Ik ben niet gewend, pats boem, op te schrijven wat ik ergens van vind. Zonder het eerst te overgieten met een sausje proza.
Dat ben ik nu wel aan het proberen en daar staan nu de kale woorden. Parmantig op een rij. Precies te zeggen wat ze bedoelen. Wat eendimensionaal allemaal.
En trouwens wie ben ik? IK? Wat heb ik te vinden? Wat heb ik te zeggen? Niemand, nogmaals niemand, niks, nogmaals niks.
Ik hoef maar een heel klein stukje non-fictie te schrijven en ik beland dus al op dit dubieuze punt. Want ik heb geen mening. Nergens over. Nooit ook heb ik ergens een mening over gehad, of willen hebben. Helemaal nooit.
Daarom schrijf ik hier natuurlijk ook elke dag een stukje.
donderdag 31 maart 2011
woensdag 30 maart 2011
Volleerd
In de ochtend heb ik de laatste versies van de verhalen van mijn leerlingen nagekeken, voorovergebogen, met mijn bril op, en een pen in mijn hand. Als een redacteur. De rest van de ochtend en de middag heb ik geprobeerd mij een ander genre eigen te maken, de juiste woorden te zoeken, een stijl te vinden. Als een recensent.
Tijdens de lunch zag ik hoe Deetje achter een 'nieuw' loopkarretje uit de jaren '60 door de kamer liep en hoe ze toen viel, omdat het een lichtgewicht ding was. Als moeder.
Nu schrijf ik dit, terwijl ik me nog moet verkleden, als juf.
Tijdens de lunch zag ik hoe Deetje achter een 'nieuw' loopkarretje uit de jaren '60 door de kamer liep en hoe ze toen viel, omdat het een lichtgewicht ding was. Als moeder.
Nu schrijf ik dit, terwijl ik me nog moet verkleden, als juf.
dinsdag 29 maart 2011
Vrolijkheid
Vrolijke mensen zijn eng, heb ik op een A-viertje genoteerd. Met een uitroepteken erachter. Dus dan zal het wel waar zijn.
Maar waarom zijn vrolijke mensen eng? Misschien geldt de angst voor vrolijke mensen vooral voor de niet-vrolijke mens. Omdat die door de confrontatie met zoveel vrolijkheid nóg droeviger lijken, dan ze al zijn. Vrolijke mensen kunnen ook eng zijn omdat verregaande vrolijkheid altijd het tegendeel daarvan met zich meebrengt. Verregaand verdriet. Hoe vrolijker iemand is, hoe ellendiger die ook kan zijn.
Echte vrolijkheid is volgens mij schaarser dan gespeelde vrolijkheid. Gespeelde vrolijkheid vind ik eng. Liever ontmoet ik een tragische, open wond, dan een suïcidale clown. Ik zie regelmatig vrolijke mensen waarbij het vermoeden mij bekruipt dat het oneindig diepe zwarte gaten zijn.
Misschien ligt dat aan mij. Misschien zie ik zwarte gaten wanneer er pure vrolijkheid aan de hand is?
Maar zelf heb ik een best vrolijke inborst. Ik lach veel. Ik kan mij om van alles vrolijk maken. Maar niet tè vrolijk.
Maar waarom zijn vrolijke mensen eng? Misschien geldt de angst voor vrolijke mensen vooral voor de niet-vrolijke mens. Omdat die door de confrontatie met zoveel vrolijkheid nóg droeviger lijken, dan ze al zijn. Vrolijke mensen kunnen ook eng zijn omdat verregaande vrolijkheid altijd het tegendeel daarvan met zich meebrengt. Verregaand verdriet. Hoe vrolijker iemand is, hoe ellendiger die ook kan zijn.
Echte vrolijkheid is volgens mij schaarser dan gespeelde vrolijkheid. Gespeelde vrolijkheid vind ik eng. Liever ontmoet ik een tragische, open wond, dan een suïcidale clown. Ik zie regelmatig vrolijke mensen waarbij het vermoeden mij bekruipt dat het oneindig diepe zwarte gaten zijn.
Misschien ligt dat aan mij. Misschien zie ik zwarte gaten wanneer er pure vrolijkheid aan de hand is?
Maar zelf heb ik een best vrolijke inborst. Ik lach veel. Ik kan mij om van alles vrolijk maken. Maar niet tè vrolijk.
maandag 28 maart 2011
Gisteren alweer een kwart eeuw geleden
'Onze vader is dood,' heb ik mijn vader vijfentwintig jaar geleden tegen mijn moeder horen zeggen. Ik ben twaalf. Onze Golden Retriever moet over een paar dagen ook al worden afgemaakt.
