Er zullen hoe dan ook twee kampen komen,' zei ze. 'Jij en hij.'
'Ik wíl geen twee kampen.'
'Dat gaat toch gebeuren.'
'Dat wil ik absoluut niet.'
'Snap ik,' zei ze, 'maar zo gaan die dingen.'
Het was nog vroeg. Mijn vriendin en ik waren de enigen in het Utrechtse café De Bastaard. We dronken goedkope wijn uit Duralex glazen en aten borrelnootjes. Ik voelde me de hele dag al best goed.
'Je hebt nog veel voor je kiezen,' zei ze.
Ik knikte.
'Jullie zullen samen een hoop moeten regelen. Het huis. De omgangsregeling met de kinderen. Geld.'
'We weten niet hoe het loopt,' zei ik.
'Jij blijft maar hopen,' zei ze. 'Jij klampt je overal aan vast.'
'Ik mag toch wel een beetje hoop hebben?'
'In de gesprekken die we er het afgelopen jaar over hebben gevoerd, heb ík niets hoopvols van zijn kant gehoord,' zei ze. 'Niets.'
'Eerst maar eens zien hoe het is als hij weer in de buurt woont.'
We aten het schaaltje nootjes leeg. We namen nog een glaasje rode wijn.
'Zal ik eens wat zeggen?' zei ze toen. 'Ik denk dat het níét goed komt. Nooit meer.'
Ik dronk mijn glas in één keer leeg. Een gore smaak.
'Hij is weg,' zei ze. 'Hij is allàng bij je weg. Hij voelt zich beter nu hij je niet ziet. Hoe duidelijk moeten de signalen zijn?'
Ze keek me aan. Ik barstte in huilen uit.
'Ik zeg dit omdat het anders nog veel meer pijn gaat doen,' zei ze. 'Hij is heel lang niet duidelijk geweest dat heeft jouw hoop steeds gevoed.'
'Misschien niet voor niets,' zei ik, 'die onduidelijkheid?'
'Nee, dat maakt het alleen maar pijnlijker,' zei ze.
Na De Bastaard gingen we Vietnamees eten in de Voorstraat. We spraken over de werkelijkheid, het ontkennen ervan en over nog meer dingen. Maar ik was ineens zo moe geworden. Zo ontzettend moe.
Op de terugweg reden er geen treinen meer naar Amsterdam Centraal. Er was een bovenleiding gesprongen. Dat was de werkelijkheid.
'
woensdag 2 november 2016
maandag 31 oktober 2016
Waarheid
Deetje vertelt aan het ontbijt dat haar vriendinnetje - Teetje - heeft gezegd dat sinterklaas helemaal niet bestaat en dat de ouders degenen zijn die de cadeaus kopen. Dat gelooft Deetje uiteraard niet. Maar er zijn toch veel dingen die ook zij niet kan rijmen. Dus vraagt ze het na. Haar ernstige, groene ogen kijken me aan.
'Hij bestaat,' zeg ik.
'Ben jij nog wel heel verliefd op papa eigenlijk?' is haar volgende vraag.
'Wat hoor ik nou?' Op het schoolplein komt Teetjes moeder naar me toe. Ze vertelt dat Deetje aan haar dochter heeft gemeld dat haar ouders gaan scheiden.
'Dat is zo.'
'Júllie.'
'Ja,' zeg ik. En heel zachtjes voeg ik eraan toe: 'voorlopig.'
'Jezus, dat is even wat anders dan het geloof in sinterklaas,' zegt ze.
Ik denk aan geloof. Geloof in je ouders. Geloof in sinterklaas. Hoe alles waarop je bouwde op zesjarige leeftijd al niet de waarheid blijkt te zijn. Hoe dé waarheid niet bestaat, maar hoe we die wel kunnen creëren. Het huwelijk is ook een geloofsovertuiging, een verhaal dat ophoudt te bestaan zodra één van de twee er niet meer aan meedoet.
