Het zonnetje scheen. We slenterden gezellig met de kinderen over de begraafplaats in Otterlo. Op veel graven stond hun achternaam. Ik maakte foto's van Jeetje bij de verschillende zerken van haar onbekende voorvaderen en moederen. Misschien zagen ze ons? Misschien zagen ze dat alles gewoon doorgaat. Misschien waren ze trots op hun nakomelingen?
'We doen even een familiebezoekje,' zei ik.
Jeetje (10) poseerde bij een steen zoals sommige jongedames bij sportauto's poseren. Alsof het een geliefde is. Na de derde of vierde zerk begon ik me af te vragen of het goed was om een kind bij een grafsteen op de foto te zetten. Al gauw maakte ik niet meer van álle graven met de achternaam van mijn kinderen een foto. Tot ik er helemaal geen meer maakte. Ook Deetje (5) die in het begin nog enthousiast naast ons stapte, steeds weer haar achternaam spellend en daarbij trots haar eigen drie voornamen reciterend plús natuurlijk die vermaledijde achternaam, begon steeds langzamer te lopen. Haar neusje op te trekken. Te vragen wanneer we nou terug naar de auto gingen.
'Je moet wel oppassen. De dood kan je besmetten.' Haar grote zus zette een griezelige stem op.
'Echt? Kunnen we besmet raken?'
'Nee, joh, de dood is niet besmettelijk,' zei ik.
'Jawel hoor,' zei Jeetje.
'Ze pest je,' zei ik.
Maar Deetje koerste al richting uitgang. Haar nieuwe kleurige wandelschoenen in vlotte pas over het witte grind. Ze wilde weg, familie of niet. Eigenlijk begon ik toen ook wel genoeg te krijgen van de zwijgende voorouders.
Zodra we in de auto zaten, begón het me toch te stortregenen en te hagelen. Niet normaal.
'We zijn precies op tijd terug,' zei man.
donderdag 3 maart 2016
maandag 29 februari 2016
Ben jij er ook bij?
Het was zondagmiddag, we reden met z'n vieren naar oma. We draaiden 'Smoorverliefd' van Doe Maar en 'Diamond' van Rihanna. Dat wilde Jeetje horen. De zon scheen op onze gezichten. Deetje dommelde in haar kinderstoel. 'I Follow Rivers' van Lykke Li. Het was bijna jammer dat we er waren.
'Ben jij er óók bij!' riep de zus van man vanaf de wc toen we het huis van mijn schoonmoeder binnenkwamen.
'Ja? Hoezo?'
Een paar seconden viel alles stil. Ik was er ook bij.
We stonden in de gang met onze jassen aan. Vanuit mijn ooghoeken zag ik mijn schoonmoeder en schoonbroer. Ze lachten naar me. Ik kwam hier al drieëntwintig jaar. De grootste verrassing moest er nu toch af zijn. De wc-deur ging met een zwaai open. De zus hees haar Adidasrok omhoog.
'Ja, nou ik dacht dat je zíék was,' zei ze snel, 'dat las ik op je blog!' Ze begon ons één voor één te begroeten en gaf aan dat ze niet gekust moest worden vanwege verkoudheid.
Ik ging mijn blog na, maar kon me geen recente ziekte herinneren. Het gevaar van zo'n weblog is dat mensen denken dat ik bén wat ik hier opschrijf.
'Ik was laatst wel moe?' zei ik aarzelend, 'bedoel je dat?'
'Iedereen is er!' riep de zus toen. 'Gezellig! Het lijkt wel kérst!'
Tijdens de Indonesische maaltijd, bekeek ik de titels in de boekenkast van mijn schoonmoeder. Vanuit de diepte heb ik geroepen. En: De eenzaamheid van een vrouw. Grote gotische letters.
We aten kipsaté en hadden het over vegetarisch worden. Sinds Jeetje en ik de boekpresentatie van Dierentalen bijwoonden van Eva Meijer, wilden we eigenlijk helemaal geen vlees meer eten. We waren diep geroerd door haar toespraak.
