donderdag 3 mei 2012

Voor een centje

Er staan twee ontwapenende meisjes van een jaar of acht/negen voor de deur.
'We doen een liedje zingen voor een centje,' zegt de jongste. Ze glimlachen allebei.
'O,' zeg ik. 'Maar niet hier. Want ik ben aan het werk.'
'Sorry,' zeggen ze en lopen verder.
Ik doe de deur weer dicht.
Het zijn hele beleefde meisjes. Schattig zien ze eruit. Ze spelen viool denk ik. Maken zelf spaghetti met de pasta-machine. Houden van knutselen en natuur. Dragen regenlaarzen. Maar 'we doen liedjes zingen voor een centje' hou ik echt niet van. Het stuit me tegen de borst. Niet alleen om het slechte Nederlands. Ik weet niet precies waarom.

woensdag 2 mei 2012

Hypochondria

Het is maar goed dat ik voor het schrijven het huis niet uit hoef, was mijn eerste gedachte.
Dit werk kan ik in ieder geval altijd blijven uitoefenen. Ook als ik volledig ten prooi gevallen ben aan deze zeer zeldzame auto-imuunziekte - 50 Nederlanders hebben het - waarbij ik langzaam zal veranderen in een trol. Het begint in 89 procent van de gevallen bij de oren. Die zullen eerst vergroeien en verkroppen, totdat ze totaal verfrommeld aan mijn hoofd zitten. Ik heb ook afbeeldingen van dubbelgevouwen oren gezien en geruïneerde neuzen. De neus zal indeuken. Nee, eerst vervormen daarna pas, als het kraakbeen volledig verdwenen is, inzakken. Plastische chirurgie zal het reukorgaan misschien weer enigszins toonbaar kunnen maken. De huid zal geïnfecteerd raken, de oogbal opbollen. Ik heb het allemaal gezien op internet. Maar ik kan blijven schrijven. Ik hoef geen mens onder ogen te komen. Dat is fijn. Er is niets tegen deze ziekte te doen. Levenslang medicijnen innemen waar je moddervet van wordt, alleen om het proces een beetje te remmen.
'Zo, zo,' zegt man als hij dit hoort. 'We zullen nu nog maar even van je genieten.'
'Wil je me nog wel met die kroepoekoren en zonder neus,' zeg ik. 'En heel heel erg dik.'
'Nee,' zegt hij. 'We zetten wel ergens een huisje neer achterin de tuin, daar bezoeken we je soms.'
Dat leek mij ook het beste.
Vannacht zei hij: 'Wil jij je wel bij de feiten houden. Jij hebt alleen maar een paar bobbeltjes op je oren.'
'55 procent overlevingskans na 10 jaar.'
'Hoe heette die ziekte ook alweer?' vroeg hij. 'Hypochondria?'
Maar vanmorgen is er wel degelijk bloed geprikt. Toen ik het formuliertje ophaalde bij de huisartsenpraktijk, wisten ze volgens mij meteen waar ik voor kwam.


dinsdag 1 mei 2012

Oren

Toen ik die avond in de spiegel keek, herinnerde ik me plotseling alles wat ik de afgelopen tijd over oren gezegd had. Of gelezen. Het scheen mij ineens toe dat ik onbewust buitensporig veel met het uitwendige oor bezig was geweest. Dat kon geen toeval zijn. 's Middags nog, op de vrijmarkt, was ik een bekende tegengekomen die me vertelde dat hij vreemde oren had en daarom geen podcasts kon luisteren als hij ging rennen. Die dopjes bleven niet hangen. Hij liet me zijn oren zien.
'Dat zijn inderdaad heel gekke oren,' had ik gezegd. En erbij gelachen.
Staand voor de spiegel kon ik maar niet terughalen of ik toen mijn haar opzij gedaan had om hem mijn zogenaamde modeloren te showen. Niet wetende wat ik hem toonde. Ik hoop dat ik dat niet heb gedaan. Hij heeft er in ieder geval niets van gezegd. Als ik hem mijn oren heb laten zien, heeft hij uit beleefdheid gezwegen. Geglimlacht.
Ik drukte op de uitstulpingen van het kraakbeen, maar ze deden geen pijn.
Wat is er gebeurd? dacht ik. Het is geen droom. Van het ene op het andere moment waren mijn beide oorschelpen misvormt. Alsof er een roze garnaal op groeide en als het groeiproces in dit tempo doorging, zouden het morgen reeds gamba's zijn.
'Als je ouder wordt gaat je neus groeien,' zei man, 'en je oren geloof ik ook.'
De zoekmachine gaf me heel weinig informatie over de plotselinge transformatie van de vorm van mijn twee oren. Het waren ook geen bloemkooloren want niemand had ze ook maar met een vinger aangeraakt. De afgelopen nacht sliep ik onrustig. Ik droomde over wildgroei aan mijn oren. En dat het maar doorging.

