vrijdag 1 mei 2009

Schijnwereld

Precies de laatste bladzijde van het Schijnbestaan van Saramago uitgelezen toen de wielen van het vliegtuig de grond raakten.
En we met dat schokje weer in ons normale bestaan terecht kwamen.
De realiteit bleek er één van een zwarte auto die op een menigte ingereden was om de bus van het koninklijk huis te raken. En: mondkapjes. Een Mexicaans griepvirus dat richting pandemie aan het gaan is. De realiteit behelsde een stapel vuile was op de keukenvloer. En het eerste jaaroverzicht van mijn eerste boekverkoop. Dola deed het boven verwachting goed in de pers. Ik had wel op iets meer gerekend, eigenlijk. En het was heus best schappelijk, waar ik op hoopte.

vrijdag 24 april 2009

Weg

Volgende week rond deze tijd zal er weer een berichtje staan hier. Dan ben ik weer terug. Als het vliegtuig goed geland is.
Hopelijk hebben Axel, Roger, Hermann en Geoffrey van het rugbyteam uit New-Jersey het leuk in ons huis.

donderdag 23 april 2009

Verrotting

Ik ben op zoek naar de geur van verrotting in de keuken. Even later diep ik een zak krieltjes op. Als uit een diepe, donkere grabbelton. Meteen raak.
'Kijk, dit gebeurt er met aardappeltjes als je ze lang laat liggen. Heel lang.' Ik laat Jeetje de krieltjes zien. Struikgewasjes kun je het beter noemen. Zo dadelijk zullen ze met zak en al de keuken uit wandelen. Jeetje luistert aandachtig naar mijn verhaal. Scholing begint bij jezelf.

Ik open de deur van de koelkast en begin de inhoud ervan in rap tempo over te hevelen in een gigantische vuilniszak.
'Waarom dóé je dat?' vraagt Jeetje. 'De yoghurt was toch nog niet op?'
'Het is niet meer goed als we terugkomen.'
Man raapt twee wortels op van de gangvloer.
'Gooi je de wortels ook al weg, papa?'
'Ja,' zegt man.
'O, ja. Dat moet wel!' roept Jeetje. 'Anders groeit er straks een wortelboom in de gang. Dan kunnen we er niet meer door, hè? Als we weer terug zijn.'

woensdag 22 april 2009

De oude/nieuwe geur van school

We hadden een intake gesprek voor de basisschool. Over twee weken gaat Jeetje er wennen. Op mijn rode hakken liep ik het gebouw in. Naast mijn jarige, in het nieuw gestoken, man. (Die als kind vier keer zèlf besloot van basisschool te veranderen omdat hij er ongelukkig werd.) Ondanks mijn podologisch voorgeschreven Nikes met steunzolen, had ik sterk het gevoel de lagere school op hakken te moeten betreden.
En toen ik al die kleine tafeltjes en stoeltjes zag, alle kinderen die er rondliepen, en de ouders, opa's en oma's die met ons buiten hadden staan wachten en nu met ons, of wij met hen, de gangen instroomden om het jongvolk op te halen - zij allang niet meer op hakken - vroeg ik me af hoe - en of - ik ons Jeetje hier straks nog ooit terug zou kunnen vinden. En zij mij. En vooral: zij zichzelf.
We slalomden een tijdje achter de concierge aan en tenslotte stonden we oog in oog met de juf.

dinsdag 21 april 2009

Voorhoofd

'Iedereen op de hele wereld heeft een voorhoofd', constateert Jeetje (bijna 4) op deze ochtend. 'In Portugal, India, Duitsland, Noorwegen, Ierland, de Noordpool. Alle mensen hebben een voorhoofd. Overal.'
'Verrek,' zeg ik, 'daar heb ik nooit eerder over nagedacht.'
Jeetje voelt aan haar voorhoofd. Wrijft er zachtjes over. Tikt ertegen. Kijkt me aan.
'Maar er was één meisje,' zegt ze. 'Er was een meisje dat haar voorhoofd verloren was. Het waaide hard - heel hard - en toen waaide er zomaar een stukje van haar voorhoofd weg.'
Onwillekeurig betast ik mijn voorhoofd. Of ik dat meisje soms ben. Voor je het in de gaten hebt, kun je een stukje voorhoofd kwijt zijn.
'En het meisje kon niet huilen, ' vertelt Jeetje verder, 'want haar mond en haar ogen waren er al afgewaaid.'

maandag 20 april 2009

Door niemand gemaakt.

'Wat is aan de oevers van de tijd?' vraagt Jeetje. Tijd 07.30 u. Ontbijt. Op de achtergrond klinkt spinvis.
'Dat is vooral een zin voor in een gedicht.'
'Waarom zingt hij dat dan?'
'Kijk, je hebt aan de oevers van de rivier. Een rivier is iets tastbaars. Maar 'de tijd' is niks. Of nou ja: niks. We worden elke dag ouder, natuurlijk. Dat is ook iets.'
Jeetje kijkt me aan.
'Wat wil je op je brood?'
'We worden elke dag ouder', zegt ze. 'En dan? En dan? En dan? Op het laatst? Mama?'
Jeetje vraagt naar de bekende weg. Ze vindt het zelfs leuk. Voor mij is het te vroeg voor zo'n gesprek.
'Dan gaan we dood, hè!' juicht ze al.
'Wat wil je nou op je boterham?'
'En dit bord gaat niet dood!' Ze pakt haar bord vast. 'Dit bord kan niet dood. Als ìk dood ben, is het bord nog niet dood.'
'Pindakaas of appelstroop?'
'Omdat het door opa is gemaakt!' zegt Jeetje. 'Alles wat door opa is gemaakt, gaat niet dood. Alles wat door iemand is gemaakt, kan niet dood.'
Ik knik.
'En wij wel,' zegt ze.

(opa is keramist, red)

zaterdag 18 april 2009

Lekker

Jeetje en ik zitten in de woonkamer. We hebben allebei een spijkerbroek aan met een hemdje erboven. Ik zit op de bank, zij op de stoel met haar voeten op de radiator. De zon schijnt in onze gezichten. Ik lees het nieuwe NRC weekblad. Over de doldwaze jeugd van de schrijfster Tania Heimans. En Jeetje leest de nieuwe Pipa Panda. Ver weg - in het duistere, koele achterhuis - is man aan het dweilen.
'We zitten hier allebei lekker te lezen, hè Jeetje?'
'Ja.'
'Ja,' zeg ik. 'En papa is lekker de keuken aan het dweilen!'
'Nou,' zegt Jeetje, ' Lekker is een beetje pesten hoor mama. Dat kunnen we beter weglaten.'
'Papa is de keuken aan het dweilen.'
'Ja,' zegt Jeetje. 'Dat is beter.'