is. Zo ziet het er uit bij andere mensen. Alsof ze niets geleden hebben. Zo zag de vrouw er uit voor het baby'tje, zo ziet ze eruit na het baby'tje. Met exact dezelfde knot.
Nu de baby er is, lijkt er niets veranderd. Ze stapt haastig voort. Met haar blik nog altijd in de verte, ergens.
Ik denk dat het beter voor de vrouw zou zijn als ze rust zou nemen. Al die haast, zou dat nou nodig zijn?
woensdag 10 november 2010
dinsdag 9 november 2010
Nieuwe fase
Ze wordt ongelooflijk groot. Ze begint al aan vast voedsel.
Naast een tekening van Jeetje, haar mondje blauw van inkt, heeft ze nu ook haar eerste fruit gegeten. Een halve banaan is het babybuikje ingegaan. Kleine dingetjes mogen ècht niet meer op de grond slingeren. Omdat ze er juist plezier in heeft om die hele kleine dingetjes tussen twee hele kleine vingertjes te pakken en ze dan te proeven.
Daar gaat ze, ik hoor haar. Ze beweegt zich voort. Ze oefent haar stembanden.
Naast een tekening van Jeetje, haar mondje blauw van inkt, heeft ze nu ook haar eerste fruit gegeten. Een halve banaan is het babybuikje ingegaan. Kleine dingetjes mogen ècht niet meer op de grond slingeren. Omdat ze er juist plezier in heeft om die hele kleine dingetjes tussen twee hele kleine vingertjes te pakken en ze dan te proeven.
Daar gaat ze, ik hoor haar. Ze beweegt zich voort. Ze oefent haar stembanden.
maandag 8 november 2010
Dingetje
Zaterdag, bij de Nachten in Antwerpen, las ik o.a. 'De bril van de schoonmaker' voor. Er was gevraagd om een 'Dingetje' te kopen voor 5 EU en daar een stukje van 500 woorden over te schrijven. Dat zal dan geveild worden op E-bay. Ik kwam met een bril aan en met dit verhaal. Een bewerking van een weblogbericht. Zo ga ik wel vaker te werk.
De bril van de schoonmaker.
Als ik naar boven loop om de baby uit bed te halen, komt Fabio achter me aan. Nog steeds pratend.
De nieuwe Braziliaanse schoonmaker wil veel met mij praten. Erg veel. Ik ben zijn enige kans om het Nederlands mee te oefenen. Elke kans die hij krijgt, grijpt hij. Benut hij. Buit hij uit. De overlevermentaliteit. Daar kan ìk weer van leren.
‘Jij kan jouw baby gewoon in de prullenbak gooien, toch?’ zegt hij.
‘Dat is hypothetisch gezien mogelijk.’ Af en toe doe ik een moeilijk woord. Voor zijn woordenschat.
‘Dan kan jouw baby niets doen, toch? Jij bepaalt wat ze doet, toch?’
‘Ja?’
‘Nou, zo is het ook met mensen. Wij worden als marionetten bestuurd. Wij kunnen niks doen, snapt?’
‘Een baby is een mens, Fabio.’
‘Wij bepalen zelf niks,’ zegt hij. ‘Snapt?’
Het is een beetje alsof de schoonmaker en ik het Moeder de Gans Spel aan het doen zijn. Ik ben de moeder en hij het gansje dat mijn gang naar de babykamer nauwgezet volgt.
‘Oom Fabio zegt gekke dingen. Oom Fabio moet oppassen.’ Dit is mijn babystem. Een octaaf hoger. Als ik haar optil, lacht de baby naar mij en naar hem. ‘Anders zetten we oom Fabio zèlf bij het grofvuil.’ Ik kus haar warme, zachte nekje. Ze drukt haar kwijlmondje op mijn gezicht. ‘Ik ruik iets,’ zeg ik.
‘Ik zou jou zo kunnen vermoorden,’ zegt hij.
Ook als ik de baby met de billen bloot op de commode heb liggen, maakt de schoonmaker van de gelegenheid gebruik de Nederlandse taal met mij te praktiseren.
‘En jouw baby ook.’
