dinsdag 16 juni 2009

Dode meisjes eten

'Ik eet een dood meisje,' zegt Jeetje aan het ontbijt.
'Och, jee.'
'Het meisje heeft geen ouders meer,' zegt Jeetje snel, 'dus die merken er niks van.'
'Heeft ze helemaal niemand?'
'Nee, geen ouders, geen opa en oma. Niemand.'
'Oké. En jij eet haar nu op.'
Ze knikt en stopt een stukje in haar mond.
'Dan is ze er dadelijk zelf ook niet meer,' zeg ik.
'Het is een heel slim meisje,' zegt Jeetje. 'Ze kan er zo uit klauteren als ze wil. Ze heeft altijd een laddertje bij zich.'
En hier ontspoort haar verhaal zoals het mijne zou kunnen ontsporen.

maandag 15 juni 2009

Jaloezie

In de pauze van mijn schrijfwerkzaamheden zou ik effe snel het nieuwe huis van mijn vriendin gaan bekijken. Het huis was nog leeg, zij wachtte er op de mannen die de gordijnen kwamen opmeten en ik zou dan dus langs wippen om een kort kijkje te nemen in haar nieuwe optrekje, en meteen een klein kopje thee te doen. En dan weer - hup - aan de slag!
Ik schrijf 'langs wippen' 'een kort kijkje nemen' omdat ik het eigenlijk nog niet goed aan kon, of wilde, vandaag om de hoge ruimtes lang en goed te bestuderen, de badkamers diep tot mij door te laten dringen, en meteen al serieus in haar achtertuin te verdwalen. Dus: om het echt te 'voelen.' Hun nieuwe huis.
Uiteindelijk kwam ik er haast niet meer weg. Uit die idylle. Middenin de stad.

zondag 14 juni 2009

Tafereel

We - vader, man, het hondje en ik - wandelen door het dorp. Er klinkt tromgeroffel en even later trage trompetten. De fanfare komt eraan. De avondzon kleurt alles okergeel. Het is warm. Windstil. De rolluiken van de huizen zijn naar beneden. De tuinen aangeharkt. Er is geen enkele dorpeling buiten. De optocht trekt door de straten. Een lange, statige stoet. De fanfare trommelt en toetert. Het gilde bestaat uit middeleeuwse mannen met middeleeuwse hoeden en witte veren. In middeleeuwse pakken. Ze houden grote vlaggen in hun hand. Ze marcheren precies in de maat en vertrekken geen spier.

Aan de andere kant van de rijksweg hangen drie jonge asielzoekers tegen het muurtje van de begraafplaats. Waar zijn ze terechtgekomen?

vrijdag 12 juni 2009

Laat de la dicht

Werk aan de winkel, verschrikkelijk veel werk. Er staan, buiten het verhaal dat sinds gisteren in de la ligt, wat andere verhalen op stapel. In opdracht. Voor mijn boek. Langere verhalen dan ik gewend ben. Maar als ik over al die verhalen zó lang doe als over dit verhaal?
Dat doe ik niet. Dat zijn andere verhalen.
Het verhaal in mijn la omvat nu zesenzeventig uitgeprinte pagina's. Het kunnen er nog vijftig worden, of juist honderd. Ik heb de pagina's dus netjes in mijn la opgeborgen. Ik zie ze niet. En daar moeten ze tot maandag, rustig, blijven liggen. Ik kan alleen haast niet tot maandag wachten. Omdat ik weet dat het stapeltje papier daar zo verschrikkelijk imperfect ligt te liggen. Maar ik weet ook dat ik nu juist profijt van het wachten zou hebben, ten gunste van het verhaal, als ik er niet intussen de hele tijd aan ga denken. Hoe en dàt het anders moet. Ik zou vandaag het beste een bladzijde van een nieuw verhaal kunnen gaan schrijven. Losjes. Op mijn gemak.
En dat daar, in die la, maar vergeten. En er het beste van hopen. Nee, niets van hopen.

donderdag 11 juni 2009

36

Een paar dagen geleden sprak mijn vierenveertigjarige man de legendarische woorden: 'Als wij mannen gaan werken met een onbekende vrouw van 36 zijn we niet nieuwsgierig naar hoe ze eruit ziet. Maar een vrouw van 28, ja die googelen we meestal wel even van tevoren.'

