dinsdag 23 november 2010

geklets op de dinsdag

Ik zit hier al een half uur beneden aan de vier meter lange tafel om een stukje te schrijven. Maar het komt er niet meer van. Man telefoneert erg luid, en daar word ik door afgeleid. Ook hebben we erg kleurige patchwork gordijnen waar ik steeds naar moet kijken.
Man zegt: 'Dus ik mag jou niet zomaar in een verzorgingstehuis stoppen, dan weet ik dat.'

Ik heb aan het eind van de dag weer over de gifbelt, die nu een park is, gerend. Vandaag was de maan niet meer zo vol. Om de dag loop ik nu. Ik hou me aan het schema. Soms stel ik me al voor hoe mijn voeten snel over het asfalt zullen gaan, zweven is het bijna. Ik vraag me af of dat het begin is van het geluk. Nu is het nog 2 minuten rennen en dan 2 minuten lopen. En dat maal 5.
Het was vrij donker en ik had benen van lood toen ik een meneer die met een hondje wandelde, inhaalde.

Voor het rennen was ik heel druk bezig met een hoogleraar theoretische informatica die zich voor de lol bezighoudt met het verbeteren van het spoorboekje in o.a. New Delhi.

Ook bestelde ik toen oude speelgoedpaarden via Marktplaats.

maandag 22 november 2010

Hoor de wind waait

Nog nooit eerder zong ik karaoke met sinterklaasliederen. Ook niet met andere liederen.
Na het eten zaten we met de hele familie voor het computerscherm en wij zongen. Vader, moeder en Jeetje. Deetje zat bij vader op schoot en keek toe. Met dikke rode wangen en een pluk haar omhoog. Uiterst geconcentreerd gleden haar ogen van links naar rechts, van haar zuster naar haar moeder en weer terug. En toen keek ze omhoog naar vader. Ze zag alleen de onderkant van zijn kin. Ook vader zong uit volle borst.
Je ziet de verbindingen gelegd worden in dat koppie.
Net toen we aan 'Hoor de wind waait door de bomen,' wilden beginnen, vroeg Jeetje of wij ajb wilden stoppen met zingen omdat ze graag wilde horen hoe de tekst precies ging.
En dat deden we.

zondag 21 november 2010

Observatie momentje

Jeetje en ik zijn in de badkamer. Het ging over iets waar ik te oud voor was. Ik weet niet meer waar ik ook al weer te oud voor was. Ik weet alleen dat ik ook vond dat ik er te oud voor was.
'Ja,' zei Jeetje. 'Jij hebt al rimpels op je voorhoofd.'
'Op m'n voorhoofd niet toch?"
'Jawel, daar en daar en daar.'
'O, ja.'
'En dáár ook.' Ze wijst naar mijn mondhoeken en tekent twee verticale strepen in de lucht. Ik zit op de badrand en zij staat vanaf een klein afstandje naar me te turen. Met haar ogen samengeknepen. Dan wijst ze.
'Bij je ogen,' zegt ze. Met haar vingertjes maakt ze kleine krioelende gebaartjes. Alsof ze aan het luchttypen is.
Ik knik. 'Kom, je gaat tandenpoetsen.'
Ze poetst haar tanden.
'Zijn ze wit?' vraagt ze halverwege. Ze klemt haar gebit op elkaar.
'Ja, prachtig,' zeg ik.
'De jouwe niet,' zegt ze. 'De jouwe zijn bruin, met geel en oranje.'
Dan poetst ze aandachtig verder.

vrijdag 19 november 2010

Dagdromen maakt somber, meldt NRC

Een afdwalende geest maakt somber. Zelfs als de gedachten zich naar iets leuks begeven, raken mensen daardoor niet in een beter humeur dan wanneer ze zich waren blijven concentreren. En als de gedachten naar iets neutraals of vervelends afdwalen, gaan mensen zich slechter voelen, zo stond vrijdag in Science.

Gisteren zag ik de documentaire 'Reïncarnation' op het Idfa. Over een Tibetaanse vader en zoon. Regelmatig werd gezegd dat het pure geluk 'm zat in totale aanwezigheid.
Ik kan me alleen voorstellen dat het fijn moet zijn als je helemaal aanwezig bent bij wat je doet. Ik kan alleen maar kijken naar de mensen die aanwezig zijn. Ik kan denken aan degenen die enkel zwemmen als ze zwemmen, eten als ze eten en lezen als ze lezen. Ik kan mij hun aardse geluk voorstellen. Maar meer kan ik niet.
Ik word pas somber van het proberen niet af te dwalen. Dieptriest zelfs.
Naast mij in de bioscoop zat een hoogbejaarde vrouw in een bontjas. Totaal afgedwaald. Ze snurkte als een gek. Dat leidde me af. En als ze even niet snurkte, de gedachte dat ze misschien dood was.

donderdag 18 november 2010

Hoe ver gaan we?