Hij staat midden in de deuropening. Dit kamertje is niet groot. Twee bij drie. De schoonmaker is ook niet groot. Anderhalf bij een kwart. Maar hij is een krijger.
‘Jij weet niet waar ik last van heb,’ zegt hij.
‘Hoezo?’
‘Dingen kunnen hoog oplopen, snapt? En dan kan het ineens genoeg zijn en dan kan ik denken: ik ga haar baby doden.’
‘Fabio, wij zeggen hier: Snap je? niet snapt. Snap je?’
‘Jij kent mij niet. Ik ken jou niet,’ zegt hij.
Ik hoef eigenlijk die bril maar weg te denken, me één streepje op zijn wangen voor te stellen, en er staat een Amazone-indiaan op mijn drempel. In zijn bestaan bedreigd.
‘Jouw man is hier niet. Ik ben een man, ik ben sterker,’ zegt de indiaan. ‘Snap je?’
‘Goed gezegd!’
Met een hand houd ik de beentjes omhoog en met de andere probeer ik de lichtbruine babyvla weg te poetsen. In plaats daarvan verspreid ik het. Het half ontblote kind probeert steeds op haar buik terecht te komen. Mijn handen zitten vol, haar romper raakt bevlekt, het behang besmeurd.
‘Ik vertrouwde je wel,’ zeg ik.
‘Jij ziet alleen mijn buitenkant,’ zegt hij.
‘Ik zie poep.’ Ik lach.
‘Jij weet niet wat in mijn hart zit,’ zegt hij.
‘Nee, maar, eh, je wou toch niet echt gaan moorden nu?’
Overal is poep. De schoonmaker komt erbij staan. Hij zet zijn bril af en kijkt me aan. De lotiondoekjes zijn op. Ook dat nog.
De bril van de schoonmaker.
Als ik naar boven loop om de baby uit bed te halen, komt Fabio achter me aan. Nog steeds pratend.
De nieuwe Braziliaanse schoonmaker wil veel met mij praten. Erg veel. Ik ben zijn enige kans om het Nederlands mee te oefenen. Elke kans die hij krijgt, grijpt hij. Benut hij. Buit hij uit. De overlevermentaliteit. Daar kan ìk weer van leren.
‘Jij kan jouw baby gewoon in de prullenbak gooien, toch?’ zegt hij.
‘Dat is hypothetisch gezien mogelijk.’ Af en toe doe ik een moeilijk woord. Voor zijn woordenschat.
‘Dan kan jouw baby niets doen, toch? Jij bepaalt wat ze doet, toch?’
‘Ja?’
‘Nou, zo is het ook met mensen. Wij worden als marionetten bestuurd. Wij kunnen niks doen, snapt?’
‘Een baby is een mens, Fabio.’
‘Wij bepalen zelf niks,’ zegt hij. ‘Snapt?’
Het is een beetje alsof de schoonmaker en ik het Moeder de Gans Spel aan het doen zijn. Ik ben de moeder en hij het gansje dat mijn gang naar de babykamer nauwgezet volgt.
‘Oom Fabio zegt gekke dingen. Oom Fabio moet oppassen.’ Dit is mijn babystem. Een octaaf hoger. Als ik haar optil, lacht de baby naar mij en naar hem. ‘Anders zetten we oom Fabio zèlf bij het grofvuil.’ Ik kus haar warme, zachte nekje. Ze drukt haar kwijlmondje op mijn gezicht. ‘Ik ruik iets,’ zeg ik.
‘Ik zou jou zo kunnen vermoorden,’ zegt hij.
Ook als ik de baby met de billen bloot op de commode heb liggen, maakt de schoonmaker van de gelegenheid gebruik de Nederlandse taal met mij te praktiseren.
‘En jouw baby ook.’
Hij staat midden in de deuropening. Dit kamertje is niet groot. Twee bij drie. De schoonmaker is ook niet groot. Anderhalf bij een kwart. Maar hij is een krijger.
‘Jij weet niet waar ik last van heb,’ zegt hij.
‘Hoezo?’
‘Dingen kunnen hoog oplopen, snapt? En dan kan het ineens genoeg zijn en dan kan ik denken: ik ga haar baby doden.’
‘Fabio, wij zeggen hier: Snap je? niet snapt. Snap je?’
