vrijdag 2 maart 2012

Kunst en Kinderen

'Er is geen grotere vijand van de kunst dan de kinderwagen in de hal.' Dit lees ik net in een column van een schrijver die de ochtend nadat zijn tweede kind geboren was alweer aan zijn schrijftafel zat. In een column van een andere schrijver kwam ik tegen: 'Ik ben liever een slechte vader dan een slechte schrijver.' Wat hier spreekt, zal voornamelijk de angst wel zijn. De angst het één of het ander te worden of al te zijn. De keuze slaat natuurlijk nergens op. Maar het zou al te makkelijk zijn om te doen alsof ik totaal niet begrijp waar het vandaan komt.
Kunst kost tijd. Kinderen ook. Het kost ook aandacht. Ze vereisen allebei dat je er helemaal voor ze bent. Er helemaal zijn, vind ik soms moeilijker met kinderen dan met schrijven.
Terwijl ik dit stukje schrijf, ligt recht onder mij dochter twee te slapen. Een tijdbom die elk moment af kan gaan. Het liefst wil ze: 'Loot zitten. Mama loot zitten.' Op de ochtend na de geboorte van deze dochter kon ik niet alweer aan mijn bureau gaan zitten. Ik kon niet eens zitten.
Maar pas nadat dochter één geboren was, durfde ik een boek af te maken. Omdat er sindsdien belangrijker dingen in de wereld waren dan dat boek.
En juist dat maakt het misschien meteen de vijand ervan?

donderdag 1 maart 2012

Huishouden

De vloer ligt vol kruimels, duploblokken en losse sokken. De voorraadkast is leeg, er is niets meer voor op het brood, er is niets meer voor in de pan, er is sowieso niets meer, maar al sukkelend door de supermarkt heb ik werkelijk geen idee wat we moeten eten vandaag. Ik kom ook nergens op. Wel heb ik alvast paaseitjes voor de crècheleidsters in het mandje gedaan. Er is in de hele winkel geen aanknopingspunt te vinden voor wat wij moeten eten, niets van een inspiratiebron. Overal dezelfde rekken. Na tien minuten zo te hebben gelopen uiteindelijk twee kale pizzabodems gepakt. Voor met z'n vieren. Ook een krop sla en een courgette. Vlakbij de kassa's zit een jongen van een jaar of negen op de vloer in kleermakerszit een stripboek te lezen. 'Jens! Jens! Jens!' Het is vermoedelijk zijn vader die daar dubbelgeklapt over een stang hangt. Haar in zijn gezicht. Twee volle tassen in zijn hand. Maar de jongen doet alsof hij vader niet hoort. Dat houdt hij lang vol. Misschien zit hij er nu nog te lezen. Thuis maak ik strikjes voor om de paaseitjes. Dat hebben de leidsters verdiend.

woensdag 29 februari 2012

Propper

'Weet jij wat een propper is?' Het was acht uur 's avonds en ik kwam terug van lesgeven. Man was al op mij aan het wachten in zijn sportkleding.
'Ze vonden de propper allemaal een heel normaal woord,' zei ik.
'Dat is het toch ook?'
'O ja? Zeg dan.'
'Een propper is iemand die mensen ergens naar binnen wil proppen.' Man deed een paar rek- en strekoefeningen.
'Dus jij wist dat?'
'Ja. Hoezo?'
'O, nou ik kende de terminologie nog niet.'
'Vreemd. Heel vreemd,' zei hij en vertrok.

Bij google typte ik 'propper' in. Een propper is iemand die bij een bar of discotheek mensen probeert over te halen naar binnen te gaan. Propper is de afkorting van promotor.
Voor ik me verder kon verdiepen in de propper, ging de pieper af.

maandag 27 februari 2012

Niets veranderd?

Wij waren weer eens met z'n vieren bij elkaar. Twee stellen. Ver na middernacht hingen we onderuit op de bank en keken naar een video van onszelf hangend op een bank ook ver na middernacht. Maar dan zestien jaar geleden. In het half duister. Onverstaanbaar keuvelend. Lachend. Het was allemaal real time. Het beeld nogal statisch. Dus na een tijdje begonnen we over een stukje doorspoelen.
'Ik kon toen nog niet knippen,' zei man - de filmer van ons vieren - verontwaardigd.
We waren totaal niets veranderd. We lachten nog hetzelfde. We praatten hetzelfde. We zagen er niet heel anders uit, behalve dat we toen jonger en dikker waren. En rare spencers droegen.
'Kleutervet,' zei ik.
'Het is het beeld,' zei man, 'dat trekt alles rond.'
'Die spencers doen ons figuur ook geen goed,' zei ik.
'We zouden onszelf nu ook weer moeten filmen,' zei vriendin L., 'en dan kijken we dit weer terug als we zeventig zijn en dan zeggen we nog steeds dat we niets veranderd zijn.'
Ik vond het heel geruststellend. Die stabiliteit. Het onveranderlijke in onszelf.
Tot ik erachter kwam dat zij behalve een luchtbuks, ook twee echte pistolen en een geweer in hun huis hadden liggen. Dat gaf vriend F. toch ineens een heel ander karakter.

