De poes was al een dag en een nacht weg. Het was niets voor haar. Ze ging nooit ver van huis. Ze moest wel verdwaald zijn. Het was een vrouwtje. Geen erg emancipatoire gedachtengang. Maar het ging om een poes.
'Nu niet gaan zeggen dat ze een matje is geworden,' zei Jeetje voordat ik mijn mond open had gedaan. 'Jij altijd met je dood, dood. DOOD.'
'Nee, jij,' zei ik. 'Het is jouw poesje dat nu zielig en alleen en uitgehongerd ergens op ons zit te wachten. En jij speelt lekker op je kamer met je monster-high poppen.'
'Ze komt heus wel terug, mama.'
'Jij maakt je helemaal geen zorgen. Dat vind ik nogal raar,' zei ik.
'Hoe wéét jij dat ik me geen zorgen maak?'
Het tengere, blonde kind stond op de vierde traptrede en keek naar me. Achteneenhalf jaar oud. Haar armen over elkaar. Zo'n monsterlijke pop in haar ene hand. In haar oorlelletjes kleine gouden ringen. Het ene lelletje roder dan het andere. Donshaartjes op haar oorschelpen. Het roze hemd hing half uit haar lila spijkerbroek. Vanaf een iets hoger standpunt bestudeerde ze de vrouw die voor haar stond. Mij. Haar moeder.
'Ik hoef toch niet de hele tijd te zèggen dat ik me zorgen maak.' Ze articuleerde alsof ze het tegen een zwakzinnige had. 'Of wel soms? Maak je je soms pas zorgen als je het steeds zegt? Nee, hè? Nee.'
Ik zei dat ze gelijk had, dat ze gelijk had. En rond drieën 's nachts zou de poes ook inderdaad gewoon terugkomen. Luid mauwend stond ze onder het raam. Verbolgen omdat het zo lang duurde voor iemand haar binnenliet.
'Sorry,' mompelde ik, 'sorry dat ik je zo lang heb laten wachten. '
maandag 13 januari 2014
donderdag 9 januari 2014
Docu Doe Maar
In Heijen ontstond dus Doe Maar. Hadden wij dat geweten, was onze jeugd anders verlopen. Heijen was niet direct het stoerste plaatsje om in op te groeien, vonden mijn vrienden en ik. In de jaren tachtig. Nu schrijf ik hier: mijn vrienden en ik en het klinkt alsof we een clan waren. Maar ik had geloof ik twee vriendinnen. Waar ik niet echt mee praatte. Dat deden wij niet. Niemand deed dat daar. We voelden elkaar nog gewoon aan.
Waren we ergens anders, werd ons op een gegeven moment altijd die ene vraag gesteld.
'Wat praten jullie grappig. Waar komen jullie vandaan?'
Hoeveel beter zou het zijn geweest als we hadden kunnen zeggen: 'We komen uit het dorp waar Doe Maar begonnen is. Ergens op een zolder. Op een Heijense boerderij. En wij speelden daar rondom heen.'
Alleen Henny deed toen nog niet mee. Het is jammer dat Henny misschien wel helemaal nooit in Heijen geweest is.
Waren we ergens anders, werd ons op een gegeven moment altijd die ene vraag gesteld.
'Wat praten jullie grappig. Waar komen jullie vandaan?'
Hoeveel beter zou het zijn geweest als we hadden kunnen zeggen: 'We komen uit het dorp waar Doe Maar begonnen is. Ergens op een zolder. Op een Heijense boerderij. En wij speelden daar rondom heen.'
Alleen Henny deed toen nog niet mee. Het is jammer dat Henny misschien wel helemaal nooit in Heijen geweest is.
dinsdag 7 januari 2014
Luik
De Bulgaar en zijn vrouw zijn de hele dag al boven bezig een luik te maken dat mij definitief van van de rest van het gezin zal scheiden. De poezen verscheuren kranten als bezetenen. Soms kost het me enige moeite de zin van dingen in te zien.
Een vriendin die a Room of One's own aan het lezen is, drukt me op het hart dat ik een hele dikke kluisdeur moet nemen. Het wordt een luik van multiplex. Hoogstens drie centimeter dik. En met kieren ertussen zag ik net. Het is misschien juist fijn dat ik, als ik werk, mijn kinderen en man nog gewoon kan horen. En de vrienden van mijn kinderen. En daar de ouders van. Een beetje contact met de wereld is goed voor een schrijver.
