'Ben je ziek?' vroeg de baliemedewerker toen ik het universiteitsgebouw binnenkwam.
'Nee hoezo.'
'Nou, je ziet er belabberd uit.'
Meteen maakte een enorme belabberdheid zich van me meester. Ik liep door naar de docentenruimte en bekeek mezelf snel in het spiegeltje dat aan de muur hing. Inderdaad. Belabberder kon niet.
Hoe kreeg ik dit nog ongedaan gemaakt binnen tien minuten?
Op dat moment bonsde er een student op de deur. Ik deed open. Hij droeg een wijde bontgekleurde broek met print. Een equivalent van de pyjamabroek. Maar het stond hem. Hij hijgde en zweette. In zijn hand een groot stuk ijzer. Om belabberden mee op het hoofd te slaan, natuurlijk.
Mijn probleem was opgelost.
Maar nee, het bleek een gigantische nietmachine. Hij vertelde in één adem dat hij zo naar een repetitie moest, of hij daarna nog even door mocht gaan met nieten.
'Alsjeblieft. Nieten,' fluisterde hij. Zijn ogen schoten paniekerig heen en weer onder zijn dikke krulpony.
Zo heeft iedereen wat, dacht ik.
donderdag 26 maart 2015
dinsdag 24 maart 2015
Kindheid
We zitten aan het ontbijt.
'De geschiedenis van mijn kindheid', zegt de vierjarige. 'Is dat geen mooie titel?'
'Daar kun jij ons nu nog niet veel over vertellen.'
'Waarom niet?'
'Jij bént nog een kind.'
'Ik vind kindheid helemaal niet goed,' zegt de negenjarige. 'Kindheid wat is dat nou?'
'De geschiedenis van mijn jeugd?' zeg ik. 'Is dat beter dan?'
Dat vindt zij veel beter, maar ik niet. Ik vind 'kindheid' juist wel aardig gekozen. Al maakt de spellingcontrole er steeds kindsheid van. De geschiedenis van mijn kindsheid. Dat is weer een heel ander verhaal. Ik zal het zelf nooit kunnen vertellen. Zij misschien wel. Dat wordt dan: 'De geschiedenis van mijn moeders kindsheid.'
'Jij vindt het lastig dat ik ouder word, hè?' zegt de negenjarige, 'je raakt de controle over mij steeds meer kwijt.'
Ik denk aan controle. En aan kwijtraken.
'De geschiedenis van mijn kindheid', zegt de vierjarige. 'Is dat geen mooie titel?'
'Daar kun jij ons nu nog niet veel over vertellen.'
'Waarom niet?'
'Jij bént nog een kind.'
'Ik vind kindheid helemaal niet goed,' zegt de negenjarige. 'Kindheid wat is dat nou?'
'De geschiedenis van mijn jeugd?' zeg ik. 'Is dat beter dan?'
Dat vindt zij veel beter, maar ik niet. Ik vind 'kindheid' juist wel aardig gekozen. Al maakt de spellingcontrole er steeds kindsheid van. De geschiedenis van mijn kindsheid. Dat is weer een heel ander verhaal. Ik zal het zelf nooit kunnen vertellen. Zij misschien wel. Dat wordt dan: 'De geschiedenis van mijn moeders kindsheid.'
'Jij vindt het lastig dat ik ouder word, hè?' zegt de negenjarige, 'je raakt de controle over mij steeds meer kwijt.'
Ik denk aan controle. En aan kwijtraken.
zondag 22 maart 2015
Bezoek
We gingen op zaterdag bij elkaars ouders op bezoek, we bekeken elkaars dorp, ouderlijk huis. En al het andere wat je bekijkt zonder het erover te hebben. Zonder dat je het weet misschien.
Onze dorpen lagen een kilometer of zestig van elkaar of.
We waren een jaar of twintig bevriend en nu konden we elkaar ook ergens in de ruimte plaatsen. Wat me opviel, was de manier waarop we bij onze ouders naar binnen liepen. Zij liet me meteen het huis zien, de slaapkamers, de zolder, de kelder. Een fotoboek van hoe het vroeger was. Ik vroeg eerst om toestemming en sloeg sommige kamers over. Maar een paar uur later heeft ze alsnog alles gezien.
Onze dorpen lagen een kilometer of zestig van elkaar of.
We waren een jaar of twintig bevriend en nu konden we elkaar ook ergens in de ruimte plaatsen. Wat me opviel, was de manier waarop we bij onze ouders naar binnen liepen. Zij liet me meteen het huis zien, de slaapkamers, de zolder, de kelder. Een fotoboek van hoe het vroeger was. Ik vroeg eerst om toestemming en sloeg sommige kamers over. Maar een paar uur later heeft ze alsnog alles gezien.
vrijdag 20 maart 2015
Verduistering
Het was buiten en binnen onheilspellend donker en stil. Toch was het overdag. Ik zat achter mijn computer, maar kon nauwelijks de contouren van het scherm onderscheiden noch die van mezelf. Al brandden alle lampen. Ik zat in een horrorfilm zonder bedoeling. Zonder begin. Met allemaal losse eindjes. Ik tastte maar wat in het rond. Nergens een herkenningspunt.