Man en zijn broer verwijderden eerst de dode- en meteen ook maar de dementerende mensen uit de adressenlijst van hun moeders I-phone. Daarna ging het gesprek over het belang van opruimen. Ik vertelde dat ik het boek van de opruimcoach Marie Kondo gekocht had en dat we thuis begonnen waren aan een grote opruiming. Ik had de speelgoedkast en de badkamerkastjes geleegd. Man had al zeven vuilniszakken met kleding weggegooid. Het criterium: word ik hier blij van of niet? Alles waar hij niet blij van werd, belandde zonder pardon in een vuilniszak.
'Jullie moeten een televísie kopen,' zei de zus. 'Jullie moeten met z'n vieren televisie kijken. Dat is pas goed.'
'Ja? Hoezo?'
Een paar seconden viel alles stil. Ik was er ook bij.
We stonden in de gang met onze jassen aan. Vanuit mijn ooghoeken zag ik mijn schoonmoeder en schoonbroer. Ze lachten naar me. Ik kwam hier al drieëntwintig jaar. De grootste verrassing moest er nu toch af zijn. De wc-deur ging met een zwaai open. De zus hees haar Adidasrok omhoog.
'Ja, nou ik dacht dat je zíék was,' zei ze snel, 'dat las ik op je blog!' Ze begon ons één voor één te begroeten en gaf aan dat ze niet gekust moest worden vanwege verkoudheid.
Ik ging mijn blog na, maar kon me geen recente ziekte herinneren. Het gevaar van zo'n weblog is dat mensen denken dat ik bén wat ik hier opschrijf.
'Ik was laatst wel moe?' zei ik aarzelend, 'bedoel je dat?'
'Iedereen is er!' riep de zus toen. 'Gezellig! Het lijkt wel kérst!'
Tijdens de Indonesische maaltijd, bekeek ik de titels in de boekenkast van mijn schoonmoeder. Vanuit de diepte heb ik geroepen. En: De eenzaamheid van een vrouw. Grote gotische letters.
We aten kipsaté en hadden het over vegetarisch worden. Sinds Jeetje en ik de boekpresentatie van Dierentalen bijwoonden van Eva Meijer, wilden we eigenlijk helemaal geen vlees meer eten. We waren diep geroerd door haar toespraak.
Man en zijn broer verwijderden eerst de dode- en meteen ook maar de dementerende mensen uit de adressenlijst van hun moeders I-phone. Daarna ging het gesprek over het belang van opruimen. Ik vertelde dat ik het boek van de opruimcoach Marie Kondo gekocht had en dat we thuis begonnen waren aan een grote opruiming. Ik had de speelgoedkast en de badkamerkastjes geleegd. Man had al zeven vuilniszakken met kleding weggegooid. Het criterium: word ik hier blij van of niet? Alles waar hij niet blij van werd, belandde zonder pardon in een vuilniszak.
'Jullie moeten een televísie kopen,' zei de zus. 'Jullie moeten met z'n vieren televisie kijken. Dat is pas goed.'
donderdag 25 februari 2016
Tot hier en niet verder
'Tot hier en niet verder vind ik een betere titel,' zei de producer. 'Dat dekt de lading van het hoorspel helemaal.'
'Ja,' zei ik, 'Tot hier en niet verder. Dat is mooi.'
Het was half tien in de ochtend en ik had een werkoverleg in het Lloyd hotel over de laatste versie van het radiodrama Tot hier en niet verder dus. De nacht ervoor was weer een slapeloze geweest. In mijn hoofd leek alles door elkaar te lopen. Draadjes smolten samen. Het was een kolkende, bubbelende massa. Een vulkaan op het punt van uitbarsten.
'Hoe gaat het eigenlijk met jou?' vroeg de producer.
'Ja, het gaat!'
'Everything fine zeker,' zei de regisseur en grimaste.
'Precies.'
We bespraken het scenario: het moest een lichtvoetig vertelde nachtmerrie worden.
De meest vreemde beelden en fragmenten uit mijn leven trokken aan me voorbij, alsof dit mijn sterfscène was. Ik dronk muntthee, mijn vier ochtendlijke espresso's had ik al gehad - die leken de boel alleen nog wat meer op scherp te zetten in plaats van enige klaarheid te verschaffen - dus nam ik muntthee, en nog een, en nog een.
