maandag 4 juni 2012

Kronkel

Over een week word ik negenendertig. Dat is gelukkig nog geen veertig. Als ik echt denk aan het feit dat dit lichaam over een jaar veertig jaren oud is, schaam ik me. Ik lag daar gisteravond in bed nog aan te denken. Die schaamte. Dat had ik ook toen ik twintig werd, dertig. Ik schaam me nu voor grijze haren. Ik trek ze uit mijn hoofd. Binnenkort is dat niet meer te doen. Dat weet ik wel. En de grijze haren zijn nog het minste. Die staan eigenlijk alleen maar symbool voor het persoonlijke falen. Het ouder worden.
Mijn hele leven schaam ik me al voor alles wat met opgroeien te maken heeft. Iedere keer als er een nieuwe fase aanbrak, kwam ik geloof ik in een lichte depressie terecht. Na een tijdje wende die fase. Ik vergat het. Er zat niets anders op. Maar dan begon de volgende fase alweer. Laatst hoorde ik een interview met Paul Auster over zijn nieuwe boek. Winterlogboek. Een geschiedenis van zijn lichaam. Ik geloof dat hij vijfenzestig werd, de winter van zijn leven brak aan. Ik had het boek ook al in mijn handen gehad in de boekwinkel, maar weer teruggelegd omdat ik nog zoveel te lezen heb. Ik rende toen ik het aan het beluisteren was, dit lichaam bijna negenendertig jaren oud en dacht aan wat het allemaal meegemaakt had. Moet ik al beginnen met het herfstlogboek dan? Het midzomerlogboek lijkt me beter. Tegen de tijd dat het af is, ben ik veertig. Ik weet dat er meer zijn die dit hebben. Maar ook veel mensen die ik spreek, zijn heel blij dat ze nu in de veertig zijn, en wijzer, en meer durven dan toen. Soms kom ik mensen tegen die het niks kan schelen. Dat lijkt me geweldig. Het is natuurlijk allemaal een verzet tegen de dood. Dat zal falen worden.

zondag 3 juni 2012

Zondag

Ik kocht zojuist de boeken: In Onbalans, Wat is waanzin? en Inleiding tot de psychoanalyse. Verder alles goed.
Het begon ermee dat ik luisterde naar Arnon Grunberg in de Avonden en dat het regende. Daarna kocht ik die boeken.
Ik luisterde toen naar Sanneke van Hassel die in Zagreb op een verhalenfestival was geweest, haar boek Ezels heb ik al. Maar ik wil graag de bundel Naar de Stad gaan lezen met daarin de mooiste verhalen van de 21ste eeuw samengesteld door Sanneke van Hassel en Annelies Verbeke. Ik vind hen allebei heel goed. En ik zag dat er nieuw werk van b.v. A.M. Homes in de bundel stond. Zij is ook al heel goed.
Brengt mij op de schrijfsters in het bovenzaaltje met wie ik gisteren op een gegeven moment samenklonterde, tijdens het VPRO boekenfestival: Frankra Treur, Marieke Groen, Maartje Wortel, Hagar Peeters, en Esther Gerritsen. Die ook heel goed zijn.
Wat dit allemaal met elkaar te maken heeft? Daar is wel iets van te maken.

