dinsdag 21 mei 2013

Regel

Show don't tell. Laat het voelen en vertel niet wat er gevoeld zou moeten worden. Nooit. Dat is zo'n regel.
De komende weken zal ik opnieuw door mijn boek gaan. Nu met de luizenkam. Er zullen zinnen sneuvelen waar ik van hield en zinnen waar ik toch al vanaf wou. Het wordt er beter van. Er zullen woorden vervangen worden voor andere woorden. Het is leuk werk. (Dit is dus fout. Ik vertel wat ik ervan vindt terwijl de lezer de conclusie - dat het leuk werk is (ook al dubbelop) - zelf uiteindelijk zou moeten trekken) Soms word ik moe van 'show don't tell'. Als je die regel namelijk te consequent toepast, krijg je bloedeloos proza. Een uitgebeende tekst kan goed werken, maar je moet oppassen voor starheid. Al klopt het allemaal en voelen we keurig wat de schrijver beoogde. Verstarring is iets verschrikkelijks. Er zijn meer dingen om in de gaten te houden en soms kan het nodig zijn om het te vertellen én het ook nog eens te laten zien. De kracht van herhaling moet niet onderschat worden. Ritme is denk ik het allerbelangrijkst in een boek.
Morgen zal ik het wel weer vertellen tegen mijn cursisten. Show don't tell. Bla die Bla. Want als je die regel niet begrijpt, kun je nooit leren schrijven. Ook al is het geen regel.

maandag 20 mei 2013

De tramconductrice

Het is nu al weer een week geleden dat ik haar zag. De tramconductrice. Ze paste net in het glazen hokje. Een vrouw met buitengewoon grove gelaatstrekken. Een kop als een buldog en de uitstraling ervan. Grote neus, grote lippen, grote ogen achter glas. De kleur beige en lichtbruin overheerste. Ze keek pislink naar me toen ik instapte. Ze kneep haar ogen samen terwijl ze me in zich opnam. Elke beweging werd gevolgd. Het duurde even voor ik mijn kaartje had. Opgelucht haalde ik 'm tenslotte uit mijn portemonnee en bliepte. Ze vertrok geen spier.  Ik ging op de eerste de beste plek zitten. Recht tegenover haar basis. De hele weg naar het centraal station bekeek ik haar. Ze stond op haar strepen. Geen mens mocht uitstappen op de plaats waar je in hoorde te stappen. Ook al stapte er niemand in. Ze spuwde de haltes uit in de microfoon in het plat Amsterdams. Ik begreep al gauw dat ik het niet persoonlijk op moest vatten. Ook de natgeregende mensen die na mij binnenkwamen, werden als vijanden beschouwd. Alsof het de schuld van de passagiers was dat de vrouw daar zat. Ik zag haar gigantische vingers terwijl ze geld teruggaf aan toeristen. De pincetgreep was nauwelijks nog te doen.
Ik weet nu niet meer wat de aanleiding was maar op een zeker moment, kruisten onze blikken en glimlachte ze naar me. Een grote lieve glimlach. 



donderdag 16 mei 2013

Het was en bleef feest

Op de heugelijke ochtend verlieten we dan eindelijk het huis. De lucht was zwaar en grijs. Het motregende. Maar dat drukte de pret niet. Het was al tien over half negen en om kwart voor negen moest de jarige in haar klaslokaal zitten. Ik had twee manden met puntzakken gesneden wortels die niet om mochten vallen, en aan mijn zijde had ik twee meisjes. Een dwarse peuter met een papieren hoed met een drie erop demonstratief over haar oren getrokken - 'IK ben jarig, niet zij' - en een zenuwachtige blije achtjarige.

Voor we buiten stonden, had de peuter al een paar keer andere kleren aangetrokken, - ze wilde geen legging maar een maillot en nadat ze het verwisseld had, wilde ze toch liever een legging maar dan een andere kleur  en toen ik haar haar in twee staartjes bijeen gebonden had, trok ze de elastiekjes er meteen weer uit want ze wilde er maar één! Voor ik het wist, waren ook al haar kleren weer uit en rende ik achter het ongeleide projectiel aan door het huis. De jarige danste om me heen 'wanneer gaan we nou? wanneer gaan we nou?'