De regisseur en de producer spraken off the record over hun pubers en over porno. Dat veertienjarigen tegenwoordig allemaal enorm veel porno kijken. Ze hadden het over de seksuele burnt-out van tieners. Het schijnt nog nooit zo slecht gesteld geweest met het seksleven van de tiener vanwege die enorme hoeveelheid pornobeelden. Een buurvrouw stuurde een berichtje dat ze vast had gezeten in de glazen lift bij Rietlandpark en uren later door brandweermannen werd gered.
Op de terugweg nam ik de trap bij Rietlandpark. Ik zag de rood-witte afzetlinten bij de lift.
Thuisgekomen ging ik naar bed, ik zei de les af, legde een kruik op mijn onderrug en bestond niet meer.
Deze ochtend ziet alles er anders uit. Werkelijk alles in het leven valt of staat bij s l a a p.
'Ja,' zei ik, 'Tot hier en niet verder. Dat is mooi.'
Het was half tien in de ochtend en ik had een werkoverleg in het Lloyd hotel over de laatste versie van het radiodrama Tot hier en niet verder dus. De nacht ervoor was weer een slapeloze geweest. In mijn hoofd leek alles door elkaar te lopen. Draadjes smolten samen. Het was een kolkende, bubbelende massa. Een vulkaan op het punt van uitbarsten.
'Hoe gaat het eigenlijk met jou?' vroeg de producer.
'Ja, het gaat!'
'Everything fine zeker,' zei de regisseur en grimaste.
'Precies.'
We bespraken het scenario: het moest een lichtvoetig vertelde nachtmerrie worden.
De meest vreemde beelden en fragmenten uit mijn leven trokken aan me voorbij, alsof dit mijn sterfscène was. Ik dronk muntthee, mijn vier ochtendlijke espresso's had ik al gehad - die leken de boel alleen nog wat meer op scherp te zetten in plaats van enige klaarheid te verschaffen - dus nam ik muntthee, en nog een, en nog een.
De regisseur en de producer spraken off the record over hun pubers en over porno. Dat veertienjarigen tegenwoordig allemaal enorm veel porno kijken. Ze hadden het over de seksuele burnt-out van tieners. Het schijnt nog nooit zo slecht gesteld geweest met het seksleven van de tiener vanwege die enorme hoeveelheid pornobeelden. Een buurvrouw stuurde een berichtje dat ze vast had gezeten in de glazen lift bij Rietlandpark en uren later door brandweermannen werd gered.
Op de terugweg nam ik de trap bij Rietlandpark. Ik zag de rood-witte afzetlinten bij de lift.
Thuisgekomen ging ik naar bed, ik zei de les af, legde een kruik op mijn onderrug en bestond niet meer.
Deze ochtend ziet alles er anders uit. Werkelijk alles in het leven valt of staat bij s l a a p.
maandag 22 februari 2016
Vaderlijk
'Ik moet naar de Veerlaan.' Ik zit in de taxi naast een wat oudere Oost-Europese taxichauffeur. Het regent. Het waait verschrikkelijk. Hondenweer. De aansluiting met de tram heb ik gemist. Ergens in deze stad zal ik iets gaan doen.
'Waar is de Veerlaan?' vraagt hij.
Ik haal mijn schouders op.
'In Rotterdam?'
'Daar zijn we toch?'
Hij geeft me zijn navigator en ik typ daar de Veerlaan in, het nummer waar ik moet zijn en de juiste stad. De dikke vingers van de chauffeur zijn ook niet toereikend voor dit soort apparatuur. Dat zie je meteen.
'Is dat een privé adres?' vraagt hij.
'Nee, een boekhandel.'
'Wat moet je in een boekhandel.'
'Daar ga ik voorlezen.'
Ik heb geen zin in meer vragen, maar al gauw ontspint zich toch een gesprek over wat ik ga voorlezen, dat ik het boek zelf geschreven heb, waar dat dan wel niet over mag gaan?
'Over mensen,' zeg ik nogal kortaf.
'Ja, over mensen, logisch.' Hij laat zich niet afschepen. Dat is leuk. Terwijl we rijden moet ik van hem meekijken op de routeplanner. Hij vertelt dat hij 65 jaar is, net zo oud als mijn vader dus.
