maandag 1 mei 2017

Column Trouw, 29 april


Stilletjes

De verjaardag van ex komt eraan. De zesjarige schildert een bruidspaar in felle kleuren met boven het hoofd van bruid en bruidegom een half hartje.
“Dit zijn papa en mama,” zegt ze. “Toen jullie gingen trouwen.”
Voor aan de muur in het scheidingshuis.
De elfjarige maakt een schilderij in pasteltinten, waarop alleen een vaas te zien is, met één geknakte witte bloem erin, een kaartje aan de stengel met in sierletters ‘papa’ erop. Eraan vast een schaduwvaas. Zonder bloem erin.
“Moet hier nog iets bij, mam?”
Ik herinner me mijn schoonzus die ooit zei dat ik vroeger altijd in de schaduw van haar broer stond. Wel: daar ben ik nu dus uit verdwenen.
“Het is precies goed zo,” zeg ik.
De zesjarige houdt haar schilderij omhoog.
 “Prachtig!” Daar staan we hoor, hand in hand, vereeuwigd door onze jongste dochter, met op de achtergrond knalgroene bergen. Blauwe lucht. Zon.
Ik stel me voor hoe de tweeënvijftigjarige deze schilderijen uitpakt, te midden van zijn familie – moeder, broer, zus, aanhang - in het vakantiepark in Drenthe. Ze zullen uitroepen dat de meisjes het tekentalent van hun vader hebben geërfd. Ik zal ‘gefeliciteerd!’ appen.
“Kom jij ook al niet op papa’s verjáárdag?” vraagt de zesjarige.
“Nee.”
“NEE?”
“Jullie zitten dan met papa’s familie in een vakantiehuisje, weet je nog?”
“Maar dat is toch ook jouw familie!”
“Ik hoor daar niet meer bij. Zoals papa nu ook niet meer meegaat naar opa en oma.”
“Nóóit meer?”
De zesjarige kijkt alsof ze nog nooit zoiets belachelijks heeft gehoord. Ik geef haar gelijk. 
Het vertrek uit zo’n familie gaat net zo terloops als dat je erbij komt. Ik heb niemand gedag gezegd. Ik ben stilletjes uit het plaatje verdwenen, zoals ik er ooit stilletjes bij kwam zitten. En daar neemt iedereen genoegen mee.
Dat is logisch. Ik nam er ook gewoon genoegen mee toen de man van mijn schoonzus op een dag van het toneel verdwenen was. Niet veel later verscheen er een nieuwe man in ons midden. Die man zit daar nu nog. En ik niet meer.
Ja, zo gaan die dingen. Maar dan kan het nog wel belachelijk zijn.
Mijn verdwijning uit zijn familie – uit zijn hele leven - gaat trouwens ook weer niet zó stilletjes. Je zou kunnen stellen dat ik, sinds man niet meer aan mijn zijde staat, aanweziger ben dan ooit. Op het dominante af.