vrijdag 1 juni 2012

Trompet

De grote biertent was opgezet op het braakliggend veld voor het huis van mijn ouders. Toen ik klein was, baande ik daar weggetjes door het mais. Nu werd het gebruikt voor dorpsfestiviteiten. Het was warm. Kinderen konden er hun gezicht laten beschilderen, er stond een container met zand, er werden burgers op de gril gelegd en er was een springkussen, maar daarvoor was het vorig weekend net te heet. Voor de biertent was het nooit te heet. Ik was daar 's morgens vroeg en toen ik aan het eind van de middag weer kwam, zat iedereen er nog te drinken. We keken naar een talentenjacht. Waar geplaybackt werd en apathisch gedanst, tot één jongetje zo droevig trompetterde dat alle bierheisende dorpelingen er stil van werden. Het leek wel dodenherdenking. Een kort moment van de nederdaling van de heilige geest in de tent. Het was ook Pinksteren. Ik keek of ik bekenden zag. Klasgenoten van de lagere school. Maar ik zag ze niet. En toen ik er eindelijk eentje zag, durfde ik er niet mee te gaan praten. Hij leek nauwelijks nog op hem. Ik zou niet weten wat ik moest zeggen. Op een gegeven moment ontdekte ik een jongen die geen steek veranderd was. Ook niets ouder geworden. Dat bleek dus een zoon. Die kalende pa ernaast was de echte jongen uit mijn klas. Toen ik tenslotte terugliep naar mijn ouderlijk huis, kwam er nog een meisje - nou ja een vrouw dus - aan, met haar moeder. Haar herkende ik wel meteen. Ik stak mijn hand op. Ze zwaaide niet terug. We hadden acht jaar bij elkaar in de klas gezeten en nu waren we onbekenden geworden. Toen schetterde die trompet weer, lang en eenzaam, door het dorp. De winnaar van de talentenjacht.

woensdag 30 mei 2012

Alles loopt door elkaar

Mijn hoofdpersonage heeft een andere voornaam gekregen. Het was alsof ze steeds al tegen me zei: dit is niet mijn naam. Nu dan heb ik haar echte naam gevonden. En ook haar echte drijfveer. Daar ben ik al een paar weken achter. Het is alsof ze allemaal ergens al bestaan, de personages die ik toch echt allemaal zelf verzon. En hun drijfveren ook. Ze bestaan. Ik moet ze nog plausibel zien te maken. En ik moet uit zien te vinden wat er plausibel gemaakt moet worden. Ik moet mijn eigen teksten steeds maar analyseren. Gelukkig is tekstanalyse een sterke kant. Dus daar kan ik op vertrouwen. Maar het loopt door elkaar. Verbeelding, werkelijkheid. Zoals mijn imaginaire vriendje. Hij was bij me sinds ik kon praten en toen ik een jaar of twaalf/dertien was, bedacht ik dat hij weg moest. Ik tekende een vriendinnetje voor hem, gaf haar een naam en verzon dat hij met haar verder ging. Ik weet nog dat ik dacht: daar zal hij wel niet intrappen. Maar hij trapte er wel in. Nooit meer teruggezien dat gastje met z'n zwarte golvende haar. Hij wilde misschien ook al veel langer bij me weg. Maar was geheel afhankelijk van mijn verzinsels. Dat krijg je dan. Toch heb ik hem nooit meer terug kunnen bedenken. Dat werd ongeloofwaardig. Dat was hem ook niet echt.

dinsdag 29 mei 2012

De man die zichzelf overschatte

We aten Aziatische fusion op de stoep van de Zeedijk. Tijdens het voorgerecht viel er een dikke grijze man, - gigantische bermuda, lichtgeel t-shirt - bovenop zijn gezicht. Ik hapte net van mijn garnalenloempia toen hij met een klap op de stoeprand naast mijn tafeltje terechtkwam. Vier voorbijgangers schoten te hulp. We keken toe terwijl we aten. Het was een erg goeie loempia. Hij kraakte. Het sausje dat erbij zat, was ook precies goed. Niet te zoet. Niet te pittig. Het restaurant had niet voor niks een 9+ gekregen van Johannes van Dam. We waren allang blij dat we nog een tafeltje buiten hadden weten te bemachtigen. Naast mij hesen ze de gevallen toerist overeind. Toen ze hem eenmaal rechtop hadden staan, zag ik dat zijn grote neus rood en plat was. Ook zag ik schaafplekken. Hij keek zo intens bedroefd dat mijn loempia iets minder goed smaakte. Ik schatte hem een jaar of zeventig.
'Are you alright, are you alright,' riepen zijn helpers hem achterna.
'Yeah, yeah.' Hij ging zitten in de lege rolstoel die eraan kwam, haastig voortgeduwd door een maat van hem. Hij werd snel van de plaats waar hij viel weggerold. Mijn Koreaanse groenteschotel werd geserveerd. Die smaakte voortreffelijk. Al bleef ik bang voor vallende mensen.
Na het eten zag ik hem nog zitten op een terrasje op de Nieuwmarkt met een grote pul bier voor zijn neus. Zijn maat had er ook één. De rolstoel stond vlak bij hem. Weer zag ik die hele treurige blik in zijn ogen.