Over een paar maanden krijgt hij AOW, dan kan hij het rustiger aan doen. Hoeft hij zijn boterhammetje niet meer helemaal te verdienen met taxi rijden. Maar stoppen zal hij niet, zegt hij, dan weet hij niet wat hij moet doen. Hij vertelt over mensen. De mensen die hij in de auto krijgt, het verschil tussen mensen die van maandag tot vrijdag in zijn auto stappen, de mensen op zaterdag en zondag overdag zijn ook weer heel andere types, en de mensen die hij 's nachts rondrijdt zijn meestal dronken of crimineel. Veel te snel rijden we de Veerlaan in. Samen zoeken we het juiste nummer, hij zegt steeds dat ik naar links moet kijken.
'Dat zijn even nummers,' zeg ik, 'we moeten bij oneven zijn.' Maar hij doet niet aan even en oneven. Aan de rechterkant ligt de Fenix Food Factory met de boekhandel.
Hij wenst me succes. Hij wil me straks weer komen halen. Ik hoef hem maar te bellen. We zwaaien. Hij had me vast willen horen voorlezen. Als hij zijn boterhammetje niet had moeten verdienen.
'Waar is de Veerlaan?' vraagt hij.
Ik haal mijn schouders op.
'In Rotterdam?'
'Daar zijn we toch?'
Hij geeft me zijn navigator en ik typ daar de Veerlaan in, het nummer waar ik moet zijn en de juiste stad. De dikke vingers van de chauffeur zijn ook niet toereikend voor dit soort apparatuur. Dat zie je meteen.
'Is dat een privé adres?' vraagt hij.
'Nee, een boekhandel.'
'Wat moet je in een boekhandel.'
'Daar ga ik voorlezen.'
Ik heb geen zin in meer vragen, maar al gauw ontspint zich toch een gesprek over wat ik ga voorlezen, dat ik het boek zelf geschreven heb, waar dat dan wel niet over mag gaan?
'Over mensen,' zeg ik nogal kortaf.
'Ja, over mensen, logisch.' Hij laat zich niet afschepen. Dat is leuk. Terwijl we rijden moet ik van hem meekijken op de routeplanner. Hij vertelt dat hij 65 jaar is, net zo oud als mijn vader dus.
Over een paar maanden krijgt hij AOW, dan kan hij het rustiger aan doen. Hoeft hij zijn boterhammetje niet meer helemaal te verdienen met taxi rijden. Maar stoppen zal hij niet, zegt hij, dan weet hij niet wat hij moet doen. Hij vertelt over mensen. De mensen die hij in de auto krijgt, het verschil tussen mensen die van maandag tot vrijdag in zijn auto stappen, de mensen op zaterdag en zondag overdag zijn ook weer heel andere types, en de mensen die hij 's nachts rondrijdt zijn meestal dronken of crimineel. Veel te snel rijden we de Veerlaan in. Samen zoeken we het juiste nummer, hij zegt steeds dat ik naar links moet kijken.
'Dat zijn even nummers,' zeg ik, 'we moeten bij oneven zijn.' Maar hij doet niet aan even en oneven. Aan de rechterkant ligt de Fenix Food Factory met de boekhandel.
Hij wenst me succes. Hij wil me straks weer komen halen. Ik hoef hem maar te bellen. We zwaaien. Hij had me vast willen horen voorlezen. Als hij zijn boterhammetje niet had moeten verdienen.
donderdag 18 februari 2016
Niet doen!
Op een verlaten stukje van de Zeeburgerdijk, aan de overkant van waar ik fiets, staan een man en een vrouw tegenover elkaar, onder het licht van een lantaarnpaal. De man heeft een capuchon op en een flesje in zijn hand, hij neemt een slok, draait zich om en loopt van haar weg. Het flesje slingert naast zijn lijf.
'Loop je nou weg!' schreeuwt ze. 'Loop je nou weer weg!'