‘Jij kent mij niet. Ik ken jou niet,’ zegt hij.
Ik hoef eigenlijk die bril maar weg te denken, me één streepje op zijn wangen voor te stellen, en er staat een Amazone-indiaan op mijn drempel. In zijn bestaan bedreigd.
‘Jouw man is hier niet. Ik ben een man, ik ben sterker,’ zegt de indiaan. ‘Snap je?’
‘Goed gezegd!’
Met een hand houd ik de beentjes omhoog en met de andere probeer ik de lichtbruine babyvla weg te poetsen. In plaats daarvan verspreid ik het. Het half ontblote kind probeert steeds op haar buik terecht te komen. Mijn handen zitten vol, haar romper raakt bevlekt, het behang besmeurd.
‘Ik vertrouwde je wel,’ zeg ik.
‘Jij ziet alleen mijn buitenkant,’ zegt hij.
‘Ik zie poep.’ Ik lach.
‘Jij weet niet wat in mijn hart zit,’ zegt hij.
‘Nee, maar, eh, je wou toch niet echt gaan moorden nu?’
Overal is poep. De schoonmaker komt erbij staan. Hij zet zijn bril af en kijkt me aan. De lotiondoekjes zijn op. Ook dat nog.
vrijdag 5 november 2010
Werkelijkheid
Deze week heb ik Deetje voor het eerst naar de nieuwe crèche gebracht. Vijftien stappen van mijn huis vandaan. Wat een gemak!
Bij de rondleiding had ik het ding al wel zien staan. Maar ik deed alsof van niet. De leidster zag er heel verstandig uit en ik was ervan overtuigd dat zij een baby daar niet in zou stoppen. Omdat ik het al aan haar gezicht kon zien, hoefde ik het haar niet te vragen. Trouwens ik had het geelwitte, plastic gevaarte helemaal niet in die hoek zien staan. Dus kon ik er niets over vragen. Er zat ook geen baby in. Dat zei genoeg. Misschien waren die gevallen tegenwoordig verplicht op kinderdagverblijven.
Als dat namelijk niet zo was, als ik deze walgelijke wipper wel zou hebben gezien, als die er niet alleen voor de inspectie neergezet was, zou ik Deetje niet naar deze crèche hebben kunnen brengen. Uit principe niet. Terwijl hier de oplossing lag van ons logistieke probleem. Wie puur oplossingsgericht denkt, moet hier en daar wat weglaten.
Er zitten vijf standen op de stoel. Op stand vijf zwiept de baby heen en weer alsof die zich in een kermisattractie bevindt.
Gisteren vond ik Deetje in stand vijf. Ze probeerde steeds het popje dat bovenop haar lag te pakken, maar dat lukte niet. Ze bewoog, als een doorgedraaide autist, heen en weer.
Men kan zijn ogen niet sluiten voor wat er wel is. Men kan de werkelijkheid niet naar zijn hand zetten. Behalve in geschrift.
Ook de lieve, verantwoorde leidster zet mijn levenslustige baby in een elektrische stoel. Achter de bank. Ver van de andere kindjes af die aan tafel zaten om hun fruithapje te eten.
Bij de rondleiding had ik het ding al wel zien staan. Maar ik deed alsof van niet. De leidster zag er heel verstandig uit en ik was ervan overtuigd dat zij een baby daar niet in zou stoppen. Omdat ik het al aan haar gezicht kon zien, hoefde ik het haar niet te vragen. Trouwens ik had het geelwitte, plastic gevaarte helemaal niet in die hoek zien staan. Dus kon ik er niets over vragen. Er zat ook geen baby in. Dat zei genoeg. Misschien waren die gevallen tegenwoordig verplicht op kinderdagverblijven.
Als dat namelijk niet zo was, als ik deze walgelijke wipper wel zou hebben gezien, als die er niet alleen voor de inspectie neergezet was, zou ik Deetje niet naar deze crèche hebben kunnen brengen. Uit principe niet. Terwijl hier de oplossing lag van ons logistieke probleem. Wie puur oplossingsgericht denkt, moet hier en daar wat weglaten.
