vrijdag 25 november 2011

Ik, opwarmertje

Het was druk toen ik bij de Melkweg aankwam, ik dacht: als die lui voor ons komen, lopen we binnen. Maar het optreden van de schrijvers was in de theaterzaal, een fijne zaal, die ook helemaal vol kwam te zitten. Het was een leuk programma. De meeste schrijvers bleken nog wat ernaast te kunnen zoals zingen, grappig presenteren, filmpjes maken, en op ukelele spelen. Daar moet je mij allemaal niet voor vragen. Er was ook een tv-icoon die een boek had geschreven. Die bleek dàt er weer naast te kunnen. Veel multi-talenten in deze wereld. Ik bewonder multi-talenten. Ik, monomaan type. Het enige waar je mij voor kunt vragen is: schrijf een stukje, kom het voordragen en dan ook nog het liefst niet als eerste, zoals gisteren. Ik ben geen geweldig opwarmertje. Daar moet je een losse mond voor hebben. Al is dat nog wel te leren. Als ik het vanavond over zou doen, wist ik het wel.
Maar vraag je mij een liedje te zingen, dan gaat dat echt te ver. Ik kan naast het schrijven helemaal niets.

dinsdag 22 november 2011

De kringmonoloog

In de bieb stonden vijfentwintig stoelen in een kring en daartussen een rode fauteuil, maar het was niet Sinterklaas die daarop zou gaan zitten.
Het was alsof ik jarig was.
Vandaag schiet het de hele dag al door mijn hoofd: Ik heb de gasten niks teruggevraagd. Ze zijn gekomen en ik ben twee uur lang achter elkaar aan het woord geweest. En toen was het feestje afgelopen.

Er was een meisje van vroeger dat haar kledingwinkel net verkocht had omdat het zo slecht ging met de branche. Haar moeder vertelde dat ze echt een hele mooie zaak had gehad. Er was een moeder van een jongen die bij mij op de lagere school zat, die nu in Amerika woont en daar piloot is. Er was iemand van wie in de wandelgangen werd gezegd dat hij mijn oude jeugdliefde was. Er was een vrouw die de volgende ochtend naar een begrafenis zou gaan van iemand die een gelukkige dood had gehad. Er waren mijn tantes die mijn verhalen niet goed kunnen lezen omdat voor hen de realiteit zich teveel met de fictie mengt. Er was iemand die alles van mij las. Mijn oma zat naast me in de gele fauteuil die er, speciaal voor haar, bij werd gezet. Vlak voor ik begon, zei ze: 'Nou, ik ben eens benieuwd wat je allemaal gaat vertellen.'
Een mevrouw zei heel vaak nadat ik iets voorgelezen had: 'Maar dat is heel normaal hoor, dat je dat hebt. Dat heeft iedereen.' Tegen iemand anders hoorde ik haar zeggen: 'Zij denkt dat zij de enige is die daar mee zit.'
Vandaag is het ook al vaak door mijn hoofd geschoten, dat dat niet zo is. Ik denk dat niet. Juist niet. Ik schrijf volgens mij omdat ik hoop - omdat ik vermoed, misschien wel zeker weet - niet de enige te zijn.

maandag 21 november 2011

Een telefoongesprek

Gisteravond telefoneerde ik met mijn moeder over dat ik vandaag bij hen kom eten en over hoe laat ik dan op het station Boxmeer zal arriveren en zo. Vanwege de lezing die ik geef in de bibliotheek waar ik vroeger twee keer in de week kwam om boeken te lenen.
'Weet je eigenlijk hoeveel mensen er komen?' vraag ik na een tijdje.
'Niet veel!'
'O,' zeg ik.
'Nee,' zegt ze, 'het viel de mensen van de bibliotheek ook vies tegen.'
'Misschien hebben ze niet genoeg aan publiciteit gedaan?'
'Toch wel,' zegt mijn moeder, 'het heeft in alle krantjes gestaan.'
'O,' zeg ik. 'Nou, als schrijvers in bibliotheken in uithoeken van het land lezingen geven, komen er nooit erg veel mensen.'
'Ik snap niet dat de bieb niet een avondje creatief schrijven organiseert bijvoorbeeld,' zegt mijn moeder, 'dat is toch veel leuker.'
'Ja,' zeg ik. 'Veel.'
'Ik weet zeker dat daar wèl mensen op af komen.'
'Dat kan ik anders ook wel doen,' zeg ik. 'Wil je liever dat ik dat doe?'
'En ze organiseren in deze bibliotheek vaak echt hele leuke dingen hoor. Echt waar. Cursusavondjes over het bedienen van je I-pad.'
'O leuk!'
'Ik ga zelf ook nooit als er een schrijver in de bieb komt,' zegt mijn moeder. 'Wel als er iemand een lezing komt geven die ergens heel specifiek iets vanaf weet.'
'Dat is ook zo.'
'Maar de mensen in de bieb zeiden dat er vaak nog wel een paar mensen bij komen hoor,' zegt ze dan geruststellend. 'Die niet van tevoren een kaartje hebben gekocht.'