Hij loopt door in de trefzekere, nonchalante en hoogst irritante pas van iemand die van weglopen zijn leven heeft gemaakt. Van iemand die weet dat hij tegengehouden zal worden. Van iemand die weet dat hij uiteindelijk zal winnen. Ook al heeft hij geen gelijk. Zij kijkt naar zijn rug, de capuchon die uit haar zicht verdwijnt, roept iets, geen reactie, dan begint ze te rennen. Van hem weg! Steeds harder. Haar hakken klakken op het trottoir. Ze rent voor haar leven.
Goed zo!, denk ik. Weg van die kerel! Ik wist dat je het kon.
Tevreden over deze onverwacht goede afloop, fiets ik door.
Als ik nog één keer omkijk - omdat ik de hakken niet meer hoor - staat ze een eind verderop over een fiets gebogen. Haar tengere silhouet. Ze maakt het slot los en racet als een gek achter die slampamper aan. De duisternis in.
maandag 15 februari 2016
Tien Jaar
Op vrijdagavond deed ik mascara op haar trillende oogleedjes, lippenstift, verdween ze om half acht met een schaal worstjes in een vreemd huis om er pas om elf uur weer uit te komen.
Op zaterdag hing ze in pyjama, met spierwit snuitje, voor de computer en deed een online spel. 'Misschien is dat aardige meisje dat jou steeds cadeautjes geeft, wel een vieze veertigjarige man,' zei ik. 'Pas erop! Denk erom.'
Op zondagavond stond ik bij de halte op ons eiland te wachten op tram 26. Het was donker. Het regende. Het was koud. In de verte zag ik de twee felle koplampen uit de richting van centraal station komen. Het rood/zwart geblokte jasje stond voor de deur. De blonde paardenstaart. De hand met de tramkaart in de aanslag. De concentratie op haar gezicht. De deuren gingen open.
Zodra ze me zag, lachte ze breed, gaf haar portemonneetje. De tramkaart. De hele verantwoordelijkheid. Het was allemaal weer voor mij.
vrijdag 12 februari 2016
Mag ik iets zeggen?
Ik wil net naar bed gaan als er wordt aangebeld. Het is half elf 's avonds. Ik denk aan een buurvrouw die iets nodig heeft. Maar door het glas zie ik dat er een onbekende Surinamer van een jaar of vijftig/zestig voor de deur staat. Hij kijkt een beetje lodderig uit zijn ogen. Hij lijkt op mijn opa die volgens mij precies vandaag, 25 jaar geleden is overleden. De opa in de Mercedes die tot zijn eigen ellende altijd aangehouden werd bij de grens om zijn paspoort te laten zien. De opa met het bruine hoofd en de melkflessen als benen.
We kijken elkaar aan door de ruitjes van de voordeur. Nooit bellen er vreemde mannen aan. Nu zit man in Zweden en meteen - tring -. De man gebaart dat ik open moet doen. Hij heeft ook iets verdrietigs of hij speelt verdrietig.
'Doe eens open.' Hij staat bijna met zijn neus tegen het glas. 'Ik wil iets zeggen.'
'O?'
'Mag ik iets zeggen?'
'Nee.'
'Mag ik iets zeggen?' Hij praat harder.
'Eigenlijk niet,' roep ik.
Ik draai me om en loop het halletje snel uit, doof de lichten en verdwijn snel naar boven. Als opa mij na een kwart eeuw nog iets wil komen zeggen, moet ie dat niet om half elf 's avonds doen.
Dat weet hij zelf ook wel.
We kijken elkaar aan door de ruitjes van de voordeur. Nooit bellen er vreemde mannen aan. Nu zit man in Zweden en meteen - tring -. De man gebaart dat ik open moet doen. Hij heeft ook iets verdrietigs of hij speelt verdrietig.
'Doe eens open.' Hij staat bijna met zijn neus tegen het glas. 'Ik wil iets zeggen.'
'O?'
'Mag ik iets zeggen?'
'Nee.'
'Mag ik iets zeggen?' Hij praat harder.
'Eigenlijk niet,' roep ik.
Ik draai me om en loop het halletje snel uit, doof de lichten en verdwijn snel naar boven. Als opa mij na een kwart eeuw nog iets wil komen zeggen, moet ie dat niet om half elf 's avonds doen.
Dat weet hij zelf ook wel.
Abonneren op:
Posts (Atom)