In het boek Contouren van Rachel Cusk lees ik daarnet: 'En uiteindelijk besefte ik dat hun ruzies nooit konden worden bijgelegd zolang het doel was om de waarheid te achterhalen, aangezien er geen eenduidige waarheid meer bestond - dat was nu juist het hele probleem. Er was geen sprake meer van een gedeeld wereldbeeld of zelfs van een gedeelde werkelijkheid. Elk van beiden zag de dingen nu enkel nog vanuit zijn eigen perspectief. Er was maar één wereldbeeld dat ertoe deed.'
'Hij bestaat,' zeg ik.
'Ben jij nog wel heel verliefd op papa eigenlijk?' is haar volgende vraag.
'Wat hoor ik nou?' Op het schoolplein komt Teetjes moeder naar me toe. Ze vertelt dat Deetje aan haar dochter heeft gemeld dat haar ouders gaan scheiden.
'Dat is zo.'
'Júllie.'
'Ja,' zeg ik. En heel zachtjes voeg ik eraan toe: 'voorlopig.'
'Jezus, dat is even wat anders dan het geloof in sinterklaas,' zegt ze.
Ik denk aan geloof. Geloof in je ouders. Geloof in sinterklaas. Hoe alles waarop je bouwde op zesjarige leeftijd al niet de waarheid blijkt te zijn. Hoe dé waarheid niet bestaat, maar hoe we die wel kunnen creëren. Het huwelijk is ook een geloofsovertuiging, een verhaal dat ophoudt te bestaan zodra één van de twee er niet meer aan meedoet.
In het boek Contouren van Rachel Cusk lees ik daarnet: 'En uiteindelijk besefte ik dat hun ruzies nooit konden worden bijgelegd zolang het doel was om de waarheid te achterhalen, aangezien er geen eenduidige waarheid meer bestond - dat was nu juist het hele probleem. Er was geen sprake meer van een gedeeld wereldbeeld of zelfs van een gedeelde werkelijkheid. Elk van beiden zag de dingen nu enkel nog vanuit zijn eigen perspectief. Er was maar één wereldbeeld dat ertoe deed.'
zondag 30 oktober 2016
Eerste ontmoeting
Het was wéér zaterdag. Na een dag lesgeven fietste ik van de Herengracht naar huis. Hoe dichter ik mijn huis naderde, hoe groter de tegenzin. Ik had 2 dagen geen enkele vorm van contact met man gehad. Dat betekent: ik had hem geen app-berichtjes gestuurd.
Goed, ik was op weg naar huis. Ik dacht aan de cursiste die een warme, gezellige zondag beschreven had waarin ze als gezin - achteraf gezien voor het laatst - met z'n vieren bij elkaar zaten.
Goed, ik was op weg naar huis dus.
We zouden er met z'n drieën eten. Man, Deetje en ik. Jeetje was uit logeren. Ik hoopte dat hij iets lekkers gekookt had. En nee, ik hoopte verder nergens op. Misschien was het geen hoop, misschien ging ik er gewoon van uit dat hij deze 'afwezigheid' - of hoe het ook heet - zou compenseren met een exquise maaltijd. Iets interessants, veel pannen, glazen wijn.
Goed, bij binnenkomst stond man achter het fornuis. Op zijn sokken. Dat zag ik. En ook dat er maar één braadpan op de kookplaat stond. Aan de ene helft lagen twee dikke bleke worsten, en aan de andere helft een groente die het midden hield tussen broccoli en bloemkool.
'Gadver.'
'Nou zeg,' zei hij.
'Ja, gadver. Eten we dát?'
'Je lijkt Jeetje wel.'
'Weet je al niet meer dat ik niet van worst hou?'
We keken elkaar niet aan. We keken naar de braadpan.
'Dit is worst van de markt met een q,' zei hij toen.
'Ik dacht echt dat je iets lékkers zou maken.'
'Deze worst lust je wel.'
