In een zoveelste poging mezelf te doorgronden, heb ik dit weekend aan vrienden gevraagd waarom je mij nou RAAR zou vinden.
'Wees eerlijk!' zei ik streng. 'Ik wil er vanaf namelijk.'
In de zesde klas kreeg ik ooit het stempel middelmatig. Eén van de eerste serieuze dieptepunten in mijn leven. Je bent 11 en middelmatig. Je bent 34 en raar. 'JIJ? Jij ben gewoon héél raar!' En er wordt besmuikt gelachen.
Doe ik nu al jarenlang zo raar om de middelmatigheid te verbloemen? Is het de angst dat er als ik niet raar doe, weinig interessants overblijft? Dan ben ik vanaf nu bereid álles te laten vallen. Om op mijn 35ste eindelijk mijn gewone zelf te zijn.
'Het is niet negatief raar,' zei de vriendin geruststellend.
'Nee, het is leuk raar,' zei de vriend. 'Je hebt léúk raar en echt ráár van weird.'
'Ze vinden mij ook vaak raar,' ging de vriendin door. 'Maar ik zeg er altijd snel een paar normale dingen achteraan - over het weer en zo - en dat doe jij misschien niet.'
'Over het weer en zo,' pikte ik snel op.
maandag 31 maart 2008
zondag 30 maart 2008
Meneer Buks Bestaat
Meneer Buks is toch wel blij. Al geeft hij het niet graag toe. Zijn bestaan is erkend. Alsof hij eindelijk is aangegeven!
Nadat hij een paar jaar vruchteloos in donkere mappen zat (dit druiste ernstig tegen zijn persoonlijkheid, komaf en plaats op de maatschappelijke ladder in) is hij nu als kort verhaal tevoorschijn gekomen. In ORP. Een Nijmeegs blad. Ook de buurt waar meneer Buks zelf vandaan komt. Waar iedereen Hem wel kent van gezicht. Hij bestaat in het nummer Alles Grijs.
Dat laatste steekt hem een beetje. Dat hij nu juist in een themanummer over ouden van dagen terecht gekomen is.
Maar och, dat was het boekenweekthema. Daar kunnen die blaadjesmakers niks aan doen. Dat is van hogerhand opgelegd.
Meneer Buks houdt zichzelf voor dat het thema niks met hem te maken heeft. Helemaal niks.
Nadat hij een paar jaar vruchteloos in donkere mappen zat (dit druiste ernstig tegen zijn persoonlijkheid, komaf en plaats op de maatschappelijke ladder in) is hij nu als kort verhaal tevoorschijn gekomen. In ORP. Een Nijmeegs blad. Ook de buurt waar meneer Buks zelf vandaan komt. Waar iedereen Hem wel kent van gezicht. Hij bestaat in het nummer Alles Grijs.
Dat laatste steekt hem een beetje. Dat hij nu juist in een themanummer over ouden van dagen terecht gekomen is.
Maar och, dat was het boekenweekthema. Daar kunnen die blaadjesmakers niks aan doen. Dat is van hogerhand opgelegd.
Meneer Buks houdt zichzelf voor dat het thema niks met hem te maken heeft. Helemaal niks.
vrijdag 28 maart 2008
Fitna gezien
Ik weet nog dat ik in het eerste jaar van mijn opleiding Dramaschrijven in een toneelscène een slechterik en een goederik opvoerde. En dat de meester zei dat die slechterik iets goeds moest hebben en die goederik iets slechts.
Meteen riep ik: 'Dat kán niet! Die slechterik is door en door slecht. En die goederik is in en in goed!'
De meester zweeg.
De meester oordeelde niet graag.
Toen ik uitgeraasd was, sprak de meester: 'Laat ze dan tenminste met elkaar naar bed gaan.'
Ik zei niets. Ik dacht dat de meester gek was geworden. De meester begreep níks van wat ik wilde zeggen. En hoe de wereld in elkaar stak. Trouwens, de meester kénde de slechterik en de goederik niet eens, die ik beschreven had.
De meester herhaalde kalm: 'Laat ze met elkaar naar bed gaan. Dat werkt altijd.'
Meteen riep ik: 'Dat kán niet! Die slechterik is door en door slecht. En die goederik is in en in goed!'
De meester zweeg.
De meester oordeelde niet graag.
Toen ik uitgeraasd was, sprak de meester: 'Laat ze dan tenminste met elkaar naar bed gaan.'
