'Kun je geen straf geven?' vraagt de cursiste.
'Stráf?'
'Wil je ons straffen als we het huiswerk niet gemaakt hebben?'
'Ons,' zegt een andere cursiste. 'Lèkker dan.'
We zitten in een carré vorm. Het is de vierde les. De groep is volgens mij jonger dan ik gewend ben, maar leeftijd kan ik nooit helemaal goed inschatten. Dat merk je gaandeweg aan bepaalde dingen.
Dat ze op hun eigen tijd binnendruppelen bijvoorbeeld, dat de koffie in het studentencafé te duur wordt bevonden. Liever een automaat. Soms slepen ze grote weekendtassen met zich mee. In de twee uur dat de les duurt, moet er echt een pauze worden ingelast. In hun teksten figureren hele oude mensen.
'Hoe oud is je personage dan ongeveer?'
'Héél oud. Iets in de dertig denk ik wel'
'Iets in de dertig.'
'Nee, ik denk in de véértig zelfs.
'Tjonge,' zeg ik. 'Dat is kapot oud.'
Ze praten over veertigers met burn-outs, alsof die twee zaken met elkaar verbonden zijn.
Afgeschreven. Uitgedaan. Teleurgesteld. Opgebrand. Geestdood. Gesetteld. Niet meer van deze wereld. Nog net niet in een invalide karretje. Maar daar is eigenlijk alles mee gezegd.
donderdag 7 mei 2015
zondag 3 mei 2015
Eenwording
Het is gevaarlijk om observaties over je gezinsleven te noteren, de meeste schrijfsters laten het wel uit hun hoofd, je wordt hoe dan ook in de hoek van de minder validen geplaatst, dat weten we nu zo langzamerhand, dus schrijf ik maar beter niets over het kinderfeestje hier.
We zijn bang te worden weggezet in het mierzoete moederschap hoekje. Ik ben daar door mijn boeken en deze tekstjes vermoedelijk vanzelf in terechtgekomen, al is het bijvoeglijk naamwoord 'mierzoet' op mij niet van toepassing. Ergens las ik dat vrouwen niet goed (waarmee 'slecht' wordt bedoeld) kunnen schrijven over het ouderschap omdat ze té persoonlijk betrokken zouden zijn. Voor mij ligt het precies andersom.
Wanneer ik weer eens van een afstand naar mijn leven kijk, verbaas ik me er over hoe het zo heeft kunnen lopen met alles. Wat ik zie komt me vaak genoeg vreemd voor.
Op zo'n moment begin ik meestal in te zoomen, nog verder in te zoomen, we moeten dichterbij komen, nog dichterbij, mijn leven en ik. Hier ga ik net zolang mee door tot het beeld glashelder is. Op het oude Perzische tapijt, naast de tafel waaraan ik zit, verschijnt nu een man in kleermakerszit en naast hem een meisje in een lange nachtjapon met bloemetjesmotief. Ze spelen. De inhoud van de nieuwe doos playmobil omgekeerd tussen hen in. De man zadelt een gevlekt paard op. Het meisje is bezig het witte paard binnen het hekwerk te houden.
'Ik heb te weinig hekjes,' zegt ze tegen het paard, 'ik kan maar een heel klein weitje voor je maken.'
'Sluit me niet op,' zegt het paard, 'sluit me niet op.'
Het meisje galoppeert met het paard door de kamer. Weg van de man, weg van het kleed. De wereld in.
Pas tijdens het schrijven van zo'n stukje vallen we samen, mijn leven en ik. Dichterbij kan ik niet komen. Ik kan het niet niet opschrijven. Ze zitten er!
We zijn bang te worden weggezet in het mierzoete moederschap hoekje. Ik ben daar door mijn boeken en deze tekstjes vermoedelijk vanzelf in terechtgekomen, al is het bijvoeglijk naamwoord 'mierzoet' op mij niet van toepassing. Ergens las ik dat vrouwen niet goed (waarmee 'slecht' wordt bedoeld) kunnen schrijven over het ouderschap omdat ze té persoonlijk betrokken zouden zijn. Voor mij ligt het precies andersom.
Wanneer ik weer eens van een afstand naar mijn leven kijk, verbaas ik me er over hoe het zo heeft kunnen lopen met alles. Wat ik zie komt me vaak genoeg vreemd voor.
Op zo'n moment begin ik meestal in te zoomen, nog verder in te zoomen, we moeten dichterbij komen, nog dichterbij, mijn leven en ik. Hier ga ik net zolang mee door tot het beeld glashelder is. Op het oude Perzische tapijt, naast de tafel waaraan ik zit, verschijnt nu een man in kleermakerszit en naast hem een meisje in een lange nachtjapon met bloemetjesmotief. Ze spelen. De inhoud van de nieuwe doos playmobil omgekeerd tussen hen in. De man zadelt een gevlekt paard op. Het meisje is bezig het witte paard binnen het hekwerk te houden.