'Blóémkool. Gadver.'
'Dit is geen gewone...'
Hij rolde de worsten en de lichtgroene bloemkool heen en weer in de pan. Ik liep langs hem heen naar boven om mijn rugtas weg te leggen.
Goed, ik was op weg naar huis. Ik dacht aan de cursiste die een warme, gezellige zondag beschreven had waarin ze als gezin - achteraf gezien voor het laatst - met z'n vieren bij elkaar zaten.
Goed, ik was op weg naar huis dus.
We zouden er met z'n drieën eten. Man, Deetje en ik. Jeetje was uit logeren. Ik hoopte dat hij iets lekkers gekookt had. En nee, ik hoopte verder nergens op. Misschien was het geen hoop, misschien ging ik er gewoon van uit dat hij deze 'afwezigheid' - of hoe het ook heet - zou compenseren met een exquise maaltijd. Iets interessants, veel pannen, glazen wijn.
Goed, bij binnenkomst stond man achter het fornuis. Op zijn sokken. Dat zag ik. En ook dat er maar één braadpan op de kookplaat stond. Aan de ene helft lagen twee dikke bleke worsten, en aan de andere helft een groente die het midden hield tussen broccoli en bloemkool.
'Gadver.'
'Nou zeg,' zei hij.
'Ja, gadver. Eten we dát?'
'Je lijkt Jeetje wel.'
'Weet je al niet meer dat ik niet van worst hou?'
We keken elkaar niet aan. We keken naar de braadpan.
'Dit is worst van de markt met een q,' zei hij toen.
'Ik dacht echt dat je iets lékkers zou maken.'
'Deze worst lust je wel.'
'Blóémkool. Gadver.'
'Dit is geen gewone...'
Hij rolde de worsten en de lichtgroene bloemkool heen en weer in de pan. Ik liep langs hem heen naar boven om mijn rugtas weg te leggen.
vrijdag 28 oktober 2016
Het geschreven woord
Een greep uit de adviezen die ik krijg:
'Het wordt weer leuker later, echt waar. Het wordt béter.'
'Je kunt hem nu niet veranderen.'
'Zorg voor jezelf en je meisjes.'
'Hier moet je even doorheen.'
'Doorgaan met je leven.'
Dit schreef Renate Rubinstein over adviezen:
'Niemand zei: weet wat je wat jij moet doen, jij gaat hele mooie stukjes in de krant maken waarmee je hem naar je terugschrijft. De enige die dat de juiste tactiek vond was ik zelf. Het heeft niet zo gewerkt en iedereen vindt dat begrijpelijk. Behalve ik, ik sta er nog steeds versteld van dat het geschreven woord niet machtiger is. Maar ik heb ook altijd gedacht dat de slavernij opgeheven werd omdat de regering van Amerika 'De hut van oom Tom 'gelezen had.'
In mijn schrift kom ik een oud dialoogje tussen man en mij tegen:
'Jij dóét er niets aan. Het gáát niet vanzelf.'
'Ik ben hier,' zegt hij.
'Ja, ik ben er ook.'
'Jij bent er niet.'
'O nee?'
'Nee, jij bent er nooit. Ik ben. Dat is wat ik doe. Er zijn. Maar dat kunnen we van jou niet zeggen.'
Ik schrijf deze woorden. Ik ben h i e r.
donderdag 27 oktober 2016
Acceptatie
Het voelde alsof vanmorgen de eerste dag van mijn nieuwe leven was aangebroken. Er was iets van vrijheid mijn hoofd binnengeslopen. Lichtheid. Leven. Acceptatie. Ik ging koffiedrinken met een vriend in het Lloyd hotel.
'Heeft hij soms een ander?' vroeg de vriend.
'NEE JOH. HEL.'
'Dat gaat nog gebeuren,' zei hij droogjes. 'Daar kunnen we vast een voorschotje op nemen.'
'Ik wil die ander nu al doodschieten.'