donderdag 24 mei 2012

De kinderlokker

Jeetje heeft een grote pleister op haar knie als ze thuiskomt uit school. Ze is maar net ontsnapt aan een kinderlokker op het schoolplein, zegt ze.
Ik had vandaag net een mail ontvangen van de directie over de kinderlokker. En of we er het met ons kind over wilde hebben. Er was een verwarde man op het schoolplein geweest. Het verhaal ging nu de hele school rond en het raakte een beetje uit z'n verband. Zoals dat vaker gaat met verhalen over kinderlokkers.

Even later zit Jeetje met het buurmeisje op het trottoir. Ik sta ernaast en hoor het buurmeisje vragen wat Jeetje met haar knie gedaan heeft.
'O, er was een kinderlokker op het schoolplein.'
'Een wat?'
'Een kinderlokker.'
'Daar heb ik nog nooit van gehoord,' zegt het buurmeisje.
'Die lokt kinderen.'
'O, joh, dat wist ik niet.'
'Ja,' zegt Jeetje. 'Hij vroeg of we mee naar een pretpark gingen.'
'En is dat leuk of niet leuk. Die kinderlokker?' Het buurmeisje aarzelt.
'Niet leuk,' zegt Jeetje. 'Ik ben weggerend en toen gevallen.'
Ik luister naar hun gesprek, zeg af en toe dat het wel meevalt met de hoeveelheid kinderlokkers. Dat ik niet denk dat hij echt een spoor van snoepjes achterliet. Maar een heel goede ingeving heb ik niet.
Na een tijdje vraagt het buurmeisje aan mij: 'Maar wat doet een kinderlokker dan met de kinderen als hij ze gelokt heeft?'
'Het gaat er gewoon om dat je je niet mee laat lokken', zeg ik.
Al met al had ik niet het gevoel dat ik het verhaal goed wist te ontzenuwen.

woensdag 23 mei 2012

Ga ervoor!

De organisatrice zei: 'In IJburg gaan toch alleen maar mensen wonen die aan het einde van hun relatie zitten.'
Ik verstond 'eind van hun leven'. Maar dat lag vast aan mijn stemming. Als ik aan mijn B.I.W dacht, dacht ik steeds aan mijn R.I.P. Zo'n stemming.
Cees Nooteboom was net terug uit Mexico, zei hij. Hij zat tussen twee reizen in zoals sommige mensen tussen twee banen. Mijn gedroomde leven.
De organisatrice zei: 'IJburg, IJburg, dan denk ik: waarom gaan jullie er niet VOL voor? Waarom gaan jullie niet in Almere wonen. De huizen zijn daar zelfs mooier. Het is er groener en goedkoper.'
Ik wilde er niet vol voor gaan. Ik was daar gaan wonen zonder er vol voor te gaan. Het bleek lang zo erg niet als ik van tevoren gedacht had. Het was er best goed. Ook al miste ik hier diversiteit. In alles.
'In IJburg wordt heel veel coke gesnoven.' De presentatrice van het radioprogramma kwam erbij staan. 'Er zijn cokefeestje en seksfestijnen. Dat hoor ik van verschillende kanten. En iedereen doet het daar met elkaar.'
Het scheen ook nog allemaal te gebeuren op het eiland waar ik woon. Recht onder mijn neus dus. Want zo groot is het hier niet.
Ze zei: 'Dompel je onder. Duik erin! Bedrijf onderzoeksjournalistiek.'