Maar goed. Het was en bleef feest en we stonden op een gegeven moment aangekleed buiten, de theedoeken waaiden meteen van de mandjes en vielen in een plas, de driejarige wilde niet lopen, wilde niet op die fiets maar op een andere en de tijd tikte. Na een paar keer heen en weer naar binnen te zijn gerend, o.a. voor plastic zakken die ik om de manden moest zien te krijgen, trok ik de deur hard achter me dicht en had ik in plaats van de huissleutel een fietssleutel in mijn hand.

Veel te laat schreed de jarige met haar traktatie-manden de klas in maar dat gaf niet. Ze was er tenminste. Even later stonden de peuter en ik voor ons huis. Zonder sleutel. Zonder telefoon. Zonder geld ook. De regen kwam met bakken uit de hemel. De buurvrouw met reservesleutel was niet thuis. Ik wilde gestrekt in een plas gaan liggen. De peuter was weer helemaal haar gezellige zelf.

dinsdag 14 mei 2013

Voorbereidingen

Daarnet heb ik duizenden wortels als frietjes gesneden en daar dertig mini-puntzakjes mee gevuld. Met één snoepje ertussen waar het iedereen om te doen zal zijn. Het verpakken was nog een heel gedoe want de gesneden wortels mogen niet uitgedroogd zijn voor Jeetje er morgen in de klas mee rondgaat. Het meeste gedoe was het om de plastic folie fatsoenlijk van de rol af te krijgen. Voor elk puntzakje afzonderlijk. Ik werd er krankjorum van.
Daarna heb ik een kattenbak feestelijk ingepakt. En een krabplank.
In de kattenwinkel in de Jordaan stond een oude dame achter de toonbank. Ze sprak over het kleine poesje dat over enkele weken in ons huis komt wonen alsof het een nieuwe baby was. Ik luisterde naar haar zachte liefdevolle stem  en wist dat het waar was. We zijn hier met z'n allen toch een beetje in verwachting. Kattenmens of niet.
Ze zei: 'je kun het poesje het beste kamer voor kamer laten wennen. Ze is nog zo klein en dan meteen in zo'n groot huis. Misschien moet je er twee nemen, een broertje of zusje erbij, dan is ze niet zo alleen. Een kattenbak heb je nu toch al?'
Ik vond het ook ineens zielig voor het hele kleine babypoesje. Weggehaald uit het nest. Gedropt in een vreemd huis met vreemde mensen. Ze kon maar beter een bekende bij zich hebben.
Ik weet nog dat ik tegen de vrouw zei: 'we hebben gordijnen die gemaakt zijn van zijden sjaaltjes. Designgordijnen. Dat is eigenlijk het enige in ons huis wat ik echt mooi vind.'
De vrouw glimlachte en herhaalde het woord 'gordijnen.'
Even later zei ze: 'ze moet toch iets hebben om in te klimmen?'
Dat was ook wel zo.

maandag 13 mei 2013

Terug

Tijdens onze vakantieweek in Frankrijk vroeg Jeetje zich af of er  meer kon zijn dan alles en wat dat dan zou zijn  - 'je hebt alles, maar als er nou meer is dan alles? Als ik bijvoorbeeld een foto van alles maak, waar ben ik dan?' - terwijl op datzelfde moment Deetje voor het eerst van haar leven op de wc poepte omdat haar een lolly in het vooruitzicht gesteld was. In die ene week moest ik mezelf steeds opnieuw vertellen dat ik niet aan het verzaken was, dat ik niet eigenlijk moest schrijven, maar dat ik vrij was. Eindelijk las ik De weg van Cormac McCarthy. Op de heenweg aten we broodjes met gebakken ei in de auto en op de terugweg ook. Op de heenweg was Deetje jarig en overmorgen is Jeetje jarig. Twee dozen met verschrikkelijk goeie champagne hebben we meegenomen en een servies van de brocante. Op facebook kwam ik de zin tegen: 'Leef! want dood zijn kun je altijd nog.'