'En jij krijg óók een ander,' zei hij.
'Ik niet. Ik zou ook niet weten hoe ik eraan kom.'
'Plenty.'
'Ik moet er niet aan denken.'
'Nee, nu niet.'
'Ik vind het juist een uitdaging om heel heel erg oud met dezelfde man te worden,' zei ik. 'Dat doet niemand meer tegenwoordig. Dat is pas a-von-tuur.'
Ik zag hem een beetje meewarig naar me kijken.
Na de koffie liep ik in de Jumbo die daar in de buurt zat, en zag ze plotseling overal. De Anderen. Mannen met boodschappenmandjes aan hun arm. En versleten cowboylaarzen aan hun voeten. Een eenzame blik in hun ogen. Ze glimlachten naar mij.
Ik wist heus wel dat de vriend gelijk had. Het leven gaat door. Op een gegeven moment komt er misschien een ander. En waarschijnlijk worden we - hoe dan ook - allemaal weer gelukkig. Maar werkelijk: ik moet er niet aan dénken dat het ooit zover komt. Ik sterf nog liever.
Tot zover: mijn acceptatie.
'Heeft hij soms een ander?' vroeg de vriend.
'NEE JOH. HEL.'
'Dat gaat nog gebeuren,' zei hij droogjes. 'Daar kunnen we vast een voorschotje op nemen.'
'Ik wil die ander nu al doodschieten.'
'En jij krijg óók een ander,' zei hij.
'Ik niet. Ik zou ook niet weten hoe ik eraan kom.'
'Plenty.'
'Ik moet er niet aan denken.'
'Nee, nu niet.'
'Ik vind het juist een uitdaging om heel heel erg oud met dezelfde man te worden,' zei ik. 'Dat doet niemand meer tegenwoordig. Dat is pas a-von-tuur.'
Ik zag hem een beetje meewarig naar me kijken.
Na de koffie liep ik in de Jumbo die daar in de buurt zat, en zag ze plotseling overal. De Anderen. Mannen met boodschappenmandjes aan hun arm. En versleten cowboylaarzen aan hun voeten. Een eenzame blik in hun ogen. Ze glimlachten naar mij.
Ik wist heus wel dat de vriend gelijk had. Het leven gaat door. Op een gegeven moment komt er misschien een ander. En waarschijnlijk worden we - hoe dan ook - allemaal weer gelukkig. Maar werkelijk: ik moet er niet aan dénken dat het ooit zover komt. Ik sterf nog liever.
Tot zover: mijn acceptatie.
woensdag 26 oktober 2016
De wederopstandeling
Voor ik naar binnenging, stond ik een tijdje door het keukenraam te kijken. Man lag op het vloerkleed voor de kachel. Hij keek televisie op de iPad. Tot voor kort was dit tafereel het beschrijven niet waard. Nu was het een ideaal plaatje. Een wonder haast. Zolang ik buiten bleef staan.
Voor mij voelt het alsof hij drie weken geleden stierf en dan ís hij er steeds ineens weer.
Meteen toen ik binnenkwam, stond hij op van het kleed en ging op de stoel zitten.
Hij had met de meisjes gegeten en ze naar bed gebracht. Ik was netjes tot half tien thuis weggebleven.
Daar zaten we. Tegenover elkaar. Boven sliepen onze meisjes. Ik vertelde ditjes en datjes over mijn dag, zoals ik gewoon ben. Hij begon zijn schoenen aan te trekken.
'Ik ga maar eens.'
'Ja.'
'Ik ben moe.'
'Ik ook.'
'Ik had nog wel wijn voor je,' zei hij.
'Zullen we nog één glaasje wijn drinken?'
'Dat is goed.'
Even later zaten we in de tuin. We hadden het over het tijdelijke appartement dat hij over anderhalve week zou betrekken. Hier op het eiland. Over dat dat prettig is. Dat het goed zal zijn als hij weer meer betrokken kan zijn bij de meisjes.
