maandag 30 juni 2008

Scrubben

De schoonheidsspecialiste die ook pedicure is, herkent me nooit. Al twee jaar kom ik af en toe bij haar voor mijn voeten. Maar ze ziet me steeds als een nieuwe klant. Dus ik speel elke keer dat ik een nieuwe klant ben. En elke keer begint zij weer over kinderen. Eerst vraagt ze of ik ze heb. En dan zegt ze dat die zo slecht voor je voeten zijn. Of voor je gezichtshuid.
'Jouw huid is helemaal uitgeput, dof en vlekkerig. Dat komt duidelijk door de zwangerschap,' zegt ze vandaag. 'Dat komt door het kind,' weet ze.
'Het is toch al meer dan drie jaar geleden dat ik mijn dochter kreeg.'
'Je ziet het nog,' zegt ze. En scrubt het kind dan hardhandig weg van mijn gezicht. De doffe plekken die het gemaakt heeft. De vieze vlekken.
'Het doet pijn,' fluister ik. 'Het voelt als een open wond.'
'Dat moet,'zegt ze streng. 'Dat moet.' En ze scrubt.

zondag 29 juni 2008

Afscheid

Ik zit op de rand van haar bed. Ik ben hier toevallig terecht gekomen, op dit kruispunt van leven en dood. Ik moet even tussen de werelden door geglipt zijn. Ze leeft hier nog. Terwijl ze in het echt al dood is. Dat weet ik. Want de begrafenis begint zo. Ik ben niet uitgenodigd. De schrijfjuf en ik zagen elkaar ook nooit op uitnodiging. Op kruispunten in de stad zwaaiden we. Riepen we 'Hallo!' We ontmoetten elkaar jaarlijks op een feestje.
Maar hier leeft ze nog. Waar we nu zijn. Vanuit haar bed kijkt ze me recht aan - ze is hier blijkbaar niet scheel - giechelt en gaat rechtop zitten. Pieken oranjerood haar. We giechelen. Dan doe ik het plotseling. Wat ik in het echt niet zou doen. Ik geef haar snel een kus op haar wang, ter afscheid. 'Dag!'
En ik sta op.

zaterdag 28 juni 2008

Recensie Groene

Gaan ze dood?
(...) haar verhalen zijn vaak flarden, ineens sta je in iemands leven en ineens ben je er ook weer uit. Heel mooi doet ze dat in Nomadensnaar (...) Het boeit. De verhalen zijn ongerijmd, wat soms een beetje gekunsteld, wat gezocht, overkomt. Veel dialogen die niet lekker lopen, mensen die wel heel erg langs elkaar heen praten. Tegelijkertijd daagt Geurts de lezer uit tot nadenken over wat er nu precies aan de hand is, in het titelverhaal bijvoorbeeld (het mysterie komt daar niet helemaal uit de verf) en in Voorbodes (komt geweldig uit de verf). Gaan de personages nu dood of verzinnen ze dat maar? Tot drie keer toe zegt iemand dat Elliot een fantast is, hijzelf incluis. Kunnen we daarna zijn waarnemingen nog geloven? Geurts laat de lezer denkend achter.
Aldus: Joost de Vries, Groene Amsterdammer 27.06.08

Interessant. Tot nu toe vindt iedereen iets heel anders van mijn boek. Iedereen leest wat anders. Iedereen ziet er weer andere verhalen in. Geen invalshoek is nog hetzelfde geweest. Ik denk dus dat dat ook wat zegt over de mens. Dat het ene mens echt helemaal nooit op één lijn zit met het andere mens. Nooit hetzelfde ziet, beleeft en denkt (etc.) Nooit samen is. Maar daar wel altijd braaf naar zoekt; connectie. (Of die connectie dan maar verzint. Amen.)
Of ben ik het alleen die dat denkt?

vrijdag 27 juni 2008

Deceptie

Ik fiets tegen de storm in. Het feestbeest - met glanzende lipjes - achterop. Het is zomerfeest op de crèche. Ze verheugt zich al vanaf zes uur vanmorgen. Ik verheug me niet. Nergens op. Ik heb veel last van deceptie. De recensie die vandaag in de krant zou staan, stond er niet in. Ik had vannacht op vanalles gerekend. Behalve dat die er niét in zou staan. Uitstel. Afstel wellicht? Je moet ook nooit ergens op rekenen. Ze moeten ook niet melden dat die erin gaat komen.
Op de terugweg fiets ik, zonder feestbeest, langs haar huis. Het huis van mijn schrijfjuf. De gordijnen zitten er allemaal dicht. Ik zie de stenentrap naar boven, de voordeur. Het naambordje. Het zal de laatste keer zijn dat ik hier langsfiets, en dat zij nog daarbinnen is, haar lichaam. De deceptie had eigenlijk niet veel groter kunnen zijn vandaag.

donderdag 26 juni 2008

Gaat ze dood?