Misschien doe ik dat luik, als het straks klaar is, wel gewoon meteen weg. De luiken blijven open dit jaar. Ik kan ook voor altijd in café's gaan werken. In de CoffeeCompany op het Javaplein vandaag zat ik tegenover een beroemd politica. Wij, allebei achter onze laptopjes.
Het wemelde daar trouwens van de lieve mensjes zoals wij, achter lieve opgetrokken muurtjes.
Een vriendin die a Room of One's own aan het lezen is, drukt me op het hart dat ik een hele dikke kluisdeur moet nemen. Het wordt een luik van multiplex. Hoogstens drie centimeter dik. En met kieren ertussen zag ik net. Het is misschien juist fijn dat ik, als ik werk, mijn kinderen en man nog gewoon kan horen. En de vrienden van mijn kinderen. En daar de ouders van. Een beetje contact met de wereld is goed voor een schrijver.
Misschien doe ik dat luik, als het straks klaar is, wel gewoon meteen weg. De luiken blijven open dit jaar. Ik kan ook voor altijd in café's gaan werken. In de CoffeeCompany op het Javaplein vandaag zat ik tegenover een beroemd politica. Wij, allebei achter onze laptopjes.
Het wemelde daar trouwens van de lieve mensjes zoals wij, achter lieve opgetrokken muurtjes.
zondag 5 januari 2014
De wereld van oma
In de deuropening zie ik haar al liggen met open ogen. Wijdopen. Langzaam loop ik haar kamer in. Vanuit het bed volgt ze mijn gang, als die van een vreemde. Ik haal mijn pet van mijn hoofd. Als ik me naar haar toe buig, kijken we elkaar aan van heel dichtbij. Ik herken haar nauwelijks. Ze heeft grote ogen. Een andere blik ook. Nog nooit eerder zag ik haar zonder tanden. Misschien is dat het? Op het moment dat ik haar kus, flitst het door mijn hoofd dat ik in de verkeerde kamer ben. Bij de verkeerde mevrouw. Dat we elkaar helemaal niet kennen en ik hier een volslagen onbekende sta te kussen.
'Elke,' zegt ze dan. 'Elke.'
'Ja,' zeg ik.
Oma ligt scheef in het bed. De aders op haar handen zijn dik en zwart. Er zijn haast alleen nog aders. Ik hou ze vast.
'Je handen zijn zo zacht, oma.'
'Dat krijg je als je er niks meer mee doet,' zegt ze.
Ik lach. Zij lacht ook. De klassieke zender staat op, zoals altijd. Mijn moeder zit aan de ene kant van het bed, ik aan de andere. We babbelen wat. Er heerst rust in de kamer. Het is een compleet andere wereld. Ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat oma hier ligt te wachten op de weeën. Ze is uitgerekend. Het zal in deze dagen beginnen. De bevalling. Maar ze lijkt kalm. Ze weet dat er niets anders op zit. Ze heeft ooit zeven kinderen gekregen, misschien maakt dat het makkelijker? De overgave.
'Ik kan niet meer staan,' zegt ze.
'Je krijgt toch fysiotherapie?'
'Ja, maar het gaat niet. Mijn benen zijn verstijfd. Ze willen niet meer.' Ze haast zich te zeggen: 'Het is niet de schuld van mijn benen hoor.'
'Nee, natuurlijk niet.'
'Het is gewoon het lot,' zegt ze. 'Het is mijn lot.'
Dan zegt mijn moeder dat mijn vader thuis de piepers op heeft staan voor de zuurkoolstamppot. We moeten gaan, we moeten eten en daarna ga ik met de meisjes terug naar Amsterdam. Ik zeg haar gedag, ze knijpt stevig in mijn hand. Ik knijp terug. 'Tot de volgende keer,' zeggen we.
Als ik op de drempel sta roep ik: 'Doei.'
'Doeg,' roept oma.
Dan verdwijnen mijn moeder en ik de hoek om. Terug naar de wereld van de piepers.
'Elke,' zegt ze dan. 'Elke.'
'Ja,' zeg ik.
Oma ligt scheef in het bed. De aders op haar handen zijn dik en zwart. Er zijn haast alleen nog aders. Ik hou ze vast.
'Je handen zijn zo zacht, oma.'
'Dat krijg je als je er niks meer mee doet,' zegt ze.