maandag 24 april 2017

Column Trouw, 22 april

Over mij

“Hoe vind jij het gaan?” vraagt de mevrouw die ons helpt bij het proces.
Na drie maanden zitten we hier weer. In die tijd is er veel gebeurd, maar we zijn nu tenminste weer op een punt dat we af en toe met het gezin eten en samen een wijntje drinken. Een voorzichtig contact. Méér dan alleen die autocue voor gescheiden ouders.
“Ik weet het niet,” zeg ik. “Vraag eerst maar aan hem.”
Ex vindt het best oké gaan zo, het is kalmer, hij heeft een plek om te wonen die voorlopig best oké is. Het schema waaraan we ons houden is prettig.
“En jij?” vraagt ze.
Ik wil geen spelbreker zijn. Ik wil dat het ook oké gaat. Het gáát ook best oké. Ik vind het fijn dat we weer samen kunnen zijn. Het is beter dan niks. Al slaap ik daarna een paar nachten nauwelijks. Al vraag ik me om 10 uur ’s ochtends af:  ‘Is het al tijd voor wijn?’
Ik begin over onze andere tijdsbeleving. Of: een verschillende manier van denken. Dat dát het misschien is. Ex denkt lineair. Eerst was er dit, toen dat, nu zijn we uit elkaar. En mijn denken is lemniscatisch. Het één sluit voor mij het ander nooit uit. Bij ‘ik wil je niet’ hoort ook ‘ik wil je wel.’ Een ex is tegelijkertijd een geliefde. Verleden, heden toekomst. Het bestaat voor mij állemaal. Altijd.  Dwars door elkaar heen.
Die ex die hier naast me zit, – meteen is er het moment waarop we deze ruitjesblouse kochten – is ook gewoon de man waarop ik ooit verliefd werd en de man die niet-, maar ook wél mij houdt, met wie ik alles deel en tezelfdertijd niets. En hoe langer we dan thuis aan onze eettafel zitten, met onze meisjes, hoe meer ex naar de achtergrond verdwijnt en man naar voren komt. Mijn man. Ons gezin. Daar ís het allemaal weer! Hoera!
Terwijl ex zo dus helemaal niet denkt. Nee. Na een tijdje vertrekt hij toch echt. Lineair, zeg maar. Van hier naar daar. We houden elkaar even vast in het halletje en foetsie is-ie.
De mevrouw zegt dat het misschien ook té veel door elkaar heen kan lopen. De tijden, de rollen. Ze denkt dat meer afstand voor ons beiden belangrijk is.
“Wat heb jíj nu nodig?” vraagt ze. “Nee, dit gaat niet over je gezin, niet over je ex,  maar over jou."


dinsdag 18 april 2017

Column Trouw, 15 april

Eindpunt IJburg

Dit wordt een stukje over mijn bezoek aan het scheidingshuis. Want ik ben daar geweest.  
Ik wilde iets schrijven over communicatie. Dat het droevig is dat die plotseling beperkt wordt tot informatie over ‘de kinderen’. Een paar frases over ‘het werk’ en een gereserveerde glimlach over en weer.
HOE LANG WAS JE AL VERLIEFD OP DIE ANDER?
We houden ons aan het kader waarbinnen wij nu dienen te praten. We doen het prima als gescheiden mensen. We hebben zo ons eigen leven waarin we onze eigen dingetjes doen. Daar weiden we niet over uit.
IK HEB MET IEMAND GEZOEND. DAT WAS LEUK!
We eten een hapje met het oude gezin. We kijken naar de modeshow die de meisjes voor ons houden. Bij het weggaan, kussen we éérst de kinderen, daarna pas krijgt de ander een zoen. Geen omhelzing meer bij de voordeur. We streven duidelijkheid na.
HOU ME VAST! IK WIL JE VOELEN. GEWOON. EVEN. VOELEN.
Ik wilde iets schrijven over mijn terugkerende gevoel dat wij een gescheiden stel spélen. Het idee dat we de spelregels steeds beter begrijpen.
Maar ik ben uiteindelijk toch naar het scheidingshuis gegaan. Ik wist dat het voor mijzelf niet al te best zou zijn, maar wél goed om over te schrijven.
Bij ‘eindpunt IJburg’ stapte ik uit de tram. De elfjarige was aangenomen op de middelbare school van haar eerste keuze. Dat is in Amsterdam reden voor een feestje.
In de woonkamer van het scheidingshuis voelde ik me onmiddellijk thuis. Een oude bank en wat luie stoelen. Een sfeer van vrijheid. We klonken op de toekomst van onze dochter. Het was gezellig.
Als hij hier nou zo graag wil wonen, nou dan gaan we toch hier wonen, begon ik te denken. En: dit is ons vakantiehuis!
Het stapelbed in de slaapkamer van de meisjes voldeed aan het vakantiebeeld, behalve de bekende dekbedhoezen.
“En hier is de jongenskamer!” zei ex. Op de drempel bleef ik staan. Het eenpersoonsbed. De snoeren en opladers op de vloer. Toen zag ik het enkele gordijntje pas. Exact hetzelfde patchwork als onze gordijnen thuis.
“Heb ik laten maken,” zei hij trots.
De aanblik van dat ene gordijntje – die aan elkaar genaaide zijden zakdoeken - vond ik zo lief, zo eenzaam, zo pijnlijk en mooi tegelijk.
Dit was helemaal geen spel. Dit was de realiteit. HET ECHTE LEVEN, GODBETERT.
Ik kon er heel even naar kijken.

Ik schreef snel een stukje óver het echte leven.