Dat heb ik tot nu toe helaas niet gedaan. Althans: niet zoals ik zou willen beginnen. Ik heb mijn les voorbereid voor vanavond. Ik heb fragmentjes gelezen in Visser van Rob van Essen, De Weg van Cormac MCCarthy, De diefstal van mijn jeugd van Natascha Kampusch, Afkomst van Rashid Novaire. Goede namen gezocht in 'De mooiste voornamen uit de hele wereld.' Geen naam gevonden. In mijn les zal ik het - net als de vorige keer - gaan hebben over tijd, plaats, handeling, spanningsopbouw. Dus schreef ik zojuist in mijn zwarte begin-schrift: tijd? plaats? handeling? Spanningsopbouw? Maar zo werkt het toch niet helemaal. Het beginnen.
woensdag 13 oktober 2010
Ik begin
Deze week had ik vooral vandaag. De dag waarop ik weer zou gaan beginnen. En dan bedoel ik echt beginnen. Niet alleen denken over hoe ik zal beginnen en waarover ik zal beginnen. En al helemaal niet schrijven over beginnen. Maar het daadwerkelijk doen.
dinsdag 12 oktober 2010
Fictie of non-fictie, dat is de vraag
De schoonmaker is er niet. De schoonmaker komt de volgende week weer. Als man ook thuis is.
Ik heb zoveel reacties op mijn stukje van vorige week dinsdag gekregen, dat ik het niet kan maken ten opzichte van mezelf en mijn trouwe lezers. Maar lag het aan de schoonmaker zelf of komt het eerder door wat ik van hem maakte? Ik weet het niet meer zeker.
Was het echt zo erg?
De telefoontjes die ik de afgelopen week kreeg, de mails die ik ontving en ook de mensen die ik tegenkwam, vonden van wel. Ze begonnen er meteen over. 'Hoe zit dat nou met die schoonmaker?'
Ik heb zoveel reacties op mijn stukje van vorige week dinsdag gekregen, dat ik het niet kan maken ten opzichte van mezelf en mijn trouwe lezers. Maar lag het aan de schoonmaker zelf of komt het eerder door wat ik van hem maakte? Ik weet het niet meer zeker.
Was het echt zo erg?
De telefoontjes die ik de afgelopen week kreeg, de mails die ik ontving en ook de mensen die ik tegenkwam, vonden van wel. Ze begonnen er meteen over. 'Hoe zit dat nou met die schoonmaker?'
'Zo iemand heeft die fantasieën niet voor niets.'
'Je weet toch wel wat je doet?'
'Ik maak me zorgen.'
Ook man werd herhaaldelijk gewaarschuwd. 'Laat vrouw en baby niet alleen achter hoor. Niet doen!'
Ik weet het niet. Lag het aan de manier waarop ik de dialoog beschreef? Is de aard van dat stukje niet meer debet aan de zorgen van de lezer, dan de ware aard van de schoonmaker? Als ik het toen niet meteen hier opgeschreven had, was ik het nu wel weer vergeten.
'Ik maak me zorgen.'
Ook man werd herhaaldelijk gewaarschuwd. 'Laat vrouw en baby niet alleen achter hoor. Niet doen!'
Ik weet het niet. Lag het aan de manier waarop ik de dialoog beschreef? Is de aard van dat stukje niet meer debet aan de zorgen van de lezer, dan de ware aard van de schoonmaker? Als ik het toen niet meteen hier opgeschreven had, was ik het nu wel weer vergeten.
Dan was hij gewoon gekomen. Dan was er- waarschijnlijk - niets aan de hand geweest.
Heel zeker weten, doe ik dit niet. Dat is het punt.
Of schrijf ik dit ook alleen maar op om het spannend te houden?
Heel zeker weten, doe ik dit niet. Dat is het punt.
Of schrijf ik dit ook alleen maar op om het spannend te houden?
maandag 11 oktober 2010
Twee boze zusjes
Het weekendje weg - vrijdag, zaterdag, zondag - was voortreffelijk verlopen, tot we zondagavond op de A1 tot stilstand kwamen. Eerst ontwaakte de baby op de achterbank en niet veel later werd ook de kleuter wakker. We waren in een file van twintig kilometer beland. Deetje protesteerde zachtjes, maar haar protest werd hoe langer hoe slechter te negeren. Het speentje lag ergens in één van de tassen in de achterbak. Met mijn knieën op mijn stoel, en mijn billen richting voorruit, bood ik haar mijn vinger aan. Ze greep die met beide handen, stak 'm in haar mond en sabbelde. Zo zat ik een tijd. Zo stonden we een tijdje op de snelweg. Tot de auto plotseling optrok en mijn nagel in Deetjes verhemelte kraste. Het begin van een luid brullen en gillen. Ook Jeetje ging meedoen. Al gauw hadden we twee krijsende meisjes op de achterbank. Er was nergens een afslag. We reden vijf kilometer per uur. De donkerte viel in. De terugreis was nog maar net begonnen.
donderdag 7 oktober 2010
75 EU
Die man van de Nederlandse Spoorwegen had trouwens niet alleen een aardappelneus. Zijn hele gezicht was gebutst en gehavend. Zijn huid was dik en leerachtig. De paar haren die hij nog had, waren vet. In de pauze zat hij altijd alleen. At hij zijn zelf gesmeerde boterhammen met palingworst. Nog net niet met pensioen. Zijn ogen, dat was misschien wel het meest kenmerkende aan hem, zijn ogen keken naar mij alsof ik diegene was die hem ooit, hardhandig, naar zijn eigen helft teruggeduwd had. Die hem - en alle liefde die hij in zich had - voorgoed naar zolder bonjourde.