Geheel onverwacht ontdekte ik hedenochtend dat er een recensie in de nieuwe Groene staat. Met de kop: Gaan ze dood?
Daar zat ik. Met dat bericht. Het blad zou pas laat in de middag - rond vier uur - in mijn brievenbus liggen. Hoe moest ik deze dag verder nog doorkomen? Ik kon natuurlijk meteen naar buiten rennen, regelrecht naar de bladenman, om de Groene alvast te gaan kopen. Ook zou ik kunnen proberen in te loggen bij de digitale versie. Dat kan als vast abonnee. Een paar codes en je bent binnen. Het zou - al met al - niet eens héél moeilijk hoeven zijn de recensie voor vier uur vanmiddag te lezen. Maar vooralsnog hield ik het zo. Vooralsnog deed ik liever niks. Ja, een beetje oproer kraaien op m'n bureaustoel. Zoals altijd.
Tot m'n redacteur belde...

woensdag 25 juni 2008

Rangschikken

Dames en heren,
mijn haar is tot mijn ellende kort geknipt omdat het vorige keer toen het tot mijn ellende kort geknipt was, na een paar weken toen het weer aangegroeid was uiteindelijk toch best leuk bleek te staan, dat korte.

Mijn oude schrijfjuffrouw ligt op sterven, er hangt een recensie in de lucht, mijn haar zit dom. Er gebeurt altijd te veel. En ik verkies over het korte kapsel te schrijven.
'Vrouwen van halverwege de dertig knippen hun haar altijd kort. Het worden moekes', hoor ik Vader alweer roepen. 'Dat ga jij ook doen. Moet je opletten!'
Laat Vader maar roepen.

Het lijkt of een mens nooit tijd heeft om uit te blazen, bij te komen. Ik wacht op het moment dat er even niets gebeurt, zodat ik alles een juiste plek kan geven. Zodat het rangschikken eindelijk een aanvang kan nemen. De ordening. Ik wacht op de bewegingloosheid. Zonder dood te zijn.
Maar nee, we vliegen maar door. Kris kras door elkaar.

Uw moeke.

dinsdag 24 juni 2008

Hondenmens

'Geroezemoes vind ik een mooi woord', zegt Jeetje aan het ontbijt. 'Ik hoor geroezemoes buiten. Hoor jij soms ook geroezemoes, mama?'
Mama hoort niets. Mama zit midden in de herbeleving van het consultatiebureaubezoek.
De consultatiebureauarts houdt Jeetje een plaatje van een poes voor.
'Het geeft niks,' zegt ze tegen de mama. 'Sommigen zijn laat met de taalontwikkeling.'
De arts moet een lamme arm hebben. Maar dat laat ze niet merken, een goede consultatiebureauarts laat niets merken. Ze blijft de poes hooghouden.
'Is dat een girafje?' vraagt ze. 'Ja, ik prikkel haar even.' De arts glimlacht naar de mama. 'Ze moeten geprikkeld worden.' Dan buigt ze zich naar voren: 'Is dit een gi-raf-je?'
Jeetje staart naar het plaatje. De consultatiebureauarts noteert.
'Ze kán wel praten,' mompelt de mama nu. 'Jij kan wel praten, hè Jeetje?'
'O, wat fijn! Maakt ze al weleens drie-woord-zinnen?'
Mama knikt.
'En hoe vaak per week krijgt uw dochter ontbijt?'
'Eén keer.'
De consultatiebureauarts noteert.
'En groente?'
'Sorry, ZEVEN! Het moest zeven zijn.' Mama lacht zich haast dood.
Jeetje zit op mama's schoot. Met haar tong uit haar mond. Slap en wezenloos staart ze de einder af.
'Beschikt ze volgens u over voldoende energie?' De arts kijkt de mama aan met haar professionele consultatiebureauartsblik.
'Ik bedoel: zit ze thuis uren op de bank televisie te kijken?'
'Het is geen girafje. Het is een poesje, mevrouw. Maar ik weet niet welk ras,' fluistert de mama. 'Ik ben een hondenmens. Sorry.'