Ik zei niets. Ik dacht dat de meester gek was geworden. De meester begreep níks van wat ik wilde zeggen. En hoe de wereld in elkaar stak. Trouwens, de meester kénde de slechterik en de goederik niet eens, die ik beschreven had.
De meester herhaalde kalm: 'Laat ze met elkaar naar bed gaan. Dat werkt altijd.'
donderdag 27 maart 2008
Zo laat nog
Het was even na half zes in de avond. De groente pruttelde in de tagine. Jeetje en ik gingen nog eventjes naar het Amstelpark.
Het motregende. We bleken er de enigen. Jeetje rende over het bospaadje. Ze had een tak in haar hand en vroeg opgetogen of ik er ook één wou! 'Ja,' zei ik en dacht: hier kan ik flink mee meppen. In mijn andere hand had ik de huissleutels. Tussen elke vinger eentje. Dat had ik ooit op een zelfverdedigingcursus geleerd. Kun je in één beweging een gezicht mee openleggen.
De speeltuin van het Amstelpark hadden we ook voor onszelf. Achter het hek blaatte een schaapje. 'Die wil er uit!,' riep Jeetje. Ze waarschuwt ons, dacht ik. Jeetje huppelde van glijbaan naar glijbaan. Met een ontspannen glimlach op mijn gezicht, keek ik toe.
Ik luisterde. De snelweg suisde. De wind ritselde. De klimtoestellen waren leeg. Ik dacht aan de kalende man die aan de oever van de Amstel gestaan had. Terwijl ik de fiets argeloos voor de ingang van het park parkeerde. En met de kleine Jeetje door de grote gele draaideur, het bos in verdween. Wie doet dat nou, zo laat nog.
Het motregende. We bleken er de enigen. Jeetje rende over het bospaadje. Ze had een tak in haar hand en vroeg opgetogen of ik er ook één wou! 'Ja,' zei ik en dacht: hier kan ik flink mee meppen. In mijn andere hand had ik de huissleutels. Tussen elke vinger eentje. Dat had ik ooit op een zelfverdedigingcursus geleerd. Kun je in één beweging een gezicht mee openleggen.
De speeltuin van het Amstelpark hadden we ook voor onszelf. Achter het hek blaatte een schaapje. 'Die wil er uit!,' riep Jeetje. Ze waarschuwt ons, dacht ik. Jeetje huppelde van glijbaan naar glijbaan. Met een ontspannen glimlach op mijn gezicht, keek ik toe.
Ik luisterde. De snelweg suisde. De wind ritselde. De klimtoestellen waren leeg. Ik dacht aan de kalende man die aan de oever van de Amstel gestaan had. Terwijl ik de fiets argeloos voor de ingang van het park parkeerde. En met de kleine Jeetje door de grote gele draaideur, het bos in verdween. Wie doet dat nou, zo laat nog.
woensdag 26 maart 2008
WAKKER
Soms slaap ik te diep. Zo diep dat ik 's ochtends niet écht wakker ben - maar dat heb ik niet helemaal in de gaten natuurlijk, zoals de slapenden niet weten dat ze slapen - ik werk in halfslaap en ik betreed aan het einde van de dag de crèche in droomtoestand. De gezichtjes staren mij van ver aan. De mondjes beginnen te roepen en de vingertjes te wijzen. Naar mij.
De kleine waarvoor ik kom, rijdt rond op een autootje.
Dan krijg ik een klap in mijn gezicht. De kleine is afgestapt.
'Hee, dat mag je niet doen,' zeg ik zwakjes.
'Ik-blijf-hier.'
'Je moet mee.'
'Nee, ik blijf hier!' En hoppa, daar heb ik nog een klap te pakken. Recht in mijn smoel. Ik voel iets in mij ontwaken. Ergens in dit lichaam ontvlamt iets. Een klein vuurtje en het begint steeds harder te branden. Totdat de hele boel in de fik staat.
En bij de kleine tenslotte ook.
De kleine waarvoor ik kom, rijdt rond op een autootje.
Dan krijg ik een klap in mijn gezicht. De kleine is afgestapt.
'Hee, dat mag je niet doen,' zeg ik zwakjes.
'Ik-blijf-hier.'
'Je moet mee.'