'Ik heb te weinig hekjes,' zegt ze tegen het paard, 'ik kan maar een heel klein weitje voor je maken.'
'Sluit me niet op,' zegt het paard, 'sluit me niet op.'
Het meisje galoppeert met het paard door de kamer. Weg van de man, weg van het kleed. De wereld in.
Pas tijdens het schrijven van zo'n stukje vallen we samen, mijn leven en ik. Dichterbij kan ik niet komen. Ik kan het niet niet opschrijven. Ze zitten er!
maandag 27 april 2015
Koningsdag
We gingen in de ochtend naar de Watergraafsmeer en ik viste een goeie spijkerbroek uit de hopen troep, man vond een kookboek, Jeetje een stapeltje Donald Ducks uit 2010 en Deetje pikte Fluttershy (haar favoriete my little pony) uit de rommel.
In de middag thuis brachten de overburen ons saffraanijs met grappa. Dat ontspande onmiddellijk. Er rolschaatste een jongetje van een jaar of vijf heen en weer door de straat met een bordje om zijn nek: voor tien cent mag je mij drie keer knuppelen. (Nee er stond geen knuffelen) Hij rolde ons langzaam voorbij, zijn armen wijd, knieën krom, moeizaam balancerend, steeds net niet vallend.
We hadden op zaterdag een etentje met twintig mensen, dus aten we 's avonds voor de derde achtereenvolgende dag Indonesisch. Deze keer in onze winterjassen (vanwege de wind) voor het huis, met allerlei buren. De kinderen op de grond op een kleedje, als hondjes, rond een bak friet.
Ik kan de eerstkomende jaren geen Indonesisch eten meer zien. Maar gisteren dacht ik precies hetzelfde. Zo onberekenbaar is de mens.
Tijdens het zaterdagetentje alhier viel het me trouwens op dat de gasten bijzonder veel interesse hadden in mijn alternatieve slaapmiddel. Bijna iedereen had wel last van een druk en/0f malend hoofd in de nacht. Men wilde het adresje weten en nam alvast een drupje wiet als dessert. Ze leken naarstig op zoek naar verlossing, verdoving. Rust. De onrust viert hoogtij, dacht ik. Maar waarom eigenlijk?
In de middag thuis brachten de overburen ons saffraanijs met grappa. Dat ontspande onmiddellijk. Er rolschaatste een jongetje van een jaar of vijf heen en weer door de straat met een bordje om zijn nek: voor tien cent mag je mij drie keer knuppelen. (Nee er stond geen knuffelen) Hij rolde ons langzaam voorbij, zijn armen wijd, knieën krom, moeizaam balancerend, steeds net niet vallend.
We hadden op zaterdag een etentje met twintig mensen, dus aten we 's avonds voor de derde achtereenvolgende dag Indonesisch. Deze keer in onze winterjassen (vanwege de wind) voor het huis, met allerlei buren. De kinderen op de grond op een kleedje, als hondjes, rond een bak friet.
Ik kan de eerstkomende jaren geen Indonesisch eten meer zien. Maar gisteren dacht ik precies hetzelfde. Zo onberekenbaar is de mens.
Tijdens het zaterdagetentje alhier viel het me trouwens op dat de gasten bijzonder veel interesse hadden in mijn alternatieve slaapmiddel. Bijna iedereen had wel last van een druk en/0f malend hoofd in de nacht. Men wilde het adresje weten en nam alvast een drupje wiet als dessert. Ze leken naarstig op zoek naar verlossing, verdoving. Rust. De onrust viert hoogtij, dacht ik. Maar waarom eigenlijk?
donderdag 23 april 2015
Absurd
We hadden voorgelezen in IJzaal van de Tolhuistuin op de Lange avond van het korte verhaal en stonden aan de bar. Mijn eerste ouwe klare gedronken. Dat was lang niet slecht. Op een dag is het tijd voor ouwe klare. Dat was gisteren kennelijk. Er waren zeven verhalen voorgelezen, of in mijn geval een fragment uit het langere verhaal Lastmens, en er was aandachtig publiek. Leunend tegen de bar spraken we over het vak, over jezelf wel of niet serieus nemen en over meningen verkondigen in je werk. Er kwam een man naar ons toe die goed geluisterd had en een heldere analyse gaf over wat hij had gehoord. In een enkele zin gaf hij me de kern van mijn schrijven. Dit moet ik onthouden, dacht ik.
'Geen recensent heeft dit ooit beter gezegd,' zei mijn collega tegen mij. 'Je kunt nu wel ophouden met schrijven.'
Misschien komt het door die ouwe klare, maar ik onthield het niet. Ik weet wel dat de man het geen absurdisme noemde. Dat vond ik geweldig. Want niets van wat ik schrijf, heb ik ooit absurd bedoeld.