Ergens laat in de avond adviseert mijn moeder dat ik maar iets moet gaan schrijven voor oma. Ik weet nog dat ik aan de keukentafel ga zitten en schrijf. Dat ik eindelijk weet ik waar ik naartoe moet.
Als het af is, laat ik het aan mijn moeder lezen. Zij zegt: 'Mooi.' Ook zegt ze: 'die laatste zin kan er wel uit.'
Er staat: "wat eenmaal is, kan niet meer stuk."
'Nee,' zeg ik. 'Dat moet er in blijven. Juist dat.'
'Ik vind het geen goede zin,' zegt mijn moeder. 'Ik snap 'm niet.'
Ik weet nog dat ik haar ook niet precies kan uitleggen wat die zin betekent en waarom ik 'm erin heb gezet. Hoe langer ik naar de zin kijk, hoe minder ik ervan begrijp: wat eenmaal is, kan niet meer stuk, wat eenmaal is, kan niet meer stuk?
Maar ik blijf erbij dat die zin belangrijk is en ik schrijf het gedicht over met mijn nieuwe kalligrafeerpen. Mèt die bewuste regel. Al ben ik eigenlijk een heel volgzaam type.
Ik weet ook nog dat mijn moeder het gedicht eerst aan een paar tantes laat lezen, voordat ik het überhaupt aan oma mag geven. De tantes denken dat oma het wel aan kan. Ik ben verbaasd over de serieuze aandacht die het gedicht krijgt, maar ben daar ook erg tevreden mee.
Oma moet huilen als ze het leest. Ze is er heel blij mee, zegt ze. Ze leest het daarna nog vaak over.
Ergens laat in de avond adviseert mijn moeder dat ik maar iets moet gaan schrijven voor oma. Ik weet nog dat ik aan de keukentafel ga zitten en schrijf. Dat ik eindelijk weet ik waar ik naartoe moet.
Als het af is, laat ik het aan mijn moeder lezen. Zij zegt: 'Mooi.' Ook zegt ze: 'die laatste zin kan er wel uit.'
Er staat: "wat eenmaal is, kan niet meer stuk."
'Nee,' zeg ik. 'Dat moet er in blijven. Juist dat.'
'Ik vind het geen goede zin,' zegt mijn moeder. 'Ik snap 'm niet.'
Ik weet nog dat ik haar ook niet precies kan uitleggen wat die zin betekent en waarom ik 'm erin heb gezet. Hoe langer ik naar de zin kijk, hoe minder ik ervan begrijp: wat eenmaal is, kan niet meer stuk, wat eenmaal is, kan niet meer stuk?
Maar ik blijf erbij dat die zin belangrijk is en ik schrijf het gedicht over met mijn nieuwe kalligrafeerpen. Mèt die bewuste regel. Al ben ik eigenlijk een heel volgzaam type.
Ik weet ook nog dat mijn moeder het gedicht eerst aan een paar tantes laat lezen, voordat ik het überhaupt aan oma mag geven. De tantes denken dat oma het wel aan kan. Ik ben verbaasd over de serieuze aandacht die het gedicht krijgt, maar ben daar ook erg tevreden mee.
Oma moet huilen als ze het leest. Ze is er heel blij mee, zegt ze. Ze leest het daarna nog vaak over.
zaterdag 26 maart 2011
Een normaal mens
Na een werk, school, crèche, huismoeder-dag (en week) kwamen we om 18.00 uur bij elkaar in restaurant Praq. Vier volwassen en vier kinderen. De drie maanden oude baby sliep in de kinderwagen, de uit de kluiten gewassen baby keek licht verwilderd om zich heen en het drie-jarig jongetje en het vijf-jarige meisje zaten al in de aangrenzende speelgoed annex tv-ruimte. Eerst krasten ze wat met de Stabilo's die aan touwtjes boven papier hingen. Alsof het ontbijtkoek was. Maar al gauw zaten ze bij de anderen op de bank, tv te kijken. Er zat ook een nanny bij. We hoefden niet bang te zijn dat ze elkaar de ogen uitkrabden. Dus konden wij elders met een gerust hart een fles wijn openmaken. De uit de kluiten gewassen baby zat op een trip-trap bij ons aan tafel. We moesten wel heel snel een mandje brood aan laten rukken, want ze hield het niet meer. Al had ik haar thuis een restje oude pasta gegeven. Er werden oesters besteld en garnalenkroketten. Ik voelde me even een normaal mens dat alles gemakkelijk vindt. En voor wie niet gauw iets teveel is.
donderdag 24 maart 2011
Hoofdloos
'Mijn hoofd staat niet op mijn lichaam,' zei de schoonmaker.