Alsof ik het was die met mijn vriendinnen om zijn hobby lachte. De miniatuurwereld waar hij voor spaarde. Daarboven. Bij de modeltreinen. Waar hij ook sliep.
Alsof ik het was.
Daarom schreef hij voor mij die bon.
Alsof ik het was die met mijn vriendinnen om zijn hobby lachte. De miniatuurwereld waar hij voor spaarde. Daarboven. Bij de modeltreinen. Waar hij ook sliep.
Alsof ik het was.
Daarom schreef hij voor mij die bon.
woensdag 6 oktober 2010
De voorleesmoeder
De meesters en de juffrouwen staan in pyjama's, sloffen en ochtendjassen buiten. Rupsje Nooitgenoeg kruipt levensgroot over het schoolplein. Voor deze gelegenheid eet hij boeken, veel boeken, in plaats van appels en peren. Alle kinderen van de school staan er, in hun nachtkleding, naar te kijken. In hun handen houden ze een versierde doos met een ontbijtje erin. Een gekookt eitje, een krentenbol, een broodje chocopasta en een banaan, mandarijn of een appel voor een klasgenoot. De kinderboekenweek begint en ik ben voorleesmoeder in Jeetjes klas. Ik heb een prentenboek meegenomen - 'Stap maar op mijn bezemsteel' van Julia Donaldson - en als het gezamenlijke ontbijt ten einde loopt, ga ik op de kruk van de juffrouw zitten en begin met voorlezen.
Maar eerst stel ik nog de vraag: 'Wie kent dit boek al?'
Het blijft helemaal stil. Na een tijdje steekt Jeetje haar vinger op.
'Ikke,' zegt ze zacht.
Maar eerst stel ik nog de vraag: 'Wie kent dit boek al?'
Het blijft helemaal stil. Na een tijdje steekt Jeetje haar vinger op.
'Ikke,' zegt ze zacht.
dinsdag 5 oktober 2010
Wie bepaalt
'Jij kan jouw baby gewoon in de prullenbak gooien.'De schoonmaker kijkt me aan.
'Ja?'
'Dan kan ze niks doen, toch? Jij bepaalt wat zij doet, toch?'
'Ja?'
'Nou, zo zijn mensen. Wij worden als marionetten bestuurd. Wij kunnen niks doen.'
'Wij zijn baby's die in prullenbakken kunnen worden gegooid?'
'Ja, wij bepalen zelf niks.'
*
'Ik kan jou zo vermoorden. En jouw baby ook. Jij weet niet waar ik last van heb.'
'Hoezo?'
'Dingen kunnen hoog oplopen, snapt? En dan kan het ineens genoeg zijn en dan kan ik denken: ik ga haar baby doden.'
'Ja?'
'Jij kent mij niet. Ik ken jou niet. Jouw man is hier niet. Ik ben een man, ik ben sterker.'
'O, maar daar heb ik heus wel aan gedacht hoor. Dat jij zou kunnen gaan moorden en meer van die dingen. Maar ik heb ingeschat dat jij dat niet zou doen.'
'Jij ziet de buitenkant.'
'Inderdaad. Ik vertrouwde het wel.'
'Jij weet niet wat in mijn hart zit.'
'Maar, eh, je wil toch niet gaan moorden nu?'
'Nee, nee.' Hij kijkt naar boven. 'Er is altijd iemand die over ons oordeelt.'
'Alleen dáárom moord je niet?'
'Ja?'
'Dan kan ze niks doen, toch? Jij bepaalt wat zij doet, toch?'
'Ja?'
'Nou, zo zijn mensen. Wij worden als marionetten bestuurd. Wij kunnen niks doen.'
'Wij zijn baby's die in prullenbakken kunnen worden gegooid?'
'Ja, wij bepalen zelf niks.'
*
'Ik kan jou zo vermoorden. En jouw baby ook. Jij weet niet waar ik last van heb.'
'Hoezo?'
'Dingen kunnen hoog oplopen, snapt? En dan kan het ineens genoeg zijn en dan kan ik denken: ik ga haar baby doden.'
'Ja?'
'Jij kent mij niet. Ik ken jou niet. Jouw man is hier niet. Ik ben een man, ik ben sterker.'