vrijdag 3 mei 2013

Vrij

Op een borrel vroeg iemand me gisteren hoeveel kinderen ik had. Ik zei twee. Een blonde dromerige dunne van bijna acht en een dikke donkere aardse van bijna drie. Jeetje en Deetje.
'Die dikke donkere vind ik meteen al leuk,' zei ze.
'Dat klopt. Maar die andere is ook leuk.'
'Jij bent een goeie moeder,' zei ze. 'Dat hoor ik wel.'
'Het is ook gewoon zo.'
Ze lachte.
Ik dacht aan Jeetje die uit logeren was en de foto's die mij een uur daarvoor gemaild waren. Jeetje op een boerderij in Siebengewald met het zelf uitgekozen jonge katje in haar handen dat ze voor haar verjaardag zal krijgen. Die twee witte grotemensentanden, haar lach en dat intens gelukkige hoofd. 'Hoe kan het dat mijn ouders dit nu ineens goed vinden!'  Ik zou haar zo een nest katten geven en een paard. Ook al wilde ik geen huisdier.
Het gesprek ging er gisteren ook nog over dat haar vriendinnen nu allemaal kinderen kregen, maar zij wilde ze niet. Nog niet. Of waarschijnlijk nooit.
Ik zei zoiets van: 'als je niet hoeft, blijf dan vrij.'
Ik fluisterde het. Alsof het een geheim was. Als je de rivier niet over hoeft te steken, blijf dan daar. Zoiets.
'Maar aan de andere kant wil je ze natuurlijk ook weer niet missen,' zei zij.
'Nee.'
Het klopte niet eens van dat vrij zijn. Sinds ik kinderen heb, krijg ik ook pas boeken af. Omdat er iets belangrijkers is dan alleen het schrijven. En daardoor de druk minder groot werd. Het is eerder een stoere uitspraak van iemand van veertig tegen iemand van dertig.  'Als je niet hoeft, blijf dan vrij.'
Ik weet niet wat het precies is.

zaterdag 27 april 2013

Bijna jarig

'Een oranje vlaggetje op de tram!' roept Deetje. Over de IJburglaan fietsen we, ik heb de bijna driejarige achterop, de bijna acht- en negenjarige fietsen naast of achter me. En dan fietsen ze weer voorop. Ze zijn druk in gesprek. We zijn de hele ochtend in de speeltuin in het Theo Van Goghpark geweest. Het was er precies goed. Schommels, kabelbaan, glijbanen. Voor we weer gingen hebben we oranje donuts gegeten. 'Waar blijft de koning nou?' vroeg Deetje voor ze er in hapte. Ze keek om zich heen. Het was de verjaardag van de koning, we aten een donut, maar waar bleef de jarige job zelf nu eigenlijk?
Bij de espressofabriek zitten mensen op het terras. Het ziet er goed uit. Al dragen ze dikke jassen.
'Oók op de bus een vlaggetje!' roept Deetje nu. Het is waar. Overal wapperen de vlaggen.
Hier fietst de bijna veertigjarige. En meteen daarna bedenk ik dat ik zeker op de helft van mijn leven zit. Hoe afgrijselijk snel dat gegaan is. Ik denk aan de mensen die ik ken en al lang over de helft van hun leven zijn. Nog meer denk ik aan het niet weten hoe lang nog. Voor iedereen. Misschien is dit wel anderhalve week voor het einde. De IJburglaan is lang en kaarsrecht en je kunt erg veel nare dingen denken als je daar op rijdt, terwijl je tegelijkertijd echt gezellig met je dochters en haar vriendin aan het fietsen bent.
'Na de koning ben ik jarig, hè? zegt Deetje. 
'Ja, dan ben jij jarig.'
'Ik krijg ook vlaggetjes.'