Vandaag is het zover. Ik ben 36. Definitief verlost van googelende mannen.

woensdag 10 juni 2009

Vlak boven mijn hoofd

Ik loop tegen het einde van een verhaal en meestal droom ik dan wel hoe het afloopt, dus op dat punt bevond ik me vannacht. Als ik plotseling wakker schrik. Door de voetstappen. Vlak boven mijn hoofd. Met grote passen loopt er iemand over het grind.
'Ach, dat moet een poesje zijn geweest,' mompelt man.
'Dat was zeker geen poesje.'
'Een vogel dan.'
'Het was een mènz,' zeg ik. 'Een menz.'
Daar heb je de voetstappen weer. Het zijn onmiskenbaar mensen die boven ons hoofd heen en weer lopen. Of het moeten poezen van tachtig kilo zijn. Man gaat op z'n knieën zitten, tilt het rolgordijn een stukje op. Er staan steigers tegen ons huizenblok. Waar overdag de Spanjaarden aan het werk zijn.
'Ach ja, dat zijn de Spanjaarden natuurlijk,' zegt hij en laat zich - plop - achterover vallen. Om verder te slapen.
'De Spanjaarden werken vaak. Maar de Spanjaarden werken niet om drie uur nachts,' zeg ik. 'Weet je?' fluister ik. 'Ik ben zo bang dat de menzen zich dadelijk door ons dakraam naar binnen laten zakken.'
'Ik moet de politie bellen,' zegt man. Als hij naar beneden loopt om de telefoon te pakken, maak ik het raam open. Er klauteren twee kerels langs de steiger naar beneden. Ik kan de ene net niet aan zijn blonde haren naar boven trekken.
'Hee, idioten!' roep ik. 'Wat zijn jullie op ons dak aan het doen?'
'Gewoon even kijken,' zegt de blonde. 'Hoe het er daar uit ziet.'
'Vind je dat normaal? Ik word wakker van het gestamp boven mijn hoofd.'
'Nou, ik heb heel zachtjes gelopen,' zegt de blonde verontwaardigd.
'Dat is niet waar! Jullie stampten als olifanten. Het plafond zakte haast naar beneden.'
Of de vent die 's nachts over ons dak loopt nou gestampt heeft of niet, het zou er niet toe moeten doen. Ik hang ver uit het raam in mijn hemdje. Ik schreeuw als een viswijf. De blonde is heelhuids op de stoep beland. Ik zou hem kunnen bespugen.
Of een boek op zijn hoofd gooien. Het lijkt ook de balkonscène van Romeo en Julia wel. En zijn maat staat daar maar aan zijn mouw te trekken, die wil weg. Maar de blonde is met mij in conclaaf over of hij nou gestampt heeft of niet. Tot vervelends toe.

dinsdag 9 juni 2009

Moet dat nou echt zo?

Jeetje komt elke dag een beetje gehavend thuis uit school. Met verwarde haren en een zwarte viltstift tekening op haar gezicht, 'ja, een jongen met sportschoenen duwt mij steeds en hij heeft op mijn gezicht getekend,' 'wat zeg jij daarvan?' 'niks' 'en wat zegt de juf?' 'die had het niet gezien'.
Haar schoenen in geitenpootjes aan haar voeten 'hebben jullie gym gehad, Jeetje?' 'hoe weet jij dat?'
Een hele volle drinkbeker in haar tas, 'die kreeg ik niet open' 'dat kun je dan aan de juf vragen' 'ja maar toen ik het vroeg, liep ze net weg.'
Ze zit voor me aan tafel. Met haar camouflage gezicht. Verder heelhuids geretourneerd van het oorlogsgebied. Ze speelt met een denkbeeldig vliegtuigje en drinkt voorzichtig van haar warme chocolademelk.
Het echte leven is begonnen voor Jeetje. Ze redt het wel.