'O, maar daar heb ik heus wel aan gedacht hoor. Dat jij zou kunnen gaan moorden en meer van die dingen. Maar ik heb ingeschat dat jij dat niet zou doen.'
'Jij ziet de buitenkant.'
'Inderdaad. Ik vertrouwde het wel.'
'Jij weet niet wat in mijn hart zit.'
'Maar, eh, je wil toch niet gaan moorden nu?'
'Nee, nee.' Hij kijkt naar boven. 'Er is altijd iemand die over ons oordeelt.'
'Alleen dáárom moord je niet?'
maandag 4 oktober 2010
In de trein
Een opgepompte Afrikaan in een klein wit hemdje zit tegenover me. Ik voel aan mijn flubberarmpjes.
Een Surinaams modelgezin komt onze coupe in. Papa, mama, zoon en dochter. Ze kunnen geen plekje bij elkaar vinden.
Maar het is etenstijd. Moeder scheurt de grote, bruine zakken met patat open en de zakken met broodjes hamburgers. Ze haalt vier flesjes Fanta uit haar tas, deelt de servetten uit. De maaltijd begint. Ik heb zelden iemand zo smakelijk zien eten en ongebreideld zien genieten in een stampvolle wagon.
Een vrouw met een zwarte zonnebril en een grote, zwarte koptelefoon. Zij is er even niet.
Een meisje met een uitgezakte staart en een hese stem heeft haar benen op haar rode koffer gelegd. Ze draagt vuile Allstars. Ze belt de hele reis. Ze komt net uit Boedapest terug, daar was het supercool, ze heeft er ook een supercool party-eiland bezocht, en ze zal morgen met haar supercoole baan beginnen als coördinator van evenementen.
Een tengere man met grijs haar en zware, zwarte wenkbrauwen boven zijn felle ogen, houdt mij in de gaten. Maar ik hem ook.
Wat doet hij? Wie is hij?
De controleur met aardappelneus geeft mij een bekeuring. Mijn kortingskaart blijkt verlopen, terwijl er geldig tot en met januari 2013 op staat.
'Identiteitsbewijs,' roept hij.
'Heb ik niet bij me!'
'Dat moet,' zegt hij.
'Ik heb geen paspoort meegenomen vanmorgen.'
'Dat moet,' zegt hij weer.
'Heb ik niet bij me!'
'Geboorteplaats,' roept hij.
'NIJMEGEN.'
'ADRES?'
Het wordt doodstil in de coupé terwijl ik mijn adres voor de aardappelneus spel, alsof ik hem een gedicht voordraag.
Het supercoole meisje houdt op met bellen, de Afrikaanse bodybuilder kijkt me strak aan, de tengere grijsaard pakt pen en papier en zelfs de Surinamers laten hun hamburgers even koud worden. Alleen de vrouw die er niet wenst te zijn, is er nog steeds niet.
Een Surinaams modelgezin komt onze coupe in. Papa, mama, zoon en dochter. Ze kunnen geen plekje bij elkaar vinden.
Maar het is etenstijd. Moeder scheurt de grote, bruine zakken met patat open en de zakken met broodjes hamburgers. Ze haalt vier flesjes Fanta uit haar tas, deelt de servetten uit. De maaltijd begint. Ik heb zelden iemand zo smakelijk zien eten en ongebreideld zien genieten in een stampvolle wagon.
Een vrouw met een zwarte zonnebril en een grote, zwarte koptelefoon. Zij is er even niet.
Een meisje met een uitgezakte staart en een hese stem heeft haar benen op haar rode koffer gelegd. Ze draagt vuile Allstars. Ze belt de hele reis. Ze komt net uit Boedapest terug, daar was het supercool, ze heeft er ook een supercool party-eiland bezocht, en ze zal morgen met haar supercoole baan beginnen als coördinator van evenementen.
Een tengere man met grijs haar en zware, zwarte wenkbrauwen boven zijn felle ogen, houdt mij in de gaten. Maar ik hem ook.
Wat doet hij? Wie is hij?
De controleur met aardappelneus geeft mij een bekeuring. Mijn kortingskaart blijkt verlopen, terwijl er geldig tot en met januari 2013 op staat.
'Identiteitsbewijs,' roept hij.
'Heb ik niet bij me!'
'Dat moet,' zegt hij.
'Ik heb geen paspoort meegenomen vanmorgen.'
'Dat moet,' zegt hij weer.
'Heb ik niet bij me!'
'Geboorteplaats,' roept hij.
'NIJMEGEN.'
'ADRES?'
Het wordt doodstil in de coupé terwijl ik mijn adres voor de aardappelneus spel, alsof ik hem een gedicht voordraag.
Het supercoole meisje houdt op met bellen, de Afrikaanse bodybuilder kijkt me strak aan, de tengere grijsaard pakt pen en papier en zelfs de Surinamers laten hun hamburgers even koud worden. Alleen de vrouw die er niet wenst te zijn, is er nog steeds niet.
Abonneren op:
Posts (Atom)