Tot ineens de vogels en masse weer begonnen te fluiten. Buiten was de verduistering voorbij.
donderdag 19 maart 2015
Dichtbij
We staan op een breed trottoir in de Watergraafsmeer. De zon schijnt. Knoppen in de bomen. Ik haal mijn fiets van het slot. Hij vertelt over een vriend uit Libanon die zijn land is ontvlucht vanwege de Jihadisten en die nu ergens in een goedkoop bootje op zee zit met twee anderen. Op weg naar een Grieks eiland. Op weg naar Europa uiteindelijk. Ze hebben te weinig geld om smokkelaars te betalen en geen ervaring met het besturen van een boot.
'Jee,' zeg ik.
'Dat is een heel andere wereld,' zegt hij.
'Nou.'
'Misschien is hij op dit moment bezig met verdrinken.'
'Ja, terwijl wij hier gewoon staan,' zeg ik. Voor ons een plantsoen met rozen. Een grasveld. Drie deuren verderop een raam dat uitbundig versierd is met blauwe slingers. Ik kan de naam van de pasgeborene net niet lezen.
'Dan komt het wel dichtbij,' zegt hij.
'Jee,' zeg ik.
'Dat is een heel andere wereld,' zegt hij.
'Nou.'
'Misschien is hij op dit moment bezig met verdrinken.'
'Ja, terwijl wij hier gewoon staan,' zeg ik. Voor ons een plantsoen met rozen. Een grasveld. Drie deuren verderop een raam dat uitbundig versierd is met blauwe slingers. Ik kan de naam van de pasgeborene net niet lezen.
'Dan komt het wel dichtbij,' zegt hij.
woensdag 18 maart 2015
Onzin
's Avonds. We lezen het boekje 'Allemaal onzin' van Paul van Loon. Het gaat over een mannetje dat Onzin heet en dat 's avonds op de slaapkamer van Vladimir verschijnt.
We komen te spreken over het woordje onzin.
Wat is onzin eigenlijk precies? vraagt ze.
'Wat denk je?'
Ze zegt: 'Een pratend bed is onzin.'
'Ja.'
'Een monster is onzin,' zegt ze. 'Want een monster bestaat niet echt.'
'Klopt!'
'Een dinosaurus is geen onzin,' gaat ze door, 'maar een prátende dinosaurus wel.'
De volgende ochtend heeft Ami - de knuffel - een pony in haar haren geknipt.
( Echt waar. O, jullie gelóven me niet, hè?')
We komen te spreken over het woordje onzin.
Wat is onzin eigenlijk precies? vraagt ze.
'Wat denk je?'
Ze zegt: 'Een pratend bed is onzin.'
'Ja.'
'Een monster is onzin,' zegt ze. 'Want een monster bestaat niet echt.'
'Klopt!'
'Een dinosaurus is geen onzin,' gaat ze door, 'maar een prátende dinosaurus wel.'
De volgende ochtend heeft Ami - de knuffel - een pony in haar haren geknipt.
( Echt waar. O, jullie gelóven me niet, hè?')
maandag 16 maart 2015
Tijd
Op zondag ging ik het huis uit, stapte in tram 26 en wandelde naar de Bijenkorf om een nieuwe wok te kopen. Op de heenweg zaten er twee blonde vrouwen met twee kinderen voor me, op de terugweg dezelfde vrouwen en kinderen, weer zat ik achter hen, zij óók met tassen van de Bijenkorf. Ik dacht dat zij misschien dachten dat ik hen bespioneerde. Al zou het ook andersom kunnen zijn.
Toen ik thuis vertrok lang de koortsige jongste te slapen op de bank, man zat ernaast achter zijn laptop, en de oudste was - samen met het buurmeisje - bezig met de voorbereidingen voor Koningsdag. Dassen breien, troep (spullen waar haar 5 jaar jongere zus nog vaak mee speelt) bij elkaar zoeken die ze wil verkopen. Het duurt nog hartstikke lang voor het zover is, heb ik natuurlijk gezegd. Het is pas half maart. Ze kan niet wachten. Zoals ze ook niet kan wachten tot ze jarig is in mei.
Ik kan wel wachten. Ik kan heel makkelijk wachten. Ik wou zelfs dat de tijd niet voorbijging. Dat het hier stopte. Ik denk dat ik niet nieuwsgierig ben naar wat er verder nog komt. Ik kan het uittekenen. Zo is het goed.
Maar toen ik terugkwam met een wok in een grote plastic tas zag ik het nieuwe, lege reuzenpapier op de kastdeur al hangen, de vakjes getekend tot zes juni. Bij de highlights een vlaggetje. Onze zelfgemaakte kalender die, na één vingerknip, alweer ingekleurd is tot beneden.
Abonneren op:
Posts (Atom)