Ik lach. Zij lacht ook. De klassieke zender staat op, zoals altijd. Mijn moeder zit aan de ene kant van het bed, ik aan de andere. We babbelen wat. Er heerst rust in de kamer. Het is een compleet andere wereld. Ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat oma hier ligt te wachten op de weeën. Ze is uitgerekend. Het zal in deze dagen beginnen. De bevalling. Maar ze lijkt kalm. Ze weet dat er niets anders op zit. Ze heeft ooit zeven kinderen gekregen, misschien maakt dat het makkelijker? De overgave.
'Ik kan niet meer staan,' zegt ze.
'Je krijgt toch fysiotherapie?'
'Ja, maar het gaat niet. Mijn benen zijn verstijfd. Ze willen niet meer.' Ze haast zich te zeggen: 'Het is niet de schuld van mijn benen hoor.'
'Nee, natuurlijk niet.'
'Het is gewoon het lot,' zegt ze. 'Het is mijn lot.'
Dan zegt mijn moeder dat mijn vader thuis de piepers op heeft staan voor de zuurkoolstamppot. We moeten gaan, we moeten eten en daarna ga ik met de meisjes terug naar Amsterdam. Ik zeg haar gedag, ze knijpt stevig in mijn hand. Ik knijp terug. 'Tot de volgende keer,' zeggen we.
Als ik op de drempel sta roep ik: 'Doei.'
'Doeg,' roept oma.
Dan verdwijnen mijn moeder en ik de hoek om. Terug naar de wereld van de piepers.
zaterdag 4 januari 2014
Le grande attacco
We liepen anderhalf uur naar Kriterion om dan eindelijk die onuitstaanbare rotfilm te gaan zien, die door alle kranten met vijf sterren beoordeeld is. Het regende. Het woei. Ik wilde, vanwege dat weer, bij Studio K. al stoppen om de Nederlandse productie Soof te gaan bekijken, maar zag teleurstelling op het gezicht van de ander. Dus: op naar La grande belezza. De zaal was afgeladen . We waren op de de juiste plek, het goede moment, de film moest inderdaad wel heel geweldig zijn. Maar na tien minuten al begon het tintelen van mijn linkerbeen. Mijn barometer dat er iets niet in de haak is. Hoe meer pijn, hoe minder in de haak. Vroeger gaf het been aan dat er een epileptische aanval zat aan te komen.
Mooie beelden ja. Mooie beelden te over. Prachtig zelfs. Ik kreeg zin om te zwemmen in die blauwe zwembaden, in whisky met ijs, ijsblokjes, zee. Na de zoveelste serie mooie beelden van Rome, begon mijn been echt heel lelijk te steken. Over expliciteren gesproken, mompelde ik steeds vermoeider voor me uit, over expliciteren gesproken. En iedereen trapt hier in.
Ik probeerde een dutje te doen om de tijd sneller te laten gaan, maar de pijn hield me uit mijn slaap. Het leek alsof de bloedtoevoer naar mijn linkerbeen volledig tot stilstand was gekomen. Het zou natuurlijk nog altijd de voorbode voor Le grande attacco kunnen zijn. Vierde rij, in het midden. Frontaal. Na een tijdje begon ik er zelfs op te hopen. Het is ook een manier om weg te komen. Het Niets te beleven. En het zou prachtig in beeld gebracht kunnen worden.
Mooie beelden ja. Mooie beelden te over. Prachtig zelfs. Ik kreeg zin om te zwemmen in die blauwe zwembaden, in whisky met ijs, ijsblokjes, zee. Na de zoveelste serie mooie beelden van Rome, begon mijn been echt heel lelijk te steken. Over expliciteren gesproken, mompelde ik steeds vermoeider voor me uit, over expliciteren gesproken. En iedereen trapt hier in.
Ik probeerde een dutje te doen om de tijd sneller te laten gaan, maar de pijn hield me uit mijn slaap. Het leek alsof de bloedtoevoer naar mijn linkerbeen volledig tot stilstand was gekomen. Het zou natuurlijk nog altijd de voorbode voor Le grande attacco kunnen zijn. Vierde rij, in het midden. Frontaal. Na een tijdje begon ik er zelfs op te hopen. Het is ook een manier om weg te komen. Het Niets te beleven. En het zou prachtig in beeld gebracht kunnen worden.
vrijdag 3 januari 2014
De lijkkist
Op dag drie van het nieuwe jaar, of is het dag vier?, raak ik de tel al kwijt. En kom ik in een loods vol tweedehands meubels, achter de kerkbank die misschien heel leuk past bij onze keukentafel, ook nog plotseling een glimmend zwarte lijkkist tegen. Zoekend naar oude schoolbureautjes voor onze driejarige, een geinige dossierkast voor op mijn nieuwe schrijfkamer, vind ik juist dat ding. Zwart. Opzichtig blinkend tussen de vintage shit.