'Ik kan je verzekeren dat jouw hoofd er wel op staat,' zei ik.
'Nee,' zei hij, 'mijn hoofd is weg vandaag, en ik weet niet waarheen.'
'Maar ik kijk er nu naar.'
'Maar je ziet het niet echt,' zei hij.
'O,' zei ik.
'Dag,' zei hij en ging op in een fel zonlicht. Zijn hoofd achterna.
'Ik kan je verzekeren dat jouw hoofd er wel op staat,' zei ik.
'Nee,' zei hij, 'mijn hoofd is weg vandaag, en ik weet niet waarheen.'
'Maar ik kijk er nu naar.'
'Maar je ziet het niet echt,' zei hij.
'O,' zei ik.
'Dag,' zei hij en ging op in een fel zonlicht. Zijn hoofd achterna.
woensdag 23 maart 2011
Voorlezen
Ik was in de Rode Hoed om verhaaltjes van 140 woorden te lezen voor de camera. Een marathon van twee dagen waarvoor een heleboel schrijvers uitgenodigd waren om hun 'kronkels' te laten horen. Tijdens het laatste uurtje van die marathon kwam ik binnen. Ik sloot me aan bij een paar wachtende collega's.
'Vind je het eng?' vroeg iemand.
'Nee,' zei ik, 'het is gewoon voorlezen, toch?'
'Noem dat maar gewoon. Met een camera erop.'
'Die vergeet je wel.'
'Ik vind het héél eng.'
'Ik vond er net nog niet zoveel van,' zei ik.
'Ik kan er ook niks van, maar als je er - zoals jij - héél goed in bent.'
'Dat ook weer niet,' zei ik. 'Zeg, hoeveel stukjes zijn precies de bedoeling? Ik kan wel een paar dagen voorlezen.'
'Moet je haar horen,' zei iemand anders, 'Alsof ze de stukjes zo uit haar mouw schudt.'
'Eh,' zei ik, 'nou nee, dat bedoel ik niet, maar...'
'Wat bedoel je dan?'
'Nou ja, ik hou een weblog bij, hè? Dus daar heb ik gewoon wat vanaf geplukt. Dat is nogal makkelijk.'
'Stukjes van 140 woorden zijn anders heel erg moeilijk te schrijven.'
'Ik zeg ook niet dat het goede stukjes zijn.'
'Nee, natuurlijk niet. Dat zeg je niet.'
'Het zijn denk ik slechte stukjes,' zei ik.
Toen was ik aan de beurt.
De collega's schonken er eentje in, terwijl ik me naar de slachtbank begaf met mijn zes gefileerde rotstukjes over mijn kleurloze kutleven.
'Het is ons toch gelukt je onzeker te maken, hè!' riepen ze me nog achterna.
'Vind je het eng?' vroeg iemand.
'Nee,' zei ik, 'het is gewoon voorlezen, toch?'
'Noem dat maar gewoon. Met een camera erop.'
'Die vergeet je wel.'
'Ik vind het héél eng.'
'Ik vond er net nog niet zoveel van,' zei ik.
'Ik kan er ook niks van, maar als je er - zoals jij - héél goed in bent.'
'Dat ook weer niet,' zei ik. 'Zeg, hoeveel stukjes zijn precies de bedoeling? Ik kan wel een paar dagen voorlezen.'
'Moet je haar horen,' zei iemand anders, 'Alsof ze de stukjes zo uit haar mouw schudt.'
'Eh,' zei ik, 'nou nee, dat bedoel ik niet, maar...'
'Wat bedoel je dan?'
'Nou ja, ik hou een weblog bij, hè? Dus daar heb ik gewoon wat vanaf geplukt. Dat is nogal makkelijk.'
'Stukjes van 140 woorden zijn anders heel erg moeilijk te schrijven.'
'Ik zeg ook niet dat het goede stukjes zijn.'
'Nee, natuurlijk niet. Dat zeg je niet.'
'Het zijn denk ik slechte stukjes,' zei ik.
Toen was ik aan de beurt.
De collega's schonken er eentje in, terwijl ik me naar de slachtbank begaf met mijn zes gefileerde rotstukjes over mijn kleurloze kutleven.
'Het is ons toch gelukt je onzeker te maken, hè!' riepen ze me nog achterna.
Abonneren op:
Posts (Atom)