vrijdag 24 februari 2012

Precies

De 'de Brug' ligt op de mat en ik blader er snel doorheen tot ik bij m'n column ben. Ik ben erg tevreden met een vaste column in deze krant voor Amsterdam-Oost. Vluchtig scan ik het stukje maar halverwege sla ik het blad al dicht. Eigenlijk wil ik het weggooien. Het is niets meer nu. Het hele idee is weg. Het was bedoeld als een lange zin die in één adem gelezen moest worden.
Hoe kan het dat ik echt hartkloppingen krijg als ik zie dat iemand mijn ene zin zomaar veranderd heeft in meerdere korte zinnetjes? Een eindredacteur die dacht dat ik geen punten kon zetten. Het is met de beste bedoelingen gedaan. Ik weet best dat er geen hond is die het merkt. Niemand denkt over interpunctie. Het verschil tussen punten en komma's. Er zijn wel andere dingen om over na te denken.
De angst dat er iets anders staat dan je hebt opgeschreven zit diep verankerd. 'Onze hond heet Lans' stond er ooit in Achterwerk van de VPRO-gids. Ik was toen tien jaar oud. Ik ging door de grond toen ik het stukje las. 'Onze hond heet Lars' had ik geschreven. Aan de ene kant was ik heel trots dat het geplaatst was, maar aan de andere kant wilde ik die pagina eraf scheuren omdat ik dat niet zo geschreven had. Publiceren bleek dus een twijfelachtig genoegen.

donderdag 23 februari 2012

Slachthuis

Ze moesten een stukje schrijven over een weerzien. Het was opmerkelijk dat drie dames in mijn klasje - midden/eind twintigers - precies hetzelfde beschreven. Het weerzien met een oude vriendin die nu ineens kinderen heeft en helemaal gesetteld is. De teneur van de teksten was niet mals. De oude vriendin was een meelijwekkend persoon geworden. Iemand waarmee niet meer te praten viel, te lachen of wat dan ook. Iemand waar je zo mijlenver van verwijderd bent geraakt, dat het lijkt alsof je tegenover een buitenaards wezen staat. De gruwel waarmee ze het keurige huis van de oude vriendin beschreven, haar kinderen, het uiterlijk verval. Het verlies van alle vrijheid, alle leven, identiteit.
Ik bekeek de dames eens goed. Armen over elkaar. Zeker van hun zaak. Ik besloot mijn mond dicht te houden.
Ik fietste over het lange, lege fietspad naar huis en dacht terug aan mijn eigen ontmoetingen met oude vriendinnen, hun bollende buiken, die maar bleven bazelen over de aanschaf van wasmachines. We kunnen spartelen en sputteren, dacht ik. Waarom gedragen we ons alsof we beesten zijn die weten dat ze op een dag naar het slachthuis gebracht zullen worden? Waarom laten we ons brengen?
Waarom maken we er een slachthuis van?

woensdag 22 februari 2012

De combinatie

Na mijn lezing lunchten we in café Zwart met tosti's en witte wijn en bespraken daar het huwelijk door de eeuwen heen, in de negentiende eeuw waren er meer singles dan gehuwden, we hadden het over lezingen in het buitenland, hoe kom je daaraan? en daarna ging het over schrijven en leven. Wat doe je liever? Voor Luxembourg, het café ernaast, was intussen een zeer lawaaierige ambulance gearriveerd. Zwaailichten. Chaos op de tramlijn. Een brancard werd uitgeladen. Wij begonnen de vakanties uit onze jeugd te bespreken. De een ging altijd naar hetzelfde vakantiehuis in Italië, de ander had in haar jeugd zoveel musea bezocht en boeken moeten lezen dat ze er daarna een hele tijd genoeg van had.
'Wij bezochten op vakantie altijd slagerijen en begraafplaatsen,' zei ik.
'Dat is geweldig,' vonden ze.'Slagerijen en begraafplaatsen.'
Ik liet het zo. Al klonk het, zo verteld, iets interessanter dan het was. Misschien was het eigenlijk ook wel interessant. Slagerijen en begraafplaatsen.
Tegelijk met de ziekenbroeders stonden we buiten. Zij rolden de brancard voort met een doodzieke man erop. We konden nog net voor de ambulance langs oversteken.