Er zitten vijf standen op de stoel. Op stand vijf zwiept de baby heen en weer alsof die zich in een kermisattractie bevindt.
Gisteren vond ik Deetje in stand vijf. Ze probeerde steeds het popje dat bovenop haar lag te pakken, maar dat lukte niet. Ze bewoog, als een doorgedraaide autist, heen en weer.
Men kan zijn ogen niet sluiten voor wat er wel is. Men kan de werkelijkheid niet naar zijn hand zetten. Behalve in geschrift.
Ook de lieve, verantwoorde leidster zet mijn levenslustige baby in een elektrische stoel. Achter de bank. Ver van de andere kindjes af die aan tafel zaten om hun fruithapje te eten.
donderdag 4 november 2010
Eer?
Jeetje zit in bad en vraagt om iets te drinken. Zo gaat dat al de hele tijd met van alles. Zij vraagt, ik breng.
'Straks als je uit bad bent.'
'Nee, nu.'
'Hè Jeetje, ik lijk je bediende wel!' zeg ik als ik haar het bekertje water overhandig.
'Maar jij bent veel sneller dan een bediende,' zegt ze en drinkt haar bekertje leeg. Ik zet het netjes terug.
'Straks als je uit bad bent.'
'Nee, nu.'
'Hè Jeetje, ik lijk je bediende wel!' zeg ik als ik haar het bekertje water overhandig.
'Maar jij bent veel sneller dan een bediende,' zegt ze en drinkt haar bekertje leeg. Ik zet het netjes terug.
Leuk weekendje?
Voor wie dit weekend, een weekendje Antwerpen gaat doen, is er het festival de Nachten. Met optredens van allerlei leuke schrijvers en bands en op zaterdag kun je ook naar mij komen luisteren. Ik zal iets nieuws voorlezen en iets ouds.
woensdag 3 november 2010
De cultuurfilosoof
Ik veerde op uit mijn lethargische houding toen de cultuurfilosoof in het televisieprogramma aanschoof. Hij had een boekje over de eeuwige terugkeer van het fascisme geschreven.
Voor de filosoof op het scherm verscheen, wist ik niet goed wat ik met het halve uur dat mij die avond nog restte, aan zou vangen. Man telefoneerde met zijn zus, en ik had de tv aangezet.
'Wilders is een fascist,' zei de filosoof. Hij was daar om in debat te gaan met een historicus die dat pertinent onwaar vond. Terwijl er op tv gesproken werd over het hedendaags fascisme, was Man elders in de kamer aan het debatteren over de voors en tegens van het hebben van dochters. Ik zette de televisie harder. Steeds harder. Ineens mocht ik geen woord missen van wat hier gezegd werd. Man hing op.
'Kom eens, kom eens,' zei ik.
'Die vent spreekt me niet aan,' zei Man.
'Maar je weet niet waar hij het over heeft.'
'Moet dat?'
'Volgens mij heeft hij gelijk! Echt. Al kan ik het niet precies onderbouwen.'
'Onderbuikgevoelens,' zei Man. 'Daar moet je nooit naar luisteren.'
Toen begon het volgende item en gingen we slapen.
Voor de filosoof op het scherm verscheen, wist ik niet goed wat ik met het halve uur dat mij die avond nog restte, aan zou vangen. Man telefoneerde met zijn zus, en ik had de tv aangezet.
'Wilders is een fascist,' zei de filosoof. Hij was daar om in debat te gaan met een historicus die dat pertinent onwaar vond. Terwijl er op tv gesproken werd over het hedendaags fascisme, was Man elders in de kamer aan het debatteren over de voors en tegens van het hebben van dochters. Ik zette de televisie harder. Steeds harder. Ineens mocht ik geen woord missen van wat hier gezegd werd. Man hing op.
'Kom eens, kom eens,' zei ik.
'Die vent spreekt me niet aan,' zei Man.
'Maar je weet niet waar hij het over heeft.'
'Moet dat?'
'Volgens mij heeft hij gelijk! Echt. Al kan ik het niet precies onderbouwen.'
'Onderbuikgevoelens,' zei Man. 'Daar moet je nooit naar luisteren.'
Toen begon het volgende item en gingen we slapen.
Abonneren op:
Posts (Atom)