'Ik mis ze vreselijk,' zei hij.
'Ja.'
We dronken dat ene wijntje. We rookten.
'En mis je mij ook?'
'Nee,' zei hij, 'jou niet.'
'O.'
'Helemaal niet.'
'Misschien komt dat nog.'
'En mijn droefheid, of depressie wat was het? is al bijna weg,' zei hij.
'Dan is het toch ergens goed voor.'
'Ja.'
'Nu heb ik de droefheid.'
'Ja,' zei hij.
We lachten. De wijn was op. De sigaret was op. En toen zwaaide ik de levende dode weer uit.
Voor mij voelt het alsof hij drie weken geleden stierf en dan ís hij er steeds ineens weer.
Meteen toen ik binnenkwam, stond hij op van het kleed en ging op de stoel zitten.
Hij had met de meisjes gegeten en ze naar bed gebracht. Ik was netjes tot half tien thuis weggebleven.
Daar zaten we. Tegenover elkaar. Boven sliepen onze meisjes. Ik vertelde ditjes en datjes over mijn dag, zoals ik gewoon ben. Hij begon zijn schoenen aan te trekken.
'Ik ga maar eens.'
'Ja.'
'Ik ben moe.'
'Ik ook.'
'Ik had nog wel wijn voor je,' zei hij.
'Zullen we nog één glaasje wijn drinken?'
'Dat is goed.'
Even later zaten we in de tuin. We hadden het over het tijdelijke appartement dat hij over anderhalve week zou betrekken. Hier op het eiland. Over dat dat prettig is. Dat het goed zal zijn als hij weer meer betrokken kan zijn bij de meisjes.
'Ik mis ze vreselijk,' zei hij.
'Ja.'
We dronken dat ene wijntje. We rookten.
'En mis je mij ook?'
'Nee,' zei hij, 'jou niet.'
'O.'
'Helemaal niet.'
'Misschien komt dat nog.'
'En mijn droefheid, of depressie wat was het? is al bijna weg,' zei hij.
'Dan is het toch ergens goed voor.'
'Ja.'
'Nu heb ik de droefheid.'
'Ja,' zei hij.
We lachten. De wijn was op. De sigaret was op. En toen zwaaide ik de levende dode weer uit.
dinsdag 25 oktober 2016
Nee hoor
Er zitten ook praktische kanten aan het verhaal van de weggelopen man. Vanmorgen is bijvoorbeeld mijn fiets stuk gegaan. Normaal gesproken zou ik met de fiets aan de hand naar huis lopen en 'Man!' roepen. 'Fiets kapot! Maken!'
Dat doe ik al 24 jaar lang.
En dan zou man naar buiten komen op z'n sokken, met z'n warrige haar, frons in zijn wenkbrauwen, een beetje tegenzin, hij zou de fiets op z'n kop zetten, met de ketting rommelen, hier en daar wat verbuigen, het ding weer rechtop zetten. En dan deed de fiets het weer.
Een kusje zou ik hem geven, zwaaien, en de brug over racen.
Maar oké. Het is nu even niet normaal gesproken.
Dus ik zette daarnet zélf m'n fiets op z'n kop, rommelde met de ketting, verboog hier en daar wat en zette het ding weer rechtop. En toen deed de fiets het niet.
Ik herhaalde dit protocol een paar keer - dacht na over emancipatie waar ik wel een grote mond over kan hebben, maar die in de praktijk toch stilletjes aan mij voorbijgegaan is, wat niet weet wat niet deert - maar de fiets deed het nog altijd niet.
Ik hoorde dat iemand gestopt was met het lezen van dit weblog omdat de stukjes te droevig voor haar waren. Het zóú ook mooier zijn als ik nu eens een triomf zou beschrijven. Zo van: ik rommelde wat met die fiets, en ja hoor! Natuurlijk! Simpel!
Maar nee hoor.
Abonneren op:
Posts (Atom)