'Geen recensent heeft dit ooit beter gezegd,' zei mijn collega tegen mij. 'Je kunt nu wel ophouden met schrijven.'
Misschien komt het door die ouwe klare, maar ik onthield het niet. Ik weet wel dat de man het geen absurdisme noemde. Dat vond ik geweldig. Want niets van wat ik schrijf, heb ik ooit absurd bedoeld.
woensdag 22 april 2015
Doorslapen
Net na zessen stonden we al op om het verjaardagsontbijt voor man te gaan regelen. Mijn oogleden topzwaar vanwege mijn medicinale wietgebruik. (Het is fantastisch spul om mee in slaap te komen, maar bemoeilijkt het ontwaken aanzienlijk.)
De spanning liep meteen al superhoog op. We waren zo zenuwachtig dat we het haast niet voor elkaar kregen om zachtjes te praten. We wisten ook niet meer wat we als eerste moesten doen.
Eitjes koken, croissantje in de oven, cake met kaarsjes. De meisjes drapeerden de tekeningen om het bord van de jarige. Net toen ik met een berg cadeautjes in mijn armen naar beneden wilde lopen, hoorde ik een gigantisch kabaal. Het klonk als een olifant die van de trap stortte.
‘Ik kom al,’ riep ik. ‘Ik kom!’
Hoog gillend en hard huilend lag Deetje op de vloer. De gevallene brulde dat ze echt niet meer meedeed met de voorbereidingen voor het ontbijt. Jeetje schreeuwde dat ze niet zo moest schreeuwen en dat ze meteen op moest houden met huilen. Nu metéén. De jarige sliep door alles, werkelijk door alles, heen. (En dat had niets met wiet te maken)
vrijdag 17 april 2015
Krijg een leven
We pesten heel wat af hier in huis. We weten van geen ophouden. We spelen het kaartspelletje steeds opnieuw, waarbij het vooral voor Deetje een uitdaging is om niet in woede te ontsteken in het geval van naderend verlies. Ik snap die emotie zo goed, maar ze overvalt me nooit meer bij een spelletje pesten. Er worden hier ook ontzettend veel moppen en raadsels verteld. Heel veel zelfgemaakte moppen valt me op, erg lange moppen, en nog langere raadsels die een clou ontberen.
Ik moest ineens nog even gaan rennen.
Tijdens het rennen, het schemerde al, kwam ik heel lang geen enkel ander mens tegen. Ik dacht dat ik in een schilderij liep. Met een ondergaande zon. En er was ook wel iets dreigends. Er is altijd iets dreigends in het schilderij waarin ik loop. Iets dat zo dadelijk vanuit de struiken voor mijn neus zal springen om me te pakken. Daar kijk ik niet gek van op. Ik naderde de voetbalvelden toen de volgende fase voorbij kwam fietsen. Een hele troep tienermeisjes met golvend haar (het leek wel een twaalf-ling) schuddend met hun lange lokken, wiebelend met hun billen op de zadels, alle twaalf naar links kijkend, schreeuwend naar de voetballers op het veld: 'Kijk voor je. O joh! Krijg een leven.'
dinsdag 14 april 2015
Alphonse
Elke nacht rond een uur of vier lees ik verder in 'Dertig dagen' van Annelies Verbeke. Het gaat over Alphonse die door de mensen waarvoor hij als huisschilder werkt, steeds meer in vertrouwen wordt genomen. Ze vertellen hem hun levensverhalen, ze bellen hem op als ze hem nodig hebben. Alphonse luistert, Alphonse komt. Het is een heel zorgvuldig geschreven, goed en genuanceerd boek over een man die het juiste probeert te doen.
Ik merk dat Alphonse dezelfde geruststellende uitwerking op mij krijgt als op de personages. Of hij nu wil of niet. Als ik niet kan slapen, is Alphonse er. Dat weet ik. 's Nachts is de goede man er ook voor mij. (Daar zal zijn vriendin Kat niet blij mee zijn. Zij wordt langzaam aan dol van zijn drang tot helpen.) Het boek is bijna uit. Opnieuw beginnen dan maar. Tot we zonder Alphonse de nacht doorkomen.
Ik merk dat Alphonse dezelfde geruststellende uitwerking op mij krijgt als op de personages. Of hij nu wil of niet. Als ik niet kan slapen, is Alphonse er. Dat weet ik. 's Nachts is de goede man er ook voor mij. (Daar zal zijn vriendin Kat niet blij mee zijn. Zij wordt langzaam aan dol van zijn drang tot helpen.) Het boek is bijna uit. Opnieuw beginnen dan maar. Tot we zonder Alphonse de nacht doorkomen.
Abonneren op:
Posts (Atom)