We zitten samen aan de dis, man en ik, ergens halverwege de zestig ben ik en hij is iets in de zeventig, we roeren in ons eten. En we roeren maar. Geen hap gaat er naar binnen. Omdat Jeetje en Deetje zojuist samen de wereld hebben verlaten. Nergens, helemaal nergens, op deze aardbol is nog een spoor van hen te vinden. We willen er niet verder over nadenken. Maar we kunnen niet anders.
'Vroeger was een waddeneiland al ver,' zegt man.
'Ik liftte ooit met een vriendin naar Portugal,' zeg ik. 'Nou, dat was wat.'
De jongvolwassene van nu reist minimaal een half jaar de wereld rond, Azië, Australië en Nieuw Zeeland. En dan heb je natuurlijk de dreiging dat ze blijven. Dat ze de vermaledijde 'liefde' vinden en besluiten zich ergens aan de andere kant van de wereld te vestigen. Dat is ook vervelend voor de ouders. Het is ver. Maar ze zijn tenminste bereikbaar.
Wat moet je als je kinderen besluiten dat ze absoluut - fysiek -los willen komen van de aarde en dat dat gewoon kan?
'It's a life changing experiment, mam!' vertelt Jeetje mij. 'Deze weken voor maar 1000 EU.'
'We have to go, mom,' zegt Deetje, 'Big sista en ik.'
'It's safe hoor,' zegt die grote zus nog snel. 'Sooo safe.'
'Don't worry, be happy mom and dad,' zegt Deetje.
(Ik weet niet waarom mijn dametjes Engels blijken te praten trouwens. Het zou best kunnen dat man en ik, onze generatie, de laatsten zijn die de NL taal nog bezigen.)
Maar wat moet je als retourtjes ruimte gemeengoed worden? Zie ons zitten aan de dis, roerend in de prut, alleen maar hopend dat het geen enkeltje wordt.
'There is skype,' heeft Jeetje nog gezegd, 'we can skype in space.'
Man en ik hebben het geprobeerd, maar we kunnen de verbinding niet tot stand brengen.

woensdag 17 november 2010

Motivatie

Ergens las ik iets over de moeders die zelfs geen tijd meer hadden - of de tijd niet namen - om het gewicht dat na de geboorte van kind twee was blijven hangen, kwijt te raken. En zo bleven ze voorgoed slap in het vel. Twee maatje meer viel nog best mee.
Het artikel over de moeders heb ik al minstens twee weken geleden ergens gelezen. Maar elke dag zie ik in de spiegel die moeder. Ik zie haar ook als ik op mijn bureaustoel zit en mijn buik over de broekrand bobbelt. 'Dit is heerlijk, dit heb je verdiend,' fluistert ze in mijn oor als ik 's avonds op de bank het Sint Maarten snoep lig te verorberen. In plaats van te sporten.

Ik kan me ineens ook zo ontzettend goed voorstellen hoe vrouwen het er gezamenlijk 'bij laten hangen.' Na kind twee. Bij het eerste kind is de motivatie om weer te worden als voorheen groter. Bij kind twee weet je maar al te goed dat er geen voorheen meer is. Het is niet meer zo erg. Je koopt wat wijdere bloesjes en grote truien. Je bent wat ouder. Wat zou je nog? Als de kinderen er maar goed uitzien. Daar gaat het om.

In de buurt waar ik woon wordt vreselijk veel gebaard. Het is werkelijk bij de gekken af. Maar er wordt hier ook minstens zo veel gesport. De moeders zien er, zelfs na drie of vier kinderen, nog even goed uit. Strak in het vel als altijd. Geweldig gekleed. Allemaal in een eigen unieke stijl. Er is er vrijwel geen met uitgegroeid haar. In de vroege ochtend zie ik de moeders, appeltjes etend, voorbij vliegen.
Dat helpt dus, merk ik. Je wil niet achterblijven. Je kan niet achterblijven. Het klimaat waarin je je bevindt, werkt stimulerend. Ik trek mij op aan dit moederbeeld. Ik moet wel. Ik hijs mij in mijn sportbroek. Want ik, ook ik, zal door het achterland joggen.

dinsdag 16 november 2010

Moederrol

Ik lees over een schrijfster wier twee kinderen nooit voorkomen in haar columns of andere werk. Haar vriend wel. Omdat zij het hem kan vragen. Maar de kinderen kan ze niets vragen. Dus schrijft ze niet over hen.

Ik kan dat mijn bloedjes ook niet voorleggen en ze komen wel in mijn werk voor. Behandel ik de kinderen alsof ze mijn eigendom zijn? Beschadig ik hun privacy met mijn hardcore Jeetje en Deetje stuff. Schrijf ik alles op waar ik zin in heb? Heb ik wel grenzen? Ben ik zo'n moeder die haar kroost misbruikt voor andere doeleinden dan waar ze voor gemaakt zijn? Waar zijn ze voor gemaakt?
Die vragen kwamen op.

Soms zijn er wel dingen die ik besluit niet op te schrijven. Dat gaat allemaal intuïtief. Veel gaat bij mij op intuïtie. Die moet ik maar vertrouwen. Mijn kinderen hebben in het echt andere namen. Daarmee bouw ik afstand in. Ze hoeven zich (later) niet te identificeren met de stukjes.
'Ik ben Jeetje niet!' zegt Jeetje nu al wel eens. 'Ik heet geen Jeetje.'
'Dat is waar, liefje,' zeg ik. 'Jij bent Jeetje niet. Ik noem jou zo als ik een stukje schrijf waar jij in voorkomt.'
'Maar dat ben ik niet.'
'Nee, dat is Jeetje.'

Het gaat mij er in mijn stukjes nooit om om hen en hun gedrag centraal te stellen. Het is niet bedoeld als exposé. Het gaat mij er meestal om hoe ik er mee omga. Hoe ik me met de meisjes verhoud. In de rol van moeder.