zaterdag 28 april 2012

Bewijslast

Bewijs dat u een mens bent, wordt mij hedenochtend door blogger gevraagd. Ik kan niet verder als ik mijn menszijn niet aan kan tonen.
Er moet van alles gebeuren met dit blog, achter de schermen, want anders is mijn account op dertig mei weg, zo waarschuwen ze mij al steeds. Ik haat veranderingen, altijd maar weer die kut-veranderingen waar ik niet om vroeg. Het was toch allemaal goed zo. Blijkbaar was het niet goed zo. Er moest grondig gerenoveerd worden.
Ik had stukjes in mijn hoofd over de reis naar de dierentuin die ik gisteren maakte, hoe ik mijn redacteur in de tram trof, hoe ik een les mee turnde en 's avonds het literaire spektakel bijwoonde in het Torpedotheater. Drie verschillende werelden op één dag. Het moest niet veel gekker worden. Ik had ook nog een tot nadenken stemmend artikel gelezen in de Groene over schrijvers en de middenklasse. Daar wilde ik nog iets mee.
Maar het regent nu. Het zeikt. De lucht is grijs. En ik moet bewijzen dat ik een mens ben. Dat gaat twee keer fout. Uiteindelijk word ik dan op het nippertje als mens beschouwd, hoezee, maar daar heb ik geen donder aan, want nog steeds kan ik niet geactiveerd worden, zeggen ze. En als ik na dertig mei niet meer hier te lezen ben, dan weet u hoe het komt. Dan ben ik toch niet geaccepteerd, als volwaardig mens met een gebruikersnaam en een wachtwoord.

donderdag 26 april 2012

Waar is het goed voor?

Wachtend bij de tramhalte, regen en windstoten, schreef ik een vriendin dat we vooral niet moesten vergeten dat het leven toch ook leuk moest zijn. Het genieten en zo. Voor je het weet jakker je maar door. Tot er niks meer te jakkeren valt. De vraag waar is het allemaal goed voor dringt zich op.
Waar is het allemaal goed voor?
In mijn klasje - er zaten zeven cursisten - zat er één steeds te gapen. Ze deed het met veel geluid, telkens als ik dacht dat het voorbij was, kwam er weer zo'n geeuw. Het moest een enorm vermoeide vrouw zijn. Hier kwam ze bij van haar jachtige leven. Eén keer, toen ze niet gaapte en ik voorzichtig haar kant op keek, betrapte ik haar erop dat ze met haar ogen dicht zat. Nog wel rechtop. In haar dromen is ze het dichtst bij de literatuur, dacht ik. En: het is goed zo. De cursiste zag er met haar ogen dicht lief uit. Als ze sliep, gaapte ze tenminste niet. Al hoopte ik wel dat ik haar na de les nog wakker kon krijgen. Toen ik de tweede keer haar richting uit keek, deed ze ze net open. We keken elkaar per ongeluk recht aan. Ik wist niet hoe snel ik weg moest kijken. Het was alsof zij mij op gluren betrapt had. Al met al heb ik me de hele les nogal veel bezig gehouden met het al dan niet in slaap vallen van de cursiste.
De tramhalte daar was ik gebleven. Het duurde lang voordat tram tien kwam. Noodgedwongen stonden we daar dus allemaal stil. Gelukkig hadden we allemaal zo'n telefoon waardoor we gewoon onze belangrijke boodschappen de wereld in konden blijven sturen. Al mogen die apparaatjes niet te nat worden.

dinsdag 24 april 2012

Er was

Er was een kind dat bij andere mensen de auto vol kotste en met tranen in de ogen tegen mij zei: 'Je moet eens één keer naar mij luisteren. Als ik niet naar een feestje wil gaan, wil ik niet. Waarom moet ik van jou? Een feestje is toch alleen maar omdat het leuk is? Of niet soms.'
'Ja,' zei ik, 'Je hebt gelijk. Sorry.'
Er was het andere kind dat zei: 'Deetje spuugt op de grond.' En dat deed ze.
Er was een feestje vanwege mans verjaardag. We hadden taarten gemaakt in onze nieuwe oven. Het was leuk om ineens weer dingen te koken uit een kookboek Omdat we een geweldig mooi fornuis hebben. Maar verder geen keuken.
Er was het hoofdstuk waarvan ik de ingang maar niet kon vinden. Ik dwaalde er omheen. Zoals je soms niet weet waar je naar binnen moet in een gebouw. Zo dwaal ik trouwens best vaak om m'n werk heen. Als een spook. Maar op een gegeven moment had ik het. Het duurde toch nog lang voor het op papier stond. Echt van negen tot vijf. Zo'n werkdag.
Er was een discussie over stampen met je vuist. Ik vond dat niet kunnen. Het is slaan met je vuist. Stampen doe je met je voeten. Ik had mijn renkleren al aan toen het gesprek op internet begon. En tijdens het rennen heb ik de hele tijd aan werkwoorden gedacht; stampen, rammen, slaan. Terwijl ik aan iets heel anders had willen denken.

vrijdag 20 april 2012

Allemaal vragen

Naast elkaar in de spiegel staan we. Jeetje is haar tanden aan het poetsen. Ik wacht tot ze klaar is. Ze spuugt in de wasbak.
'Het kan gebeuren dat je langer dood bent dan dat je leeft,' zegt ze.
'Ja, hoezo?'
'Dacht ik gewoon.' Jeetje poetst verder, bekijkt zichzelf langdurig in de spiegel en spuugt weer.
'Misschien ben ik wel geestelijk gehandicapt.'
'Hoe kom je daar nou bij?'
'Geestelijk gehandicapten zijn grote mensen die denken als een kind.'
'Onder andere.'
'Nou, ik ben nog een kind. Dus je wéét niet of ik geestelijk gehandicapt ben.'
'Je bent niet geestelijk gehandicapt, Jeetje.'
'Hoe weet je dat?'
'Omdat jij je dit allemaal afvraagt.'
Jeetje kijkt me niet-begrijpend aan.
Voor het slapen gaan lees ik haar de kinderbijbel voor.
'Maar hoe weten ze nou zo zeker dat het god was die tot hen gesproken heeft, terwijl ze hem niet zien?'