vrijdag 18 november 2011

Tegen de honderd

Maandag geef ik een lezing in de bibliotheek waar ook mijn 96-jarige oma bij zal zijn. Ze woont in haar eigen appartement recht boven die bieb. Ik weet niet zeker of ze er is, want soms is ze te moe om de deur uit te gaan. Ze woont nog altijd op zichzelf. Haar onafhankelijkheid is haar grootste goed. Of eigenlijk: was haar grootste goed. De laatste tijd hoor ik geluiden dat oma van plan is naar het bejaardentehuis te verhuizen. Dat het gezelliger kan zijn om met meer mensen te eten dan in je eentje. Het lijkt mij raar om in de bieb te staan praten met oma erbij. Ik schat dat ze mij uiteindelijk nog altijd in haar hoofd heeft als 12-jarige. En ik denk dat ze eind 70 is, 80 op z'n hoogst. Elke keer als we elkaar zien, schrikken we een beetje. Om de tijd die voorbij blijkt te zijn gegaan. Zonder dat we er echt erg in hadden.
Voor je het weet loop je tegen de honderd.

donderdag 17 november 2011

Regels

'Je mag toch helemaal geen zin beginnen met 'ik'? merkte een cursist van mijn klasje op. 'Dat is een regel.'
'Nee, dat is alleen bij sollicitatiebrieven,' zei iemand anders.
'Je mag sowieso nooit beginnen met ik.' Weer een ander. 'In geen enkele brief, dat is de etiquette.'
'Wel in een liefdesbrief,' riep ik. De discussie ging nog een tijdje voort.

Daarna kwam het woordje 'één' aan de orde, dat moest 'een' zijn volgens de cursist. Ook het accent egu scheen streng verboden te zijn in schriftelijke teksten. Er volgde geharrewar over het al dan niet toestaan van het accent egu.
'In fictie mag alles. ALLES!' bleef de juf maar roepen,'óók het accent egu.'

Na de les, om half elf 's avonds, liep een cursist een stukje met me mee: 'Zo dat was vermoeiend voor jou, hè?' zei hij.
'Nou, en als ze dan ook nog eens allemaal het huiswerk niet begrijpen.'
'Ja,' zei hij begripvol, 'soms begrijp je het zelf wel, maar dat betekent nog niet dat een ander het ook begrijpt. Dat is net als met dromen, die zijn voor jezelf ook heel helder.'
'Aha,' zei ik.

dinsdag 15 november 2011

Nog een maand

Ik kwam bij de fotograaf voor een foto bij mijn column in de Brug, het krantje van stadsdeel Oost. Er hing een heel groot portret van Pim Fortuin in de studio. Er kringelde rook voor zijn gezicht.
'O, die is een week voor zijn dood genomen,' zei de fotograaf.
'Jee,' zei ik.
'Ja,' zei hij, 'veel mensen waar ik foto's van heb gemaakt, zijn nu dood.'
'Jee,' zei ik.
'Ja,' zei hij. 'Heel gek.'
Hij lachte. Hij noemde een paar namen van mensen die hij gefotografeerd had en die een paar weken of een maand later plotseling het leven hadden gelaten.
Tijdens het fotograferen zei ik nog dat het ook een mooie foto moest worden voor bij een overlijdensadvertentie. Hoewel ik me nu bedenk dat daar helemaal geen foto's bij staan.

maandag 14 november 2011

De oma

De oma drukte de kleinkinderen, twee meisjes, dwars door de mensen heen. Door mij heen. Maar dat ging moeilijk. 'Aan de kant' riep de oma steeds. 'Aan de kant! Mogen zij er ook even bij ja! JAA!' Tegen de meisjes fluisterde ze: 'Doorlopen, hup, gewoon doorlopen! Dan moeten ze wel.'
In acht dagen had ik drie massa-bijeenkomsten gehad - respectievelijk een afzwem-evenement in een bomvol zwembad, een concert (alwaar genoeg over gezegd is) en gisteren bevond ik me dus op de dam, rondom de dranghekken, met alleen de blauwe kouwe lucht boven mij. Leeg en stil.
De oma had haar kleinkinderen uiteindelijk toch tot aan het hek weten te manoeuvreren en was naast mij tot stilstand gekomen. Dat bewijst maar weer eens dat de doordouwers de wereld hebben.
We wachtten op de goedheiligman.
Ik dacht ik ineens aan de woorden: 'Iedereen weet dat het gevaarlijk is, maar mensen verzamelen zich steeds weer.' Ook dacht ik aan de damschreeuwer. De burgermeester zat op nog geen steenworp afstand van ons. Daarna dacht ik aan de avond in de melkweg die over angst zal gaan. De angst die er in de maatschappij heerst. Die niet persé berust op waarheid, maar ook niet volledig op fictie, natuurlijk.
De oma naast mij bleef roepen en wuiven: 'Hier hier hier! Piet hier! HIER!' En ze wees op de kruintjes van de meisjes. 'Zij hebben nog niks gehad!'
Toen piet niet snel genoeg was, krijste de oma: 'Bedankt Piet! Bedankt Piet. Bedanhankt!'
De oma kan er ook niets aan doen, dacht ik. Ze wil alleen maar dat haar kleinkinderen niets te kort komen. Ze wil dat zij wèl gezien worden. Ik bedacht ook dat de opa haar vast - een hele tijd geleden al - verlaten had.