'Die persoon die erin moest, ging misschien toch niet dood,' zegt man.
'Misschien ligt er nog iemand in.'
We verlaten de loods met ellende en gaan linea recta naar IKEA. Daar geen doodskisten maar eeuwig groene planten. De ondergrondse parkeergarage is daar nog het leukst. Als ik de auto uitstap, ben ik namelijk meteen weer in Beijing. Zo ondervind ik op dag drie/vier van tweeduizendveertien hoe ontzettend belangrijk geur is voor de herinnering. Ondergrondse parkeergarage = Beijing. Geur = een tijdmachine. En de vorige keer dat ik in zo'n parkeergarage was, wàs ik ook echt in Beijing. Dat is het mooie. Maar dat is vanaf vandaag dus voorgoed voorbij. De volgende keer dat ik in een parkeergarage zal zijn, was ik de keer voor de vorige keer dat ik in een parkeergarage was, in Beijing.
'Die persoon die erin moest, ging misschien toch niet dood,' zegt man.
'Misschien ligt er nog iemand in.'
We verlaten de loods met ellende en gaan linea recta naar IKEA. Daar geen doodskisten maar eeuwig groene planten. De ondergrondse parkeergarage is daar nog het leukst. Als ik de auto uitstap, ben ik namelijk meteen weer in Beijing. Zo ondervind ik op dag drie/vier van tweeduizendveertien hoe ontzettend belangrijk geur is voor de herinnering. Ondergrondse parkeergarage = Beijing. Geur = een tijdmachine. En de vorige keer dat ik in zo'n parkeergarage was, wàs ik ook echt in Beijing. Dat is het mooie. Maar dat is vanaf vandaag dus voorgoed voorbij. De volgende keer dat ik in een parkeergarage zal zijn, was ik de keer voor de vorige keer dat ik in een parkeergarage was, in Beijing.
donderdag 2 januari 2014
Een greep uit de bezigheden op dag 2
De meisjes naar opa en oma laten brengen voor twee nachtjes. Begonnen in Een dagje naar het strand van Heere Heeresma. Een kilometer of zes, zeven gelopen; het normale rondje langs camping Zeeburg plus een rondje Flevopark. Het zeefje van de afwasmachine - of hoe zo'n ding ook heet - noodgedwongen schoongemaakt, er hing nog een half kerstdiner in. In witte, papperige vlokken. De was uit de droger gehaald, voor de helft opgevouwen en in de kasten gelegd. De vetvlekken zaten nog gewoon in het nieuwe gele kindercoltruitje. Ik heb de laatste tijd (het kan geen toeval zijn, dacht ik) met heel veel verschillende mensen gesprekken gevoerd, waarin op zeker moment het zogenaamd geweldige spul Vanish Oxigen ter sprake kwam. In de roze pot. Het zou tovermiddel zijn. Niets van waar dus. Althans: dit geldt niet voor mij.
Het plan gehad een twitterverhaal te gaan schrijven zoals Jennifer Egan dat heeft gedaan. Mijn verhaal begon ermee dat een vrouw die op de eerste dag van het nieuwe jaar in het buurtcafé zat, steeds maar bejaarde versies van bekenden voorbij zag komen, - dat had ik gisteren toevallig ook daarom kom ik erop - vriend en vijand die ik voorbij zag lope, ze waren van de ene op de andere dag zeker dertig jaar ouder geworden -, maar in het verhaal moet de lezer er dan langzaam achterkomen dat alleen de vertelster (ik dus) dertig jaar geleden stil is blijven staan. En waarom. In het echt sta ik dus niet stil.
Het plan gehad een twitterverhaal te gaan schrijven zoals Jennifer Egan dat heeft gedaan. Mijn verhaal begon ermee dat een vrouw die op de eerste dag van het nieuwe jaar in het buurtcafé zat, steeds maar bejaarde versies van bekenden voorbij zag komen, - dat had ik gisteren toevallig ook daarom kom ik erop - vriend en vijand die ik voorbij zag lope, ze waren van de ene op de andere dag zeker dertig jaar ouder geworden -, maar in het verhaal moet de lezer er dan langzaam achterkomen dat alleen de vertelster (ik dus) dertig jaar geleden stil is blijven staan. En waarom. In het echt sta ik dus niet stil.
Abonneren op:
Posts (Atom)