'Nee, ik blijf hier!' En hoppa, daar heb ik nog een klap te pakken. Recht in mijn smoel. Ik voel iets in mij ontwaken. Ergens in dit lichaam ontvlamt iets. Een klein vuurtje en het begint steeds harder te branden. Totdat de hele boel in de fik staat.
En bij de kleine tenslotte ook.
dinsdag 25 maart 2008
Raar
In de AH dwaalde een zwart spook. Het was iets kleiner dan ik.
Ik was net rustig een paksoi aan het bestuderen, toen het spook naast me kwam staan. Mijn hart stond een tel stil. Daarna keek ik om me heen of er meer waren die het gezien hadden. Of dat ik mijzelf nu beter officieel het predikaat 'raar' op kon plakken.
'Ik ben raar. Ik zie een zwart spook in de AH. Maar wat geeft dat!?'
Toen zag ik dat het een vrouw in boerka was. Waarbij zelfs de ogen niet vrijgelaten worden. Of een man in boerka. Wist ik veel wie daar precies onder zat. Ik kon het mens niet eens een blik toewerpen. Niets. Ik stond daar maar hulpeloos met mijn paksoi. En omdat de zwarte stof dunner was op de plek waar de ogen moesten zitten, kon zij wel naar buiten kijken. Ik niet naar binnen.
Ik was net rustig een paksoi aan het bestuderen, toen het spook naast me kwam staan. Mijn hart stond een tel stil. Daarna keek ik om me heen of er meer waren die het gezien hadden. Of dat ik mijzelf nu beter officieel het predikaat 'raar' op kon plakken.
'Ik ben raar. Ik zie een zwart spook in de AH. Maar wat geeft dat!?'
Toen zag ik dat het een vrouw in boerka was. Waarbij zelfs de ogen niet vrijgelaten worden. Of een man in boerka. Wist ik veel wie daar precies onder zat. Ik kon het mens niet eens een blik toewerpen. Niets. Ik stond daar maar hulpeloos met mijn paksoi. En omdat de zwarte stof dunner was op de plek waar de ogen moesten zitten, kon zij wel naar buiten kijken. Ik niet naar binnen.
maandag 24 maart 2008
Tweede paasdag
'Kom gaan we dáárheen.' Hij wijst naar het grote ijzeren hek van Zorgvlied. Het dochtertje op haar lawaaierige plastic driewieler met laadbakje stopt met fietsen.
'Die speeltuin halen we toch niet meer,' zegt hij somber.
'Hoezo halen we die speeltuin niet meer?' vraag ik.
'Wou jij nog zover dan?'
'Ik vind dat niks! Zo'n begraafplaats met zo'n kind.'
'Ach het is toch gewoon een bos!'
Even later staat het felkleurig driewielertje achter het hek geparkeerd en schrijden vader en moeder langs de zerken. Het dochtertje klimt enthousiast op een grafsteen.
'TERUG JIJ. Alléén op de paden!' Het moet iets in de toon van moeders stem zijn dat maakt dat het dochtertje niet weet hoe snel ze er weer af moet komen. Iets zorgt er ook voor dat ze steeds stiller wordt. Ze zijn de enige drie bezoekers in dit bos.
Dan begint het te sneeuwen. En te hagelen. Moeder draagt het dochtertje. Ze zetten de pas er stevig in.
'Het is hier net een doolhof,' zegt vader na een tijdje.
En als ze weer bij de ingang komen, is het hek gesloten.
'Die speeltuin halen we toch niet meer,' zegt hij somber.
'Hoezo halen we die speeltuin niet meer?' vraag ik.
'Wou jij nog zover dan?'
'Ik vind dat niks! Zo'n begraafplaats met zo'n kind.'
'Ach het is toch gewoon een bos!'
Even later staat het felkleurig driewielertje achter het hek geparkeerd en schrijden vader en moeder langs de zerken. Het dochtertje klimt enthousiast op een grafsteen.
'TERUG JIJ. Alléén op de paden!' Het moet iets in de toon van moeders stem zijn dat maakt dat het dochtertje niet weet hoe snel ze er weer af moet komen. Iets zorgt er ook voor dat ze steeds stiller wordt. Ze zijn de enige drie bezoekers in dit bos.
Dan begint het te sneeuwen. En te hagelen. Moeder draagt het dochtertje. Ze zetten de pas er stevig in.
'Het is hier net een doolhof,' zegt vader na een tijdje.
En als ze weer bij de ingang komen, is het hek gesloten.
